Objectivisme

Syndicate content
Gedachten over Vrijheid.
Updated: 3 days 9 hours ago

Orwell – de profeet.

Mon, 09/15/2014 - 14:15

Bij de huidige discussie over de kosten in de gezondheidszorg komt mij steeds vaker een beeld voor ogen uit de tekenfilmversie van George Orwell’s “Animal Farm”, die ik als jongen van ongeveer tien jaar oud, nu 46 jaar geleden, op school zag.
Iedereen die “Animal Farm” een beetje kent, denkt natuurlijk aan het snedige citaat “All animals are equal, but some animals are more equal than others”, wat ik in die tijd al zeer komisch vond, maar op mij maakte vooral de scene waarin het hardwerkende paard, dat voor de opbouw van de boerderij zo’n belangrijke rol had gespeeld, als zijn krachten zijn afgenomen uiteindelijk wordt afgevoerd, indruk.
Zijn vrienden kijken hem met bange voorgevoelens na, de leiders van de boerderij – de varkens – hebben geen genade: het paard, nutteloos en dus te duur geworden, zal moeten sterven.

Ik vind het eigenlijk opvallend dat dit beeld voor zover ik weet nog niet eerder is gebruikt in deze discussie.

Zoals iedereen wel weet hebben Orwell’s boeken “1984” en “Animal Farm” een diepere politieke betekenis en zijn, in ieder geval bij “Animal Farm”, vooral gericht tegen het communisme. In “Animal Farm” – bij mij op de basisschool indertijd met vooruitziende blik aangekondigd als “een leuke film over een boerderij waarin de dieren zélf de leiding hebben” – staan dieren voor mensen.

Nu u uit dit stukje bovenin mijn leeftijd, op zijn minst bij benadering, heeft weten te raden, weet u ook dat ik nog uit de tijd kom waarin een mensenleven heilig was en “niet in geld uit te drukken”, zoals mijn moeder me ooit geleerd heeft.
Ik ben het vaak met mijn moeder oneens geweest, maar hier had ze een punt.

Inmiddels weten we sinds een week of twee dat de politiek momenteel probeert een mensenleven tot een waarde van ongeveer € 80.000 per jaar te devalueren. Had ik de bron maar genoteerd, maar het stond ergens in de Volkskrant, van origine een katholieke en enigszins linkse krant. Ik heb er mijn schouders over opgehaald, ik ben immers momenteel niet ziek en nog lang geen tachtig.

Vandaag staat er echter een ingezonden brief in, geschreven door “gezondheidseconoom” (Wat doet je vader ook alweer? -Gezondheidseconoom! -Oh.) Rob Baltussen, waardoor ik mij opgeroepen voelde niet langer aan de kant te blijven staan:
Een maatschappelijk debat over de grenzen in de zorg moet inzicht bieden in de vraag of een jonge moeder van drie kinderen en een 86-jarige patient evenveel recht hebben op de schaarse middelen in de zorg.

Lekker tendentieus, vooral die drie kinderen zullen het goed doen in de opinievorming.
Nou, hier mijn mening, met als opmerking vooraf dat, ondanks Orwell, geen twee 86-jarige patienten aan elkaar gelijk zijn.

Om te beginnen is de 86-jarige patient van de generatie die Nederland na de tweede wereldoorlog heeft helpen wederopbouwen. Dat vergeten we weleens in onze huidige maatschappij, waarin het weliswaar al dertig jaar lang crisis is, maar we het toch nog altijd heel goed hebben. Dat is weleens anders geweest, in die goede oude tijd waarin overigens geluk “heel gewoon” was.
Niet alleen dat; hij/zij (hierna te noemen: zij) heeft ook inmiddels zo’n zestig jaar lang belasting en premies betaald, met de belofte (al was er uiteraard geen keus) dat wij een sociale samenleving zijn waarin wij voor elkaar zorgen. Als dat nu ineens onbetaalbaar blijkt te zijn kunnen daar verschillende redenen voor worden bedacht, zoals de te hoge kosten van de farmaceutische industrie of de exorbitante salarissen van artsen, of het feit dat wij met zijn allen nu eenmaal steeds ouder worden, maar de achterliggende oorzaak is natuurlijk dat socialisme niet werkt.

Ik ben dan ook geen socialist, maar dat doet er niet echt toe voor mijn argumentatie: ik heb het hier over rechtvaardigheid. In dat geval zou ik persoonlijk stellen dat de 86-jarige meer recht heeft op de schaarse middelen; zij heeft immers door haar aandeel in de wederopbouw van Nederland wel wat krediet opgebouwd en vooral langer (en dus meer) belasting/premies betaald dan de moeder van drie kinderen.

Okay, ik begrijp dat iedereen dit een absurde redenering zou vinden. Wij leven in een maatschappij waarvan de leiders de pretentie hebben sociaal te zijn en waarin je voorgehouden wordt dat wij – zeg zestien miljoen Nederlanders – met zijn allen voor elkaar zorgen. Ik heb daar altijd wat bedenkingen tegen gehad, maar socialisten geloven dat dankzij de overheid, die hierin een coördinerende rol zegt te spelen, dit allemaal prima voor elkaar komt. Je betaalt tenslotte belasting en premies, waarover je – ik merk het terloops op – niet of nauwelijks kunt onderhandelen. Maar je kunt rustig slapen, want je weet – of inmiddels: dacht te weten – dat de overheid zorgt dat van mijn en ieders belastinggeld en premies per persoon 1/16-miljoenste deel zowel naar de moeder met drie kinderen als naar de 86-jarige patient gaat om bij te springen. Niemand beschuldigt mij zomaar van egoïsme, of misschien toch, want de achterliggende prikkel voor dit altruïstische gedrag is natuurlijk de verwachting dat als ík in de problemen kom iedere andere Nederlander voor 1/16-miljoenste deel bijdraagt aan míjn levensonderhoud en ziektekosten.

Ik zeg nogmaals dat het niet mijn ideale systeem is van een maatschappij runnen, maar aangezien we dit systeem hebben en je verplicht bent mee te doen, moet de politiek, als dat geld eenmaal over de toonbank is, die verzorging ook op zich nemen en natuurlijk niet halverwege de rit de spelregels veranderen omdat ze de wedstrijd anders niet kunnen winnen. Zoals inmiddels met pensioenen gebeurd is, maar dat laten we in dit stukje maar even buiten beschouwing.

De libertarische maatschappij die ik voorsta – en waarin ieder zijn eigen broek ophoudt – is natuurlijk geen utopie. Er zullen zeker mensen buiten de boot vallen. Maar het is tenminste een rechtvaardige maatschappij, waarin je oogst wat je gezaaid hebt, terwijl in de suggestie van onze gezondheidseconoom en zijn kornuiten een ánder mag oogsten wat jij gezaaid hebt. In mijn ideale maatschappij heeft de jonge moeder van drie kinderen, net als de 86-jarige patient, een eigen ziektekostenverzekering op maat afgesloten die volgens het kapitalistische concurrentiemodel zich gaat houden aan het indertijd afgesloten contract en dus zijn best gaat doen de best mogelijke zorg voor haar te regelen. Of ze heeft in haar gezonde jaren een spaarpotje aangelegd, waarmee ze de kosten kan dekken.
Als dat niet voldoende is, is het het goed recht van gezondheidseconoom Baltussen uit eigen zak bij te springen, omdat hij zo’n medelijden heeft met de drie kinderen.
De inmiddels 86-jarige patient heeft in haar gezonde jaren een besluit genomen over wat haar leven haar met het klimmen der jaren nog waard is: € 80.000 per jaar of € 2.000.000 per jaar, ik noem maar een bedrag, en een daarbij passende verzekering afgesloten. En als dat niet voldoende is, dan heeft ze pech, want Baltussen gaat voor deze patient zeer waarschijnlijk niet bijspringen; hij steunt de moeder met drie kinderen al.
En – voor het geval u denkt dat ik daar een oordeel over heb – dat is in een libertarische maatschappij zijn recht. Baltussen heeft echter niet het recht van mij of van wie dan ook te eisen dat ik die moeder, of wie dan ook, ga helpen.

Maar, even terug naar de realiteit, we leven niet in een libertarische maatschappij, maar in een verzorgingsmaatschappij. Nu een maatschappelijk debat willen voeren over het graaien uit het sociale spaarpotje van een 86-jarige, vind ik gewoon een poging tot het rechtvaardigen van diefstal; en een debat waarin willekeurig wie – een politicus, een arts, een gezondheidseconoom – in Nederland voor een ander de waarde van zijn leven mag bepalen vind ik op zijn minst onchristelijk – dat zeg ik als niet-christen! – en onethisch.

In “Animal Farm” richtte Orwell zijn pijlen vooral tegen het Rusland van Stalin. Stalin en zijn kliek waren de “pigs” – de varkens – in het verhaal, maar inmiddels gaat het wat mij betreft over onze eigen politici in het algemeen en onze moralisten in het bijzonder – vooral als deze vermomd als “gezondheidseconoom” (een vergelijking met Orwell’s “newspeak” dringt zich op) menen ons collectief gespaarde verzekeringsgeld te moeten herverdelen.
Het Engelse “pigs” kun je volgens mij in dit verband beter met “zwijnen” vertalen.

Socialisme in Nederland: “links denken en rechts vangen”, een uitspraak van Paul van Vliet.
Profetisch, net als Animal Farm.

Toneelgroep Amsterdam speelt “The Fountainhead”

Mon, 06/23/2014 - 12:34

Ik heb lang uitgekeken naar de aangekondigde voorstelling van “The Fountainhead” door Toneelgroep Amsterdam. Zaterdag 21 juni kon ik ernaar toe, in de Amsterdamse stadsschouwburg, waar de Rabozaal helemaal vol zat en dat vond ik voor dit stuk toch wel bijzonder. Voor de voorstelling om mij heen kijkend naar al dat publiek vroeg ik mij af: hebben die allemaal Ayn Rand gelezen? Weten zij wat “The Fountainhead” voor een boek is? Ik weet natuurlijk dat ik niet de enige objectivist in Nederland ben, maar dit was niet de eerste voorstelling uit de reeks en ik was nog maar net op tijd om de laatste kaartjes te bemachtigen. Weten al die mensen wat hun te wachten staat?
Ik moet zeggen: na de pauze waren er al de nodige toeschouwers naar huis gegaan en tijdens het tweede deel liepen er nog wat mensen tijdens de voorstelling weg voor wie het kennelijk allemaal te veel werd.

Ayn Rand publiceerde “The Fountainhead” in 1943 en gaf daarmee in romanvorm haar ideeën weer van het individu als schepper van, en verantwoordelijk voor, zijn eigen geluk. Zoals ik op deze website al eerder summier heb betoogd vind ik “The Fountainhead” Rand’s beste boek, veel beter dan “Atlas Shrugged”, maar dat hoef je natuurlijk niet met me eens te zijn. Er is heel wat over Ayn Rand en haar boeken op het web te vinden, dus dat laat ik hier zitten; voor de oningewijde lezer verwijs ik naar deze samenvatting van “The Fountainhead”.

Het was kennelijk – volgens de Volkskrantrecensie van Hein Janssen van 17 juni – een lang gekoesterde wens van Van Hove The Fountainhead tot een toneelstuk te bewerken (het boek werd in 1949 al verfilmd), maar dat is een gewaagde onderneming. Rand’s romans (ik neem voor het gemak hier even “The Fountainhead” en “Atlas Shrugged” onder één noemer en laat haar andere werk voor wat het is) zijn weliswaar hoog gewaardeerd door haar vaste aanhang, maar zijn eigenlijk toch vooral bedoeld om haar filosofie in verhaalvorm weer te geven. Daarmee zijn ze wat mij betreft het best te classificeren als “agitprop“, ook al is dat woord interessant genoeg verbonden met communistische propaganda, heel duidelijk níet Rand’s kopje thee. Puur literair gezien zijn er wel betere boeken te noemen, maar Rand lees je in de eerste plaats om wat ze te zeggen heeft en dat is, volgens mij, heel wat.

In het begin van bovengenoemde Volkskrant-recensie lezen we de volgende ietwat merkwaardig lopende zin:

Een waagstuk uiteraard omdat deze ideeënroman van ruim 700 pagina’s allerlei kanten uitwaaiert en thema’s behandelt.

De zin eindigt zo in de lucht, dat ik vermoed dat in ieder geval bij Janssen op het moment dat hij dit schreef de gedachten allerlei kanten uitwaaierden. Dat er thema’s behandeld worden lijkt mij op zich voor een ideeënroman niet zo vreemd. Maar dat Janssen hier het meervoud gebruikt doet vermoeden dat hij het boek van Rand niet gelezen heeft: Rand heeft namelijk maar één thema: de scheppende mens tegenover de parasiet, de “tweedehandsmens”. (Rand wilde het boek aanvankelijk “Second Hand Lives” noemen, maar haar uitgever wees haar erop dat dat het accent verlegd zou hebben naar de karakters in het boek waar Rand nu juist stelling tegen wilde nemen).
Aangezien er maar één thema is en ook Rand’s karakters bijna karikaturaal zijn in hun uitvergroting van volgens Rand gewenste en ongewenste eigenschappen (ik schreef al dat het puur literair gezien ook weer niet zó’n geweldig goed boek is), is “The Fountainhead” als toneelstuk helaas niet erg boeiend. Het monothematische van The Fountainhead maakt dat alles, maar dan ook echt álles wat gezegd wordt steeds weer een herhaling is van de mantra’s van Rand; in het boek vond ik dat indertijd (het is zeker vijftien jaar geleden dat ik het gelezen heb) het meest irritant bij de dialogen tussen Howard Roark en Gail Wynand. In de toneelbewerking van Koen Tachelet was het op die plaatsen aardig – hoewel niet helemaal – weggewerkt, maar het kwam natuurlijk op genoeg andere plaatsen nog onverminderd boven. Zoals bij Ellsworth Toohey, als hij, nog één keer met een aanhaling van Hein Janssen’s recensie in de Volkskrant,”omstandig zijn zegje doet”.

De website van het Holland Festival juicht “Sterrencast speelt Ayn Rands tijdloze bestseller”. En, kijkend naar de namen, het ís ook een ster-bezetting. Maar waren zij in staat van Rand’s ééndimensionale karakters mensen van vlees en bloed te maken? Gesteld dat dat de bedoeling is, natuurlijk. Het Parool kopt: “Ivo van Hove maakt van Ayn Rands ideeële figuren echte mensen”, NRC gaat nog een stapje verder: “Van Hove maakt heilige menselijk”. Dat “heilige” slaat, neem ik aan, op Howard Roark, Rand’s Messias. Dat is natuurlijk lovend, maar het is helaas niet wat ik zag.
Acteur Ramsey Nasr zet Roark neer als wat we tegenwoordig een autist zouden noemen. Gepassioneerd voor de architectuur, jawel, maar dan ook alleen dat. Wel zien we hem vrij laat in de voorstelling met Gail Wynand een biertje drinken.
Halina Reijn – in het algemeen niet mijn favoriete actrice, maar in dit stuk om haar uiterlijk waarschijnlijk de juiste keus – speelt haar rol van Dominique Francon als een neurotisch typje, en haar getuigenis in het proces om de Stoddard Temple doet ze met die irritante “maniertjes” die je steeds vaker bij jonge actrices ziet en die – denk ik – voortkomen uit de GTST-school. Interpretatie van Van Hove neem ik aan; ik had mij Dominique uit het boek voorgesteld als een sterke vrouw, zoals ze later in de voorstelling ook naar voren komt. Daarmee is ze dan wel weer het enige karakter dat zich tijdens de voorstelling ontwikkelt.
Verwarrend, zeker in het begin, vond ik dat Hugo Koolschijn zowel Guy Francon als Henry Cameron speelde; stond hij links op het toneel bij Peter Keating dan was hij Francon, stond hij rechts bij Roark dan was hij Cameron. Ik ken het boek vrij goed; maar zal de Ayn Rand novice dit allemaal zo snel door hebben gehad? Interpretatie van Van Hove? Het moet wel, want ik neem aan dat dit geen bezuiniging is geweest.
Robert de Hoog vond ik als Steven Mallory ietwat gechargeerd overkomen en ook Tamar van den Dop als Catherine Halsey was net iets té veel het simpele gansje – niet erg geloofwaardig. Zeer goed vond ik echter Hans Kesting/Gail Wynand: het prototype van de geslaagde (en ietwat gestresste) zakenman.

De voorstelling is multimediaal vormgegeven en dat is het sterke punt, misschien zelfs wel de redding van deze voorstelling. Je moet echt je aandacht erbij houden! Op een gigantisch speelveld worden de scenes soms simultaan gespeeld, met muziek die live wordt uitgevoerd en projecties die onder andere laten zien wat Roark als architect allemaal ontwerpt. Dat Ayn Rand zich bij haar creatie van Howard Roark heeft laten inspireren door de architect Frank Lloyd Wright is hier goed te zien; zo zie je min of meer voor je ogen het huis Fallingwater ontstaan. De muziek zal wel niet helemaal naar Rand’s smaak zijn geweest. De drukpers op het eind is bijzonder – waar vind je die nog – en de enorme hoeveelheid bandrecorders die ik steeds zag meelopen als Gail Wynand sprak. Ik denk nog even na over de betekenis hiervan, maar ik heb al heel lang geen echte bandrecorder meer gezien!
Echt bijzonder – zonder ironie – was de vernietiging van Cortlandt Homes: adembenemend uitgebeeld. Een knap staaltje theatertechniek.
Ik was voor de voorstelling ook erg benieuwd naar hoe het begin zou worden uitgebeeld:

HOWARD ROARK LAUGHED. He stood naked at the edge of a cliff. The lake lay far below him. A frozen explosion of granite burst in flight to the sky over motionless water. The water seemed immovable, the stone flowing. The stone had the stillness of one brief moment in battle when thrust meets thrust and the currents are held in a pause more dynamic than motion. The stone glowed, wet with sunrays

De scene gaat nog even door, en eindigt acht alinea’s verder met een duik van Roark in het meer.
Hoe gaan ze dat vormgeven, dacht ik. Het naakt zal wel geen probleem zijn, maar die rots en het meer?
De oplossing was eenvoudig en doeltreffend: Nasr komt op, gaat zitten aan zijn bureau voor op het podium en begint de eerste alinea’s voor te lezen uit de Nederlandse vertaling. Voor het geval je denkt dat dit saai is: dat is het niet, want al tijdens het lezen gaat er verderop op het toneel van alles draaien, zodat in hoog tempo de eerste honderd bladzijden afgewerkt worden. Dat schiet lekker op, want er is nog een lange avond te gaan.
Dan zijn er de seksscènes. Er is altijd veel te doen geweest om de seks in de boeken van Ayn Rand en vooral om de beruchte “rape by engraved invitation”-scene, de enige scène die volgens mij essentieel is voor het verhaal – wat je er ook verder van vindt. Al deze scenes werden expliciet, maar wat mij betreft niet aanstootgevend in beeld gebracht; het hadden er alleen wat minder mogen zijn.

Wat ik heel erg in de voorstelling gemist heb is humor.
Rand had helaas geen humor; het zit in geen van haar boeken, het zit niet in dit boek en het zit dan ook niet in deze voorstelling, of het moet de

***spoiler alert***

act zijn geweest rond het te vroeg oplichtende “Pauze”-bord.
Waarvan ik serieus dacht dat het echt fout ging in de voorstelling.
tot het

***nog een spoiler alert***

aan het eind nog eens gebruikt werd, om “Roark’s Speech” in te leiden.

Een hele goeie grap, helemaal mijn gevoel voor humor of op zijn minst voor ritme in de kunst.
Eén grap op vier uur mooi, maar bloedserieus theater.

Yernaz Ramautarsing, Nederlands meest spraakmakende objectivist van dit moment, schrijft op zijn Facebookpagina naar aanleiding van de recensie in Het Parool:

Ik zou nog willen toevoegen dat een seksscene of twee minder en iets meer ruimte voor filosofie de uitvoering nog beter had gemaakt

Dat ben ik dus met hem eens waar het de seksscènes betreft; maar nóg meer ruimte voor filosofie? Deze voorstelling moet je – InMyHonestOpinion – zien als een lezing over de filosofie van Ayn Rand – “The Virtue of Selfishness”. Een bijzonder fraai vormgegeven lezing, dat wel. Ik kan wel wat hebben op dat gebied en ik “ken mijn Ayn Rand”. Ik heb de hele voorstelling op het puntje van mijn stoel gezeten, kijkend naar wat er vertoond en luisterend naar wat er gezegd werd, verheugd dat ik na vijftien jaar nog eens in sneltreinvaart door dat boek mocht gaan – er is nog zoveel meer te lezen dan Ayn Rand – en ik wist bijna alles nog, soms zelfs woordelijk.
Maar dat geldt voor míj.
De onvoorbereide theaterbezoeker, die denkt een avondje uit te gaan naar “het toneel” en voor wie deze voorstelling de eerste kennismaking met de ideeën van Ayn Rand is, heeft een zware avond voor de boeg.