George Overmeire’s Culturele Overpeinzingen.
Jenny Arean en Louis van Dijk
Jenny Arean en Louis van Dijk, twee rasartiesten die beiden hun sporen ruimschoots verdienden maar nog nooit samen in het theater te zien waren. In deze voorstelling zullen deze twee muzikale werelden voor het eerst samensmelten. Dit levert een zeer gevarieerd programma op waarin, naast bestaand materiaal dat nieuwe glans krijgt, ook speciaal voor deze gelegenheid geschreven repertoire zal worden vertolkt.
De volle warme stem van Jenny Arean en het virtuoze spel van Louis van Dijk staan garant voor een avond gevuld met muzikale hoogtepunten.
Tot zover het officiële persbericht. En er staat geen letter teveel in; bij de combinatie Louis van Dijk en Jenny Arean verwachtte ik een goed concert en ik werd niet teleurgesteld afgelopen zaterdag.
Ik vind Louis van Dijk echt een geweldige pianist, die niet alleen lekker Jazz speelt, maar ook met klassiek goed uit de voeten kan – ik denk daarbij altijd aan een televisie-optreden van hem, al een tijd geleden, waarbij hij het 5e Brandenburgse concert van Bach speelde, met de beruchte klavecimbel-cadens op het eind van het eerste deel.
Bij het optreden in de Haarlemse Stadsschouwburg speelde hij een Mozartaria aanvankelijk “klassiek”, liet dat gaandeweg overlopen in een schitterende jazzy improvisatie (waar je Mozart’s melodie gewoon doorheen kon blijven horen) en daarna weer terug.
Jenny Arean staat altijd garant voor een doorleefde voordracht; ja, ik geloof dat dat haar sterkste kant is. Voorbeeld: in de voorstelling zingt zij het nummer “Schoenen” – eigenlijk een soort opsomming van de stadsplattegrond van de omgeving rond de negen straatjes in Amsterdam. Ik denk dat als ik het nummer zou hebben leren kennen door de bladmuziek te lezen, ik het niets zou hebben gevonden, maar met de manier waarop Jenny Arean het zong werd het een juweeltje.
Ik ga hier niet alle songs één voor één zitten recenseren. Heeft trouwens geen zin – er waren geen dieptepunten. Wel was er nog het geinige duet “Griekenland/Veluwe”, waarbij Louis van Dijk liet horen dat hij ook kan zingen. Hij deed dat zeker niet slecht, hoewel ik niet gelijk hoop dat hij zijn pianistencarriere er voor zal inruilen.
Twee grootheden waar ik ook voor beiden afzonderlijk wel het winterse weer (en het achteraf ietwat onnodige weeralarm) voor getrotseerd zou hebben nu samen voor de prijs van één; dat leverde een prachtige avond op.
West Side Story in Fortis Circustheater
Waren er maar meer goede componisten als Leonard Bernstein die zich niet te goed voelden om een musical te schrijven! Dan werden we niet zo overspoeld met al die ellende die we tegenwoordig dankzij Joop van der Ende te zien krijgen. De makers van de moderne musicals denken alleen op de lege huls van een decorontwerp een publiekstrekker te kunnen maken. Wat in feite ook zo is, want de zalen zitten bij al die voorstellingen tot de nok vol (al zijn daar vaak behoorlijk gulle weggeef-acties voor nodig) en die overproductie is er natuurlijk niet voor niets. Nu Shaffy dood is zal “Shaffy, de Musical” wel de volgende melkkoe zijn. Om het maar niet te hebben over de publieks – “op zoek naar Josef/Evita/Mary Poppins” – audities te hebben; wat een aanfluiting overigens voor Willem Nijholt!
West Side Story is anders. Het is dat er zoveel en zo spetterend in gedanst wordt, anders zou je het bijna een opera gaan noemen. Zondag 10 januari zag ik in het Fortis Circustheater een voorstelling in het kader van het 50 jarig jubileum van de Broadway-productie. Wegens enorm succes, heette het op de posters, was de voorstellingenreeks verlengd. Puur volksbedrog natuurlijk, want ik kocht mijn kaartje met korting en als ik even had gewacht had ik nog meer korting gekregen. De zaal was uiteindelijk iets meer dan halfvol – het grote publiek heeft liever een waterhoofd van Lloyd Webber dan een stuk waarin de inhoud belangrijker is dan de verpakking. Aangezien het verhaal gaat over twee jeugdbendes die elkaar het monopolie op een stukje straat bevechten – met dramatische afloop – was het stuk misschien nog wel ongekend actueel, gezien de gebeurtenissen in Culemborg. Iedereen kent natuurlijk wel “I Feel Pretty” en “America”, maar voor sommige songs moet je aanzienlijk meer moeite doen. Zelf vind ik het ongemakkelijk klinkende slotakkoord altijd weer een aangrijpende afsluiting.
trailer: via musical.blog.nl
Het sobere, maar effectieve decor bewijst dat een goed verhaal, goede muziek en – vooral – een goede uitvoering voldoende kunnen zijn. De dans was adembenemend; de zang zuiver en sterk, soms iets te “strak”, te weinig gevoel in de stem. Het duet tussen Maria en Anita (op het eind) helaas juist iets te veel. Het is ook nooit goed
Ik heb wellicht de film uit 1961 iets te vaak gezien, dan word je een beetje te kritisch. Dan vallen ook gelijk de verschillen op in tekst en volgorde van de songs. Het wikipedia-artikel over de film somt ze keurig op. Maar als film, als musical of gewoon alleen de muziek op een geluidsdrager: West Side Story verveelt nooit.
Dan Brown, de nieuwe Hubert Lampo
Een weekje had ik nodig om de 509 pagina’s van Dan Brown’s nieuwste boek, “The Lost Symbol” uit te lezen. Dat is wel iets langer dan de vijf dagen waarin ik mij in de meivakantie van 2004 door “The Da Vinci Code” heenvrat. Dat boek behandelde echter de graal en dat is een onderwerp waar ik door Hubert Lampo in geïnteresseerd ben geraakt. Over Lampo heb ik al eens geschreven, namelijk bij zijn overlijden in 2006. Lampo had, na een aantal echt sterke boeken een sjabloon gevonden waarop hij al zijn latere en steeds dikker wordende boeken modelleerde. Helaas kwam dat dikker worden de kwaliteit van die boeken niet ten goede en op het laatst (De Elfenkoningin, De verdwaalde carnavalsvierder) werden de verhalen ronduit onzinnig, maar zijn laatste boek, “De Geheime Academie” was eindelijk weer eens “een èchte Lampo”, zoals ik op 22 mei 1994 in mijn boekenschriftje noteerde. Aangezien dit boek geïnspireerd was op “The Holy Blood and the Holy Grail” van Michael Baigent e.a. ben ik een half jaartje later ook dit boek gaan lezen en ik herkende de thema’s dan ook onmiddelijk toen ik vijf jaar geleden Brown’s “Da Vinci-code” las. Er is nog even sprake geweest van plagiaat, daar heb ik op een ander weblog van mij over geschreven.
Brown’s boek had echter één nadeel, het thriller-genre spreekt mij niet zo aan. Het leest allemaal soepel weg, tussendoor pik je nog wat feitjes over de graal op (en daar was het me uiteindelijk om begonnen), maar vooral op het laatst werd ik er moe van dat steeds een ander personage de dader bleek te zijn.
Ik had dan ook geen behoefte om de andere boeken van Dan Brown te gaan lezen en was aanvankelijk ook niet van plan “The Lost Symbol” te gaan lezen.
Ik kwam ertoe door lezing van een boek over de vrijmetselarij in Leipzig: “Leipzig und die Freimaurer: Eine Kulturgeschichte van Otto W Förster”. Dit boek las ik in samenhang met mijn belangstelling voor de componist Albert Lortzing en, zo gaat dat bij mij, van het een kwam het ander.
Helaas, zoals met dat ook al eens was opgevallen bij de boeken van Nicci French en, ik moet het ook van mijn held zeggen, ook al bij de latere Hubert Lampo, heeft Dan Brown gewoon hetzelfde boek nog eens geschreven, maar dan met andere namen. Zoals “De Volkskrant” stelt in de recensie van Rolf Bos van 19 september 2009, Dan Brown heeft zichzelf geplagieerd.
Enfin, het is The Da Vinci Code goes to Washington. Brown, die in het verleden van plagiaat werd beschuldigd (hij won een aantal geruchtmakende processen), herhaalt nu zelf het kunstje dat hij zo succesvol tentoonspreidde in de besteller uit 2003. Want Mal’akh is Silas, Peter Solomon is de arme Jacques Saunière, die in het vorige boek naakt in een zaal van het Louvre lag, Katherine Solomon is natuurlijk Sophie Neveu en de vrijmetselarij is de Priorij van Sion.
Er valt wel wat over de “vrijmetselarij te leren in dit boek; de Orde van Vrijmetselaren was dan ook positief over het boek. Jeffrey Tyssens, een in de geschiedenis van de vrijmetselarij gespecialiseerd historicus, vindt echter juist dat Brown de plank volledig misslaat waar het de essentie van de vrijmetselarij betreft. Het zou kunnen.
Op pag.31 van de Engelse uitgave geeft Brown een definitie van de vrijmetselarij:
Masonry is a system of morality, veiled in allegory an illustrated by symbols.
Zoveel was mij uit het boek van Förster ook duidelijk geworden. Blijft over het verhaal.
***SPOILER ALERT***
Dat is in ieder geval zo geschreven dat ik er twee nachten wat uurtjes slaap voor heb ingeleverd. Tijdens het lezen voelde ik mij weer als in de goeie ouwe tijd als ik weer een nieuwe “Lampo” onder handen had. Symboliek, een queeste, een mentor en een sluimerende liefde – het zit er allemaal in.
Alleen voelde ik mij verraden op het eind, toen bleek dat Mal’akh eigenlijk dezelfde persoon was als Zachary Solomon, de zoon van Peter Solomon, terwijl eerder toch gesuggereerd was dat hij diens mede-gevangene was, die hij, nadat hij hem het geheim van de pyramide ontfutseld had, had vermoord. De desbetreffende pagina nog eens nagelezen – pag 222 – 223. Tja, uit niets blijkt “Inmate 37″ (de latere Mal’akh) en Zachary Solomon niet één en dezelfde persoon zou kunnen zijn, maar de bedoeling van de schrijver is toch wel heel duidelijk dat je een boek lang op het verkeerde been gezet blijft, tot de onthulling op pag 448 komt. Flauw, vind ik, want Brown speelt verder in het boek de rol van alwetende verteller. Maar dat soort spelletjes is kennelijk eigen aan het genre waarin Brown verder zo succesvol is – en waar ik nu net géén liefhebber van ben. Maar, zoals bij “The Da Vinci Code”, heb ik het Dan Brown vergeven: “The Lost Symbol” is een heerlijk boek, dat je een paar uren laat leven in een andere wereld.
Jeugdtheaterschool Rabarber speelt “Sjakie”
Tweede kerstdag was de première van “Sjakie en de Chocoladefabriek” door theaterschool Rabarber. Nu zijn we wat betreft dit leuke verhaal van Roald Dahl enigszins verwend door twee verfilmingen (1971 en 2005), dus het was erg spannend om te kijken wat daar in een theatervoorstelling van overblijft.
Het viel me zeker niet tegen, al zou je me ervan kunnen beschuldigen dat ik bevooroordeeld ben, omdat Roosmarijn erin meespeelt – als Oompa-Loompa. Maar de jeugdige spelers wisten uitstekend raad met hun verschillende rollen en, in het geval van de vertolker van Willie Wonka, flinke lappen tekst. De transformatie van Violet Beauderest in een bosbes was misschien het minst geslaagd, omdat dit gewoon te lang duurde, maar daar stonden talloze leuke vondsten van regisseur Wim Serlie tegenover, zoals de eekhoorntjes-scene.
Met elf voorstellingen tussen 26 en 31 december (twee per dag, behalve oudejaarsdag) en alles in een uitverkocht Spuitheater, heeft Rabarber een gouden greep gedaan met dit stuk.
Nothing Personal
Nothing Personal is het debuut van de Pools-Nederlandse regisseuse Urszula Antoniak en won vier prijzen op het filmfestival van Locarno. Daarna won de film ook nog eens vier gouden kalveren in de categorieën beste lange speelfilm, regie, sound design (Jan Schermer) en camera (Daniël Bouquet) op het Nederlands Film Festival.
De jury omschreef Nothing Personal als „een speelfilm die van begin tot eind wist te boeien en te ontroeren, en die een verpletterende indruk achterliet”. Regisseur Antoniak had spanning en humor perfect in balans gebracht; ze verstond „de kunst niet alles uit te willen leggen” en toonde het „artistieke lef zaken weg te laten”. (NRC 2 oktober 2009)
Ik ernaar toe, dus. En laat ik zeggen dat ik het iets teveel lof voor deze film vind. Ronduit prachtig vind ik de scene, bijna aan het slot, waar uiteindelijk de poster van gemaakt is. Die poster, ontwerp van Joost Hiensch & Susanne Keilhack / Shosho, is trouwens ook genomineerd voor de negende cinema.nl afficheprijs. Het decor is ook schitterend, de film is voor het grootste deel geschoten in Galway, Ierland. En het openingslied uit Schubert’s “Winterreise” speelt als een leidmotief door de film heen – dan moet je wel van beton zijn om niet geraakt te worden. Maar verder vind ik het toch allemaal wat gezocht.
Anne (Lotte Verbeek) is door haar stukgelopen huwelijk ernstig beschadigd geraakt en besluit in Ierland rond te gaan zwerven om haar verleden achter zich te laten. Naar mijn idee duurt die inleiding veel te lang; na haar te zien tobben met liften, eten uit een afvalbak en een tentje op en af breken in de permanent aanhoudende regen, stuit ze bij toeval op het huisje van de weduwnaar Martin (Stephen Rea), die het leven van een kluizenaar lijkt te leiden. Hij biedt haar eten en onderdak aan in ruil voor werken in de tuin. Anne’s voorwaarde: geen persoonlijke vragen.
Zoals te verwachten zie je ze langzaamaan naar elkaar toegroeien, tot er een soort verstandshuwelijk ontstaat. Er komt een moment dat Anne niet meer buiten eet, maar bij Martin aan tafel, ze gaat zelfs voor hem koken en hij geeft haar een walkman – zo’n ding uit de prehistorische tijd waar je cassettebandjes in kunt afspelen – met operamuziek. Ze maken ook grapjes tegen elkaar, maar “het” komt er niet van; “talent weet wanneer het moet ophouden”, zoals Antoniak Martin laat zeggen. Nou ja, dat is natuurlijk een keuze die de grens trekt tussen Feelgood en Arthouse en des te mooier is dan ook de scene die ik eerder al noemde – de scene na Martin’s dood als Anne naakt tegen zijn in een laken gewikkelde dode lichaam aan kruipt. Maar het hele gegeven is verder nogal ongeloofwaardig – wat zal Martin bewogen hebben sympathie op te vatten voor de aanvankelijk tamelijk hysterische Anne? Wat het verhaal is dat Antoniak heeft willen vertellen is me niet duidelijk geworden, maar daar hebben we het dan maar verder niet over. Een mooi plaatje heeft het in ieder geval opgeleverd.
Wereldband met “Kopmannen”
Vrijdagavond in Theater Warenar in Wassenaar naar de Try-Out van “Kopmannen” geweest, door de Wereldband. Ik hoorde pas voor het eerst van de band op de Parade, afgelopen zomer (30 juni 2009), toen ik ze op het veld het volgende kunstje zag vertonen:
Ieder speelt een instrument dat door een ander wordt vastgehouden, maar wat hij door een of ander handicap zelf niet kan spelen; de lamme helpt de blinde. Wat een stel malloten, dacht ik en kocht een kaartje voor de voorstelling. Zelden zo gelachen. Dus gelijk de speellijst opgezocht voor dit seizoen.
Non-stop humor door zes multi-instrumentalisten die al die instrumenten ook nog eens bekwaam bespelen en ludiek weten om te gaan met zaken waarvan je als musicus nooit gedacht had dat ze ook nog konden, zoals een Slagerij van Kampenachtige compositie voor slagwerk spelen op de onderkant van een ziekenhuisbed. Of een renaissance-chanson op uiterst komische wijze (maar desalniettemin loepzuiver) gezongen – wie zei dat oude muziek saai was? Een Topband, een Wereldband. Weten we gelijk waar de naam vandaan komt.
Partir
Aan het begin van de film zie je Suzanne uit bed stappen; ze loopt haar huis in, maar je ziet niet waar naar toe. Dan klinkt een schot. Zelfmoord?
De rest van de film wordt ernaar toe gewerkt om uit te leggen hoe het zo gekomen is – en of ze inderdaad zichzelf van het leven heeft beroofd – het antwoord is nee.
Maar daar is wel een tamelijk ongeloofwaardig scenario voor nodig en dat is toch wel jammer, want een film over het er vandoor gaan met een ander is toch voor velen uit het leven gegrepen. Helaas – er is teveel naar een dramatisch einde gewerkt en effectfilms zijn er al genoeg.
Julie & Julia
Een halve eeuw nadat Julia Child “Mastering the Art of French Cooking (1961)”, een culinair standaardwerk, heeft geschreven, besluit dertiger Julie Powell om alle recepten van Child in een jaar tijd te koken en te becommentariëren op haar blog.
Er zijn verschillende redenen te bedenken waarom je deze film moet zien. Mijn vrouw wilde hem graag zien omdat ze een fan is van Meryl Streep. Ik wilde de film graag zien omdat ik een fan ben van bloggen. Samen houden we van lekker eten en dat maakte dat we er alle twee wel naar toe wilden.
Regisseur Nora Ephron maakte eerder al “You’ve “Got Mail” (1998) en dat was een film over een relatie die ontstond per e-mail, in ieder geval in Nederland in die tijd iets waar nog niet iedereen aan was. Bloggen is anno 2009 wellicht niet echt nieuw meer, maar ik vind het opvallend dat Ephron eigenlijk weer een “nieuwe media”-film gemaakt heeft. Het is gewoon een gezellige, pretentieloze film met een lach, een traan en een happy end.
Meryl Streep is erg goed volgens de recensies en ik schrijf het hier graag over. De anderen komen er volgens diezelfde recensies minder goed vanaf, wat vooral aan het script zou moeten liggen. Dat schrijf ik hier niet over. Streep trok uiteraard nogal de aandacht met haar bijna karikaturale rol. Daar verbleken andere karakters wellicht bij, maar dat maakt ze nog niet minder belangrijk. Dat kan eigenlijk ook gezegd worden van de mannen, die op de achtergrond hun naar een doel zoekende vrouwen liefdevol blijven bijstaan – een korte crisis daargelaten.
Julie & Julia is een prettige voel-goedfilm, zonder diepere betekenis of boodschap, maar die je toch vol goede voornemens naar huis stuurt. Al is het maar het voornemen om weer te gaan bloggen.
Elton John in Ahoy
Elton John is zo’n zanger waar ik weliswaar geen “fan” van ben, maar waar ik de muziek graag en vaak van beluister. Ik maakte kennis met zijn muziek via de beruchte “Alle 13 Goed” serie, waar “Your Song” en de “Border Song” op stonden. Heerlijke songs, die ik vaak als losse track beluisterde (ipv de hele kant verzamelbagger af te luisteren). Mijn waardering groeide toen ik als dirigent/pianist met een koor “Candle in the Wind” uitvoerde, in de versie die we bij de uitvaartdienst voor lady Diana konden beluisteren. Een op het oog en oor technisch eenvoudige piano-partij, die echter net die “touch” vraagt die Elton John als vanzelfsprekend heeft – daar kom je pas achter als je het zelf probeert te spelen. Respect voor die man!
Elton John’s “Red Piano” concert kreeg ik dit jaar als verjaardagscadeau van mijn vrouw. Het verhaal achter de Red Piano is flinterdun: “de tour heet ‘red piano’ omdat het over liefde gaat ennuh…omdat de piano rood is” expliceert Elton John ergens in het concert. Ook de toelichtingen bij sommige songs sloegen nergens op, om van de soft-erotische video-clips op de achtergrond nog maar te zwijgen. Het decor, met opblaasbare bananen bij het nummer “I’m Still Standing”, gaf een hilariteit die niet op zijn plaats was.
Gelukkig heeft hij meer verstand van muziek.
Hij zong hoofdzakelijk zijn oude hits en dat deed hij goed. De stem is wat minder hoog geworden, maar dat liet hij slim hier en daar overnemen door de leden van zijn band – op de keyboardspeler na, allemaal oude Rockers met afgeleefde koppen. Maar dat deed niets af aan het bruisende karakter van de muziek. Elton’s pianospel is gewoon solide en bij nummers als “Nikita”, waar hij min of meer alleen speelde (terwijl het origineel een vollere bandbezetting heeft) weet hij in zijn eentje de hele begeleiding in te vullen. Ook schitterend pianospel bij zijn, wat mij betreft “ex aequo”, mooiste song, “Sorry Seems to be the Hardest Word” – damn, zat zó geconcentreerd te luisteren dat ik wéér de cam te laat heb aangezet.
En natuurlijk: “Your Song” als laatste. Ooit heb ik hem dat op TV live zien afraffelen – begrijpelijk, hoe vaak zal hij dat gezongen hebben, want van zo’n hit kom je nooit meer af. Nu deed hij dat met een concentratie alsof hij het net gisteren gecomponeerd had:
Je zou eigenlijk hopen dat hij dat in een kleiner zaaltje met een intiemere sfeer zou doen. Elton unplugged – dat zou wel eens hoge kunst kunnen zijn.
Alfred Jodocus Kwak
Zondag 4 oktober bij het Residentie-orkest: Herman van Veen’s Alfred Jodocus Kwak. De eerste uitvoering dateert uit 1978, met Herman van Veen. Van Veen zat dit keer in de zaal en zag zijn fabel over de eend die het opnam voor de Zonderwaterlanders en zelfs durfde opstaan tegen de koning dit keer verteld door Max Douw, mmv Gaëtane Bouchez, Boy Ooteman en het Groot Waterlands Symfonieorkest olv Josep Vicent.
De zaal zat vol kinderen, die maar al te zeer bereid waren het “Kwek, kwek, kwek, we zijn wel goed maar we zijn niet gek” voluit mee te zingen. Maar ook voor mij, als oudere jongere, was er genoeg te genieten. Er waren kleine wijzigingen aangebracht, ook hier en daar geactualiseerd, en het Residentieorkest speelde fraai. Echt moeilijk zullen ze het met de noten niet gehad hebben, maar ze moesten wel vanachter uit de zaal – uit het hoofd spelend nog wel – opkomen, en dat zijn toch zaken die je van een klassiek symfonieorkest niet verwacht. Ontzettend goed dus dat het orkest zich ook voor een dergelijk project wil inzetten – daarmee leg je ongetwijfeld een basis om kinderen later de concertzaal in te lokken, of minstens de afstand tussen kunst en popcultuur te verkleinen.
Foto’s en Kwaklog.
Filmpje op YouTube.



