Author Archives: George Overmeire

Dirty Dancing – the Musical

Meer is niet altijd beter. Dat geldt zeker voor de musical in Nederland. Musicals zijn zo populair en er valt voor de producenten zoveel geld te verdienen dat het onmogelijk is voldoende nieuwe originele musicals te schrijven. Dus worden er boeken en films tot musical omgebouwd, met wisselend succes.

Terwijl “Les Miserables” – wat mij betreft de oorzaak van de musicalgekte in Nederland – opnieuw op het repertoire is genomen is nu “Dirty Dancing” – de bekende film uit 1987 – omgebouwd tot musical door Eleanor Bergstein, die ook het originele filmverhaal schreef, gebaseerd op haar eigen vakanties met haar ouders in een natuurpark in de zomer van 1963. Als musical vond de premiere plaats in Sydney op 18 november 2004, en nu heeft Joop van den Ende Theaterproducties het stuk in het Utrechtse Beatrix Theater.

De musicalbewerking is geschreven door Eleanor Bergstein en is een vorm van muziektheater die het Nederlandse publiek nog niet eerder heeft gezien. Het is een overweldigende muziek- en dansshow door de hele reeks opwindende dansscènes en ruim 50 hits uit de jaren ’60 en ’80. De toeschouwer waant zich hierbij de Kellerman’s Vakantieclub. Van: Dansinfo.net.

Er wordt absoluut goed in gedanst, maar als het om een dansmusical gaat geef ik toch de voorkeur aan “Chorus Line”, waarin de dansen veel spannender zijn, want dat miste ik toch wel bij “Dirty Dancing”, ook in de film overigens – echt “dirty” wordt het nergens. Bovendien heeft “Chorus Line” in ieder geval nog een groot aantal originele en vooral “pakkende” songs. De grote hits uit de film Dirty Dancing, “I’ve had the time of my life”, “Hungry eyes” en “Love is strange” zijn in de musical te horen, maar “She’s Like The Wind” is slechts in een instrumentale reminiscentie even aanwezig. Verder moeten we het vooral doen met hits uit de jaren ’60 en ’80. Goed uitgevoerd, evenals het dansen en, vooral, de techniek die verbijsterend is. Het podium verandert voortdurend van functie, decors en requisieten komen uit de grond omhoog en verdwijnen om zo trouw mogelijk het effect van verschillende shots en locaties in de film na te volgen. Dat daarbij het verhaal, voor zover je daarvan mag spreken, in een akelig hoog tempo erdoorheen gejakkerd wordt moeten we maar voor lief nemen. Ondanks al dit theatrale vuurwerk verlang iknog wel eens terug naar de goeie ouwe tijd, toen een musical nog een toneelstuk was met hier en daar wat catchy songs, uitgevoerd door goede acteurs die konden zingen, in plaats van door dansers, die soms kunnen zingen, maar zelden kunnen acteren.
Zo vraag ik mij af voor wie in het publiek de scene waarin de ober Robbie (die Penny zwanger heeft gemaakt) het boek “The Fountainhead” aan Baby/Frances geeft betekenis heeft. In de film was deze scene voor niet-Amerikanen al nauwelijks te begrijpen, in de musical had dit er beter uit gelaten kunnen worden om ruimte te scheppen andere zaken beter uit te diepen. Vooral in het tweede bedrijf werd er weer veel te lang doorgezaagd over de truttigheid van de gasten van Kellerman – hier had het stuk ongetwijfeld aan spanning kunnen winnen door effectief met het rode potlood om te gaan.

Uiteindelijk is het hele stuk eigenlijk gewoon één grote opmaat is tot de laatste scene: het lied “I’ve Had The Time of my Life”. Goed gezongen en gedanst door Martin van Bentem (Johnny Castle), Jette Carolijn van den Berg (Baby Houseman), hoewel het natuurlijk een inkoppertje was: het publiek begon al te klappen toen de eerste tonen klonken. De rest van de cast van 39 mensen, bestond onder andere uit Chris Tates (Jake Houseman) en Anouk van Nes (Marjorie Houseman).

Lars and the Real Girl

Een van de leukste en beste films die ik de laatste tijd gezien heb.

Tussen de films die een Oscarnominatie kregen voor Beste Script was Lars and the Real Girl een buitenbeentje. Want dit is op het eerste gezicht geen film over diepgaande zaken of grote gebeurtenissen, maar een komedie over een simpele ziel die een sekspop bestelt. Dat klinkt toch eerder als een platte Adam Sandler-komedie. (op: nu.nl)

Via het internet komt de eigenaardige Lars in contact met Bianca. Lars nodigt haar uit om zijn familie te ontmoeten. Hij blijkt echter een levensgrote pop mee naar huis te hebben genomen. Zijn familie is geschokt, en als blijkt dat Lars haar als een echt persoon ziet wordt een hulpverlener opgezocht. Op diens advies gaat de familie mee in zijn fantasie. Op miraculeuze wijze weet Bianca ook hun hart langzaamaan te veroveren. (synopsis van filmfocus)

Er valt heel wat te lachen in deze film – ik heb het publiek in het Haagse Filmhuis nog nooit zo uitbundig meegemaakt. Maar de film is volgens mij allesbehalve een oppervlakkige comedie, al kun je hem heel goed zo bekijken. Niet voor niets is het scenario voor de film geschreven door Nancy Oliver, een van de scenarioschrijfsters van de televisieserie “Six Feet Under”. Regisseur Craig Gillespie en acteur Ryan Gosling worden in de verschillende recensies (o.a. in de NRC) aangewezen als de verantwoordelijken voor het slagen van de film. Ik ga daar graag in mee, maar zou het niet kunnen dat de film gewoon veel meer in huis heeft dan het aan de oppervlakte lijkt?

Wat mij betreft lijkt de film daarin op de “Truman Show”. Je kunt de film bekijken op het niveau van een comedie, een ongebruikelijk gegeven is aanleiding voor een aantal hilarische situaties. Bij de Truman Show is dat het gegeven dat de hoofdpersoon zonder het zelf te weten in een reality soap zit en 24/7 op televisie te zien is, bij “Lars” is dat het simpele feit dat een wereldvreemd persoon een sexpop als vriendin heeft.

Er is echter een diepere laag: Bij “The Truman Show” is dat het gegeven dat sommige acteurs echte mensengevoelens voor Truman gaan ontwikkelen, terwijl ze eigenlijk acteur horen te blijven, bij “Lars” is dat omdat Lars zijn dorpsgenoten Lars en zijn “vriendin” accepteren zoals hij is en Bianca zelfs een “personage” wordt die op ziekenbezoek gaat, kinderen voorleest en kleding showt in een kledingmagazijn. En zo gek is dat laatste niet want de film valt onder andere op door een keur aan foute truien die door Lars en zijn dorpsgenoten worden gedragen; daar kan Bridget Jones niet tegenop.

Nog dieper gaat de vergelijking tussen de beide films als je ze bekijkt op het vlak van de ontwikkeling van het individu. Truman vecht zich vrij: hij wil geen veiligheid, maar vrijheid, zelfstandigheid. Lars werkt eigenlijk aan zijn volwassen worden. Bianca is wellicht meer dan zomaar een sexpop – in sommige recensies wordt aangehaald dat Lars geen sexuele gevoelens voor Bianca ontwikkelt en dat de filmmakers dat expres gedaan hebben uit angst een opervlakkige comedie te maken. Maar volgens mij is het een bewuste keuze: Bianca is wellicht geen vriendin, maar een afsplitsing van Lars zelf, bedoelt om hem in een dialoog met zichzelf te krijgen om zijn problemen – o.a. opgeroepen door een te vroeg overleden moeder – op te lossen en zijn verlate “rite de passage” te doorlopen. Niet voor niets blijkt dat Lars in de gesprekken met zijn psycholoog/huisarts steeds meer zijn eigen problemen te projecteren in de vreemde ziekte waaraan Bianca lijkt te lijden.

Sleutelmomenten in de film zijn dan ook het gesprek dat Lars met zijn broer voert (“How did you know that you were a man?” – “You grow up when you decide to do right”) de “ruzie” tussen Lars en Bianca en uiteindelijk natuurlijk de begrafenisscene. Daarna komt de weg vrij voor een echt vriendinnetje voor Lars.

Enige jaren geleden vertelde Youp van het Hek in “Zomergasten” dat hij als kind een gefantaseerd vriendje had gehad. Zijn moeder ging er gewoon in mee. Op een dag moest het van Youp over zijn. Beslist werd dat het vriendje naar een andere stad zou verhuizen en dat er die dag nog even afscheid zou worden genomen. Daarna was er ruimte voor de beide voeten op de grond en is er nooit meer over het vriendje gesproken. Ik ben bepaald geen fan van Youp van het Hek, maar dit verhaal maakte indertijd wel indruk op mij. Net als nu deze film, die duidelijk maakt dat mensen soms hun eigen manieren zoeken om met hun psychische nood om te gaan. En dat dat best goed uit kan pakken als we ze ruimte geven. Een klasse-film, met slechts een geringe achterstand op “The Truman Show”.

Sara Kroos in Diligentia met "Bries"

Eigenlijk zou ik niet naar Sara Kroos zijn gegaan als het filmaanbod voor deze week niet volledig uitgeput zou zijn geweest. Ik heb niets met de grofgebekte cabaretière en al helemaal niet met het bombardement van snelle grappen waarmee de huidige ADHD-generatie cabaretiers het publiek tracht te overrompelen.

Met “Bries” werd een frisse wind door oude opvattingen geblazen. Althans waar het mijn opvatting over Sara Kroos betreft. Het grove taalgebruik viel erg mee (of ben ik er immuun voor geworden?), het tempo lag aanvankelijk nog hoog, maar naarmate de voorstelling vorderde en de boodschap van Kroos meer diepte kreeg werd de timing ook beter, al moest je blijven opletten.

Ik heb erg genoten van de liedjes en daarbij vooral van de fantastische muzikanten die haar begeleidden: Martijn Breebaart en Bas Mulder. Sara Kroos kan fantastisch zingen, al had ze zich tijdens de voorstelling zo volgepompt met adrenaline, dat de laatste twee liedjes af en toe te hoog geïntoneerd werden.

Minimale kritiek op een voorstelling die geen minuut verveelde, hoewel ik ook niet permanent in een stuip gelegen heb.

Le voyage du ballon rouge

Ik moet toegeven dat ik wat teleurgesteld naar buiten liep na het zien van deze film, die bij de aankondigingen nogal hooggespannen verwachtingen bij me opriep.

Het is ook zeker een mooie film om naar te kijken, maar ik wil altijd graag een boodschap. Die is er niet hè, althans, ik heb hem er niet uitgehaald.

Centraal in deze film zweeft een rode ballon die af en toe in het leven van de jonge Simon opduikt. En de rode ballon in Parijs is weer een eerbetoon aan de klassieke korte film van Albert Lamorisse uit 1956, die overigens net op dvd is verschenen.

Maar Hou maakt er geen ingewikkelde, intellectuele spiegeltent van schilderkunstige en cinematografische verwijzingen van. Bijna documentair legt hij het leven van Simon en zijn jachtige, chaotische moeder Suzanne (Juliette Binoche) vast. Zij doet er alles aan om haar leven op de rails te houden, terwijl ze tegelijk een Chinees poppentheater runt. Het is niet de enige verwijzing naar de Taiwanese achtergrond van Hou. Simon krijgt een Chinese nanny (Song Fang) die in haar rust en ordelijkheid een oriëntaals tegenwicht voor het Parijs van Juliette Binoche vormt. (recensie Mark Moorman, Het Parool, 30 april 2008).

Ik had nog even gehoopt dat de sleutel tot het mysterie zich zou openbaren in de slotscene van de film. Simon wordt in het Musée d’Orsay onderwezen over een schilderij van Felix Vallotton, waarin een kind speelt met een rode bal, als een weerspiegeling van de rode ballon die in het leven van de Simon steeds opduikt.

Maar ja, de museumscene was een eis van de financier (het Musée d’Orsay) en de rode ballon is een eerbetoon aan de klassieke korte film van Albert Lamorisse uit 1956, die tot vorige week in het Haagse Filmhuis draaide.

Kortom: het plaatje stond in deze film centraal. Prachtige uitzichten over Parijs en humoristische blikken in het rommelige en veel te kleine appartement van Simon en zijn moeder, waarin heel wat mensen binnen een vierkante meter om elkaar heen moeten draaien. Als halverwege de film er ook nog een piano bijmoet, houd je je hart vast.

Zelf vond ik de poppenspelscenes wel interessant, maar daar ging de film natuurlijk niet over.

Naar Schotland

In de Haarlemse Toneelschuur zag ik op 19 april de laatste voorstelling van “Naar Schotland”. Een intrigerend stuk van de dertigjarige Thibaud Delpeut. Gespeeld door Het Nationale Toneel, met acteurs: Anne Prakke, Jappe Claes, Sarah Marie Eweg en Saskia Temmink.

Met zijn studie klinische psychologie heeft Delpeut kennelijk voldoende basis om een stuk te schrijven over mensen die hun wereld bij elkaar liegen om overeind te blijven en wat er gebeurt als ze de werkelijkheid onder ogen moeten zien. Dat leidt dan onder andere tot de mooie zin van Jean “Ik wil een verhaal zijn: een begin, midden, niet alleen maar een eind.”

Vanaf het begin staat de hysterie van Christine wel vast, maar de problematiek van Jean wordt veel later onthuld. De technische middelen die gebruikt worden, zoals de camera’s waarmee de acteurs tijdens hun spel gefilmd worden zijn origineel. Opvallend is ook dat het stuk eigenlijk al begonnen lijkt als het publiek binnenkomt. En de grappige “Life and Cooking”-scene als Christine haar Quiche Loraine staat te maken. Die overigens mislukt, wat ook erg grappig is.

Voor alle recensenten stond vast dat de situatie gebasseerd is op Who is afraid of Virginia Woolf van Albee. Het is op het oog in alle opzichten heviger. Het oudere echtpaar brengt het jongere paar aan de bedelstaf en brengt ook bijna het dochtertje in gevaar. De leugens tuimelen over elkaar heen. Een gezamenlijke zelfmoord van het oudere echtpaar lijkt dus logisch, te logisch misschien. Christine bekent dat zij ook in de nacht van hun huwelijk, in Schotland, er al over heeft gedacht een meer in te lopen. Maar op de een of andere manier loopt nu het water hun huis binnen. Een mooi effect, terwijl zelfmoord technisch verantwoord met injectiespuiten plaatsvindt.

(recensie Max Arian, Groene Amsterdammer 14-03-2008)

Dat water dat de huiskamer binnenloopt was er in de Toneelschuur helaas niet bij. Wel kon ik, vanaf de plaats waar ik zat, meekijken naar de televisie van het stel, waarop prachtige beelden van Schotland (mijn favoriete vakantieland) te zien waren, met op de achtergrond een fraaie koorbewerking van het Schotse volksliedje “Loch Lomond”. Ik vraag me af of het deel van het publiek dat vanuit een andere hoek meekeek deze beelden ook ergens geprojecteerd kreeg. Als “Naar Schotland” gaan een metafoor is voor zelfmoord plegen (Max Arian), is Loch Lomond de plaats waar ze elkaar weer zullen ontmoeten.

Thibaud Delpeut geldt als een wonderkind in het theater. Hij is nog geen dertig jaar oud, is nog geen twee jaar van de theaterschool en wordt al ingelijfd door het Nationale Toneel in Den Haag en Toneelgroep Amsterdam. Hij heeft in drie jaar drie toneelteksten geschreven, die door het Nationale Toneel in een keurig boekje zijn uitgegeven. Terecht, want zijn stukken zijn zowel klassiek als eigentijds. (Max Arian).

Ja, dat vind ik ook. Dertig jaar oud en dan zo’n stuk schrijven, regisseren en de muziek erbij maken – hoewel het meeste bestond uit reeds bestaande muziek, maar de twee tonen die steeds op dreigende momenten te horen waren hadden een buitengewoon onheilspellend effect. Toch had ik af en toe het gevoel dat de spelers even geen raad wisten met hun tekst, alsof er zwakkere plekken waren die minder goed uit de verf kwamen.

Naar Schotland is een caleidoscopische, multimediale vertelling over het failliet van een ogenschijnlijk geslaagd bestaan en stelt de vraag waarom sommige mensen alleen zonder waarheid kunnen leven.

The Banishment

Geen eenvoudige kost, deze 150 minuten durende film. Wie gewoon een filmpje wil pakken komt bedrogen uit, maar wie de tijd wil nemen met regisseur Andrei Zvyagintsev mee te denken, te construeren aan deze film wordt ruimschoots beloond.

Tijd die je wat Zvjagintsev betreft zou moeten gebruiken om na te denken over wat de nieuwe informatie voor jouw perceptie van de personages betekent. Want dat heeft hij het liefst: dat de kijker ‘meeschrijft’ aan zijn film en zo zijn eigen verhaal maakt. En dat hoeft niet per se het zelfde verhaal te zijn. De regisseur heeft in interviews laten weten dat hij regelmatig verbaasd is over de interpretaties, ‘maar nooit teleurgesteld.’ (“Symboliek en puzzelstukjes” op Cinema.nl)

Uiteindelijk gaat de film over relaties – vooral de moeizame communicatie tussen mannen en vrouwen – en lotsbestemming, de dood zo je wilt. Maar het is ook een film waarin prachtige natuuropnamen te zien zijn, gemaakt door Mikhail Krichman in België, Sardinië, Frankrijk en Moldavië.

Om maar met het begin te beginnen: een auto komt aanrijden, bestuurd door de gewonde Mark. Hij is op weg naar zijn broer Alex, omdat die de kogel moet verwijderen. Geen arts, geen ziekenhuis. Dat betekent dat de kogel er niet zomaar in is gekomen. De praktijken van Alex en Mark kunnen het daglicht blijkbaar niet verdragen, maar details worden niet verstrekt – ze doen niet ter zake.

De hele rit duurt naar Hollywood-maatstaven onwaarschijnlijk lang, maar kluistert de kijker vast aan zijn bioscoopstoel, temeer daar de scene later in de film in een heel ander verband, nog eens vrijwel letterlijk herhaald wordt. Dit levert een fraai ritme op.

Dialogen zijn schaars, met name Alex is geen spraakwaterval. Ook met opzet gedaan:

In een interview zei Zvjagintsev over de dialogen: ‘Wat er tussen de regels gebeurt vind ik veel interessanter dan wat er gezegd wordt. Film is volgens mij een visuele kunstvorm, en als een regisseur erin slaagt een bepaalde sfeer te scheppen, zonder dat hij daarbij de hulp van dialogen nodig heeft, dan vind ik dat de allergrootste prestatie.’ (“Symboliek en puzzelstukjes” op Cinema.nl)

En dan de symboliek. Religieus, vooral,

Alex wast het bloed van zijn broer van zijn handen, Vera krijgt van dochter Eva een appel (heeft u ‘m?), overal hangen houten kruisen aan muren, en de kinderen van Alex en Vera zijn bezig met een puzzel van Da Vinci’s schilderij De Annunciatie (waarin Maria van aartsengel Gabriël te horen krijgt dat ze zwanger is). (nogmaals met dank aan “Symboliek en puzzelstukjes” op Cinema.nl)

Dat is misschien wel, zoals dat in het Duits zo mooi heet, hineininterpretieren. Ik zie dan meer in de beek die droogstaat en aan het eind van de film weer volloopt door een enorme regenbui. Die annunciatie geloof ik wel, maar die handenwasserij heeft toch een duidelijke reden en die appel: verwijst er toch naar dat de vrouw zondig is? En dat is nu juist niet het geval – misschien wel het teleurstellende aspect van deze film.

Want: de film draait om het gegeven dat Vera aan Alex vertelt dat ze zwanger is, “maar niet van jou”. Het is de inzet tot het drama, waarbij men, of in ieder geval ik als gewone nuchtere Westerse sterveling, denk dat het geheel zich gaat afspelen om het overspel van Vera. Bij de ontknoping, die ik hier niet zal onthullen, denk je: had dat nou op die manier gemoeten?

Een 10 voor de film, een 7 voor de plot.

Op het eind maakt de muziek nog wel iets goed: het bekende “Für Alina” van Arvo Pärt komt erin voor, maar vooral de slotmuziek is van een ongekende vaart. Eerst het volksmuziekachtige duet (Kanon Pokajanen van Pärt) tussen de twee plattelandsvrouwen, met opvallende microtonaliteit en daarna het hypnotiserende “Exsilium” van Andrej Dergatsjev.

De Rijzenspelers spelen "Per seconde wijzer".

Amateurkunst blijft een belangrijk onderdeel van ons kunstaanbod. Sterker nog: als er geen amateurkunst zou zijn, zou er waarschijnlijk ook geen professionele kunstbeoefening zijn, ergens moet toch de basis gelegd worden. En zo ben ik – want donateur – minstens twee keer per jaar bij De Rijzenspelers aanwezig. Uit Rijsenhout, vandaar de naam. Maar ik mis geen voorstelling, want het gezelschap is een aantal toegewijde amateur-acteurs rijk en speelt vaak gedurfde stukken. Zoals “Het terras” van Jean-Claude Carrière, “Een huis vol dromen” van Benny Braem en “Adel Blank” van Alex van Warmerdam.

Met het laatste stuk greep het gezelschap iets te hoog voor het publiek. Erg jammer, want het was een goed stuk waarmee het gezelschap kon laten zien wat het allemaal in huis had. Maar ja, als je publiek gaat mopperen, kom je als amateurgzelschap niet ver, dus werd er dit jaar gekozen voor de komedie “Per seconde wijzer” “van Frank Vickery.

Het stuk gaat over een plaatselijke musicalvereniging. Wat gebeurt er binnen een gewone amateurvereniging als de rollen worden verdeeld? Welk stuk heeft regisseur Nick van de plaatselijke musicalvereniging dit keer gekozen om te spelen? Weet iedereen wel dat het met die club financieel niet zo heel erg goed gaat? Tijdens de traditionele jaarlijkse barbecue zal Nick bekendmaken welk stuk er op de planken gebracht gaat worden. Ieder speler acht zichzelf groot en kundig genoeg om minstens de hoofdrol te spelen. We hebben te maken met Joyce, bekwaam en talentvol, maar aan lager wal geraakt. En ook Teddy heeft zijn belangen nu hij ouder wordt en realiseert dat zijn roem een hoogtepunt gehad heeft. Waarom is Derek eigenlijk uitgenodigd? Roz, de vrouw van Nick, heeft hem als aimabele gastvrouw uitgenodigd. Maar Derek is geen speler van de club. Nick houdt de spanning er lang in en weet iedereen enige tijd om de tuin te leiden. Echter, Nick heeft ook zijn belangen om te dalen, zeker nu er een nieuw lid zich heeft aangemeld bij de vereniging. Er volgt een gedenkwaardige avond vol wendingen, chantage en gekonkel. Iedereen heeft zijn belangen om er bij te zijn, al leidt het allemaal niet tot de keuze van een andere show dan Nick eigenlijk al besloten heeft. Het geeft je als kijker van minuut tot minuut wel meer inzicht in wat er bij al deze mensen onder het oppervlak verborgen zit.

Uit het leven gegrepen, dit verhaal. Want het gaat in werkelijkheid heel vaak zo bij amateur toneel-, musical- of operettegezelschappen. Of het ook bij de Rijzenspelers zo gegaan is bij de verdeling van de rollen weet ik niet, maar vast staat dat de juiste mensen voor de juiste rollen gecast waren, met wat mij betreft vooral een goede partij voor Remco Brandt als Derek.

Zeker zal bij de keuze van dit stuk het publiek een rol gespeeld hebben. Want hoewel het stuk eigenlijk een beetje flauw was, hoorde ik na afloop om mij heen zeggen: “het leukste stuk sinds tijden”. En ja, wie ben ik dan om het daar niet mee eens te zijn.

De basisbibliotheek

Ik weet het, het mag eigenlijk niet. En ik doe het toch – zie het maar als een eerbetoon: de schitterende prent die Peter van Dongen tekende voor het NRC-artikel over de digitale basisbibliotheek. Hier is-t-ie:

Zo’n prent inspireert mij. Peter van Dongen: ik geniet iedere week van je tekeningen, maar deze is uitzonderlijk mooi!.

Zo, nu ter zake: de digitale basisbibliotheek: 1000 Nederlandse teksten komen online, soms met de orignelen ingescand ernaast. Op dit moment zijn pas zo’n 600 teksten klaar, maar het is een goed project. Alleen: wil ik zo’n digitaal boek. Ik houd ontzettend van boeken en ook van computers. Maar alles op zijn tijd: voor een goed boek zet ik mijn computer uit. En voor degenen die mij kennen: dat wil wat zeggen.

Toevallig had ik deze week een rondleiding in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Een schitterend gebouw, waar iedereen wordt uitgenodigd zo lang mogelijk binnen te blijven en een boek ter hand te nemen. Voor mij als boekenliefhebber een paradijs – en tegelijk een oefening in zelfbeheersing. Die ruimte, de thematisch geordende indeling, het uitzicht, de “launchplekjes” om echt voor je ontspanning te lezen, 2600 tijdschriften, een theater, een voorleeszaal, een café. En natuurlijk: ontzettend veel boeken. Maar ook: veel DVD’s en 600 computers met permanente internetverbinding. Allemaal grateloos, ook voor niet-leden.

En daar zit dan de zwakke plek. Want eigenlijk is de OBA een groot internetcafé, waar je, als alle computers bezet zijn, ook even een boek ter hand kunt nemen. Alle computers waren bezet, maar ik zag nauwelijks mensen lezen. Zal er in de toekomst nog veel gelezen worden? En is dat eigenlijk erg?

Boeken gaan waarschijnlijk steeds meer digitaal en ik ben daar, als het gaat om moeilijk verkrijgbare lectuur wel blij om, via Google books en het Gutenberg project heb ik al heel wat teksten binnen gekregen en kunnen lezen die ik anders in een bibliotheek uit een depot had moeten laten halen en dan ter plekke had moeten doorlezen.

De basisbibliotheek volgt dit goede voorbeeld kennelijk ook, maar die duizend titels zijn eigenlijk slechts een allereerste begin.

Hoe ziet de toekomst van het lezen eruit? Digibooks, E-books, Audiobooks en, hopelijk voor romantici als ik, gewoon lekker archaïsch, “Treeware”-books.

De goede dood

De voorstelling De Goede Dood, een tragikomisch toneelstuk over een vrijwillig levenseinde, met Will van Kralingen, Huub Stapel, Peter Tuinman, Wilbert Gieske, Hans Thissen en Saskia Bonarius, is genomineerd voor de Toneel Publieksprijs 2007-2008. De Goede Dood is geschreven en geregisseerd door Wannie de Wijn die met dit stuk koos voor één van de meest complexe thema’s van deze tijd: euthanasie. De Goede Dood is een productie van Wallis Theaterproducties. De Goede Dood genomineerd voor Toneel Publieksprijs:

Ik zag “De goede dood” donderdag 27 maart in De Koninklijke Schouwburg. Een voorstelling met humor én diepgang. Die combinatie zie je zelden, de Volkskrant had daar dan ook onmiddelijk kritiek op:

“Te vrolijk toneel over euthanasie raakt realiteit niet”

Tja, dat kan je natuurlijk vinden. Maar misschien gaat het stuk wel helemaal niet, of in ieder geval niet alléén, over euthanasie; daar hoeven we in Nederland toch geen lans meer voor te breken? Ik denk dat het minstens ook ging over emoties die vrijkomen als dingen ongezegd zijn. Zoals bijvoorbeeld de patjepeeërige broer of dochter Sammy die de avond voor het sterven van haar vader nog zegt dat “ze nog zoveel had willen zeggen”. Waarop vader antwoordt dat een heel leven niet genoeg zou zijn om elkaar alles te zeggen. “Het is goed zo”. De goede dood.

De recensie van Cultuurnet weet volgens mij beter de eigenlijke betekenis van het stuk te treffen:

Hoe kan een mens leven met de wetenschap dat een naaste er morgen om dezelfde tijd niet meer zal zijn? Met dit moeilijke gegeven worstelt de familie Keller. De oudste broer is terminaal en heeft gekozen voor een vrijwillig levenseinde. De middelste broer, de zakenman, blijkt steeds minder onkwetsbaar dan gedacht. De jongste toont zijn emoties pas als hij achter de vleugel zit. De ex-vrouw van de zakenman is inmiddels de geliefde van de terminale oudste broer geworden. De dochter kan de zelfgekozen dood van haar vader niet aan. De huisarts tenslotte, al jaren de huisvriend van de familie, worstelt met een groot dilemma.

Waartegenover Vokskrantrecensent Hein Jansen schampert:

Een voorbeeldige terminale zieke dus, die alleen af en toe een kuchje laat horen. Om hem heen cirkelt een vrij uitbundige groep getrouwen: zijn dochter, vriendin, broers en de trouwe huisarts. Allemaal hebben ze het naar hun zin. Er wordt gedanst, er worden liedjes gezongen (Foxy Foxtrot van Nico Haak), drank vloeit rijkelijk en er wordt lekker Chinees gegeten.

En tja, dan gaat de volgende ochtend de man dus gewoon dood.

Zo gewoon gaat-ie niet. Bij alle vrolijkheid die er inderdaad in het stuk is, is het eigenlijke sterven aangrijpend gespeeld. De voortdurend irritant tikkende klok, een door machtsstrijd tussen de twee broers verkregen erfstuk waar niemand blij mee is, geeft een schril contrapunt met de stilte van de familieleden. En ruim een minuut nadat de dood is ingetreden staat de klok stil – de vervulling van de belofte van Ben aan zijn dochter dat hij, als het kon, een teken zou geven dat hij aan gene zijde is aangekomen?

Eigenlijk heb ik maar één kritiekpuntje: het beleid om steeds vaker stukken zonder pauze te laten spelen. Twee uur lang zitten was weliswaar voor deze goed gespeelde voorstelling best uit te houden, maar het valt me op dat, in navolging van veel bioscopen, het gevoel van “uitgaan”  er kennelijk niet meer mag zijn; het in de pauze, die natuurlijk valt op het dramatisch hoogtepunt van het stuk met elkaar speculeren over hoe het verder zal gaan of wat je dan ook in je pauze wilt doen.

Als zelfs theaterbezoek een snack wordt en geen tijd meer biedt voor bezinking, kan ik me voorstellen dat het iemand als Hein Jansen ontgaan is dat de voorstelling meer diepgang heeft dan hij in eerste instantie dacht.

Barok-mafia

Tjongejonge, eindelijk mocht Bernard Haïtink Bach’s Matthäus Passion dirigeren. Daar moest hij eerst 79 jaar voor worden.

Er is dus nog hoop voor me, want, zelf koordirigent, ik heb ook nog nooit de Mattheus Passie gedirigeerd. Behalve dan de Christus-recitatieven, dat is verplichte lesstof voor koordirigenten in opleiding en het slotkoor “Wir setzen uns mit Tränen nieder”. Dat laatste had Haïtink ook wel eens mogen doen, in 1959 bij de herdenking van Eduard van Beinum.

Zo moeilijk is de Mattheus niet om te dirigeren – ik heb voor hetere vuren gestaan en Haïtink zeer zeker ook – maar het is nu eenmaal, sinds Harnoncourt met zijn authentieke uitvoeringen begon, iets waar je niet zomaar meer aan mag komen. Je moet iedere noot tien keer omgekeerd hebben voordat je hem laat spelen. En je moet alles van rhetorica weten, om van de getallensymboliek en authentieke instrumenten maar te zwijgen. Ik had er geen problemen mee: er is meer mooie muziek en Haïtink, ach die hoeft zich over zijn werkgelegenheid al helemaal geen zorgen te maken.

Nu lijken we terug bij af: in Amsterdam mocht Colin Davis – een schitterende dirigent en vooral, in tegenstelling tot barokspecialisten als Harnoncourt en Brüggen: een echte dirigent – komen opdraven en in Boston werd het dus Haïtink. Het moet schitterend zijn geweest. Niet dat ik de authentieke uitvoeringen niet mooi vind,  het is ook zeker goed dat de authentieke uitvoeringspraktijk er geweest is om vastgeroeste zaken van een ander perspectief te kunnen bekijken, maar nu is het welletjes:  er werden de laatste jaren steeds gekkere experimenten gedaan.

Kennelijk is er nu een kentering: er is weer ruimte voor de Mattheus zoals wij 21ste eeuwse muziekliefhebbers hem graag willen horen – en Bach hem misschien graag zou hebben willen horen als hij er de middelen voor had gehad.