Category Archives: Uncategorized

Hera – een goddelijke musical

Twee weken na “Odysseus” van De Appel zat ik weer in klassieke sferen, dit keer voor het stuk “Hera”, een “goddelijke musical” gemaakt naar een idee van tekstschrijver Flip Broekman, met liedteksten van Jan Boerstoel. Voor de muziek tekende componist Martin van Dijk. Gisterenavond zag ik de première in het Delftse Theater de Veste.

Stel u voor: u betreedt de zaal en u krijgt te horen dat u op weg naar het theater bent omgekomen… Gelukkig krijgt u de kans om in een nieuwe lichaam terug te keren, want u bent gearriveerd in de gezellige reïncarnatiekliniek van Hera. Hera, ooit de machtigste godin van het Griekse rijk, raakte in vergetelheid . Deze kliniek betekent haar come back en het lijkt een hit te gaan worden. Maar net als U zich klaar maakt voor uw volgende leven ontstaat er groot tumult. Zeus is er met een aardse vrouw vandoor gegaan en laat Hera na drieduizend jaar huwelijk alleen, eenzaam en verbitterd achter. Plotseling bent u getuige van een ruzie tussen de goden. Want laat Hera het hierbij zitten? En wie is die mysterieuze jongeman, die vervolgens opduikt om haar de liefde te verklaren. Aan haar…de Oppergodin! En hoe moet het nu met uw volgende leven?

Hera, muziektheater vol hartstocht, vriendschap en drieduizend jaar liefde en bedrog. van de website van Hummelinck Stuurman Theaterbureau

De hoofdrol van Fabio wordt gespeeld door Arjan Ederveen en dat schept al de verwachting dat het niet saai zal worden. De rol van Hera wordt gespeeld door Vera Mann, die Loes Luca na het plostselinge overlijden van haar man moest vervangen en Rob van de Meeberg speelde Zeus. Een uitstekende casting wat mij betreft, al blijft het natuurlijk altijd de vraag wat Loes Luca ervan gemaakt zou hebben. Ook Waldemar Torenstra was uitstekend als Casper (zoon van Zeus en Alkmene), terwijl de nimfen Esther Kuiper, Francesca Pichel, Marjet Spook en Jennifer van Brenk, de laatste vooral als Alkmene en na de pauze als Wannie, vriendin van Casper, vooral prachtig zongen en dansten.

Wat Jacques Offenbach met “La Belle Hélène” deed voor de operette, beleefden we hier in de musical. Parodie, satire, humor ging wel degelijk samen met diepgang. Interactie met de zaal, die ten dele medespeler in het geheel was (en wel in de reïncarnatiekliniek van Hera en Zeus, onder leiding van Hera mochten we enige “ontaardings”-oefeningen doen en we kregen in de pauze koffie met een plakje cake, als bij een echte begrafenis), prachtige, soms humorvolle songs, alles perfect uitgevoerd gingen vrijwel onmerkbaar over in kleine steekjes onder water. “Weet je waarvan Hera de godin is?” vraagt Fabio aan Casper. “Van de liefde?” “Van het huwelijk, dat is precies het tegenovergestelde”. Mag deze grap nog oer-burgerlijk genoemd worden, er werd ook nog even geschimpt op “Idols” (bewuste vondst?)en op de ietwat overdreven dierenliefde van sommige goedbedoelende Groenen, terwijl de niet mis te verstane song van Zeus over de goden als gemaakt naar des mensen “beeld en gelijkenis” de godsdienstwaanzin op de korrel nam: (de goden zijn) “uit nood geboren, uit angst bedacht”.

Om al die verwijzingen naar de Oudheid te kunnen begrijpen moet je natuurlijk iets van mythologie afweten. Het zou jammer zijn als dat alleen aan gymnasiasten is voorbehouden, en dat is dan ook waarom ik nog terug wil komen op mijn kritiek op de Appelvoorstelling: theater moet ons waarheid en schoonheid tonen, maar “Just a spoonful of sugar helps the medicine go down”. Na het zien van “Hera” wist ik weer dat er nog leven in die oude goden en legenden zit.

Wagneriaanse Odysseus bij "De Appel"

Eindelijk was het zover: gisterenavond kon ik de marathonvoorstelling “Odysseus” van “Toneelgroep De Appel” bijwonen. Ik had de kaartjes al lang in huis en had ook slechts kans op kaartjes door de extra voorstellingen die De Appel gaf van dit succesvolle project.
Was het het waard? Om eerlijk te zijn: ik was nogal teleurgesteld.
Misschien had ik te hoge verwachtingen, maar mag dat niet? Het project is immers met veel bombarie aangekondigd. Wekenlang artikelen in de NRC onder de kop “Op weg naar Odysseus”, een soort journaal met de belevenissen van regisseur Aus Greidanus en zijn spelers.
En dan het verhaal zelf: ik ben geen gymnasiast, maar ik herinner mij hoe ik als brugklasser aan de lippen van mijn geschiedenislerares “hing” toen zij het verhaal vertelde. Later zag ik op de BBC de verfilming van het verhaal – vooral de scene waarin Odysseus zich laat vastbinden aan de mast en zijn mannen gebiedt was in hun oren te stoppen zodat ze zonder gevaar te lopen langs het eiland van de Sirenen kunnen varen is mij bijgebleven. De waanzin waaraan Odysseus ten prooi valt als hij hun gezang hoort en zijn mannen die geen krimp geven.
Dit alles moesten wij gisterenavond bij De Appel ontberen. Het verhaal werd vooral in de verleden tijd in monologen en dialogen verteld. “Verteltheater” noemde NRC-recensent Wilfred Takken het. Maar daarvoor ga ik eigenlijk niet naar een toneelvoorstelling: dan wil ik het verhaal vormgegeven zien.
Het begon goed: de openingsscene ging vergezeld met uiterst spannende muziek en we konden ons gelijk vergapen aan een prachtig decor. Tevreden zakte ik onderuit: dit wordt een geweldige middag. Deze scene was echter gelijk het hoogtepunt – erg jammer om je kruit zo snel te verschieten. Het hele eerste deel was overigens nog relatief boeiend, maar daarna was het vooral erg veel tekst. Het schitterende decor dat eerst dienst deed als badzaal, werd later slaapzaal op Aia, Hades, Olympos, weer een paleiszaal (Scheria) en daarna nog een paleiszaal,dit keer die van Odysseus zelf. Het is natuurlijk wel een uitdaging dat er nog wat aan je eigen verbeelding werd overgelaten, maar dit ging wat ver.
De gevaarlijke tocht tussen Scylla en Charibdis bijvoorbeeld werd zeker twee keer verteld, maar je zag ‘um niet. Bij de scene in Hades zag je drie mannen,oud en der dagen zat, een beetje leuteren over een al dan niet terecht aan Odysseus gegeven wapenrusting. Kan de Appel dat nou niet beter? Natuurlijk wel , bij de 6 uur durende “Faust”, alweer behoorlijk wat jaartjes geleden, wisten ze een duivelse hel neer te zetten en een helse Walpurgisnacht. En wat zou Peter Greenaway van de Hadesscene gemaakt hebben? Zijn verfilming van Dantes Hel staat me nog haarscherp voor ogen. Het moet een bewuste keuze zijn geweest van Greidanus.
“Laten we ook iets leuks doen”, moet hij vervolgens gedacht hebben. Het werd de Olympusscene, waarin de Goden allemaal een karikatuur neerzetten van (o.a.) Pavarotti, Liz Taylor en Paris Hilton. Dat was weer wat meer dan ik om zou hebben durven vragen, maar het publiek amuseerde zich kostelijk. “En laten we ook eens geëngageerd doen”, dus werd de gastvrijheid van de Faiaken van Scheria gebruikt om Echeneos (Jules Terlingen) een Geert Wildersachtig verhaal te laten afsteken, dat ook op veel herkenning door het publiek mocht rekenen.
Ja, de oude mythen hebben ons nog steeds iets te vertellen.
Best grappig was ook de opkomst van Demodokos, de blinde zanger van de Faiaken. Alleen: het lied dat hij zong en dat Odysseus tot tranen toe moet hebben geroerd kregen we niet te horen.
Het deed me denken aan Wagner’s “Parsifal” waar je ook drie kwartier moet luisteren naar Gurnemanz’ monoloog – de handeling vindt ergens achter de coulissen plaats. De muziek maakt daar echter nog een hoop goed, als je tenminste van Wagner’s muziek houdt en er door het in volume gestaag toenemende gesnurk van het afhakende publiek nog iets van kunt horen.
Ben ik nou oppervlakkig? Wellicht en het kan me niet schelen! De snobs mogen mij uitleggen wat zo boeiend aan deze voorstelling was en waarom een mens met “Bildung” deze voorstelling gezien moet hebben. Wat mij betreft hoort Odysseus bij de canon van de cultuur, maar een beetje meer theatraal vuurwerk zou hier niet misstaan hebben. En Als De Appel het niet kan, wie dan wel? Je moet er toch niet aan denken dat we straks van Joop van der Ende’s “Odysseus, the musical” afhankelijk zijn om het verhaal in onze cultuur levend te houden.

Mamma Mia!

Alweer drie jaar geleden zag ik de musical Mamma Mia in het Utrechtse Beatrixtheater. Ik voelde mij ernstig bekocht. Niet alleen vanwege de exorbitant hoge prijs voor een plaats die eerste rang heette, maar derde rangs bleek (er werd alleen maar eerste rang verkocht). Ook de cast, met uitzondering van Simone Kleinsma, viel zwaar tegen. Met name bij de mannen werd er matig gepresteerd.

Het geheel leek zo’n geforceerd in elkaar gedraaide musical waarvan we er veel te veel hebben omdat dat op dit moment zo goed verkoopt; bij gebrek aan eigen creativiteit was er weer eens gekozen voor een pastiche: bekende liedjes van groepen van weleer worden opgepoetst, al dan niet van een andere tekst voorzien en in een verhaal van niks aan elkaar geregen. Doe Maar, Queen en naar het schijnt zelfs de Dolly Dots hebben op deze twijfelachtige manier bijgedragen aan het musicalrepertoire.

Ik had het gevoel dat de ABBA-songs net als die van de Beatles tijdloos waren, maar in de “Mamma Mia-musical” bleef er niet veel van over. Het enige leuke was eigenlijk het publiek om mij heen, dat bij iedere bekende hit mee begon te stampen en te zingen. Het was het feest van de herkenning. Voor mij was dat feestje er pas toen na de musical de volledige cast nog even “Waterloo” zong – dát was goed.

Toen de filmversie uitkwam had ik dan ook niet verwacht er binnen twee weken tijd drie keer naar toe te zullen gaan. De trailer vond ik trouwens niet bepaald wervend. Maar ik was op vakantie in Noorwegen door het slechte weer in Oslo gestrand en wilde daar een bioscoopje pikken. “Mamma Mia” was Engelstalig met Noorse ondertiteling, en een mens moet wat.

Wat een film. In het begin, met vijf keer “Oh My God” in een minuut dacht ik nog dat ik in zo’n tienermeisjesfilm terecht was gekomen, maar het werd steeds leuker. Niet vanwege het verhaal natuurlijk, dat stelt niets voor, maar de zang en dans maken je ontzettend vrolijk.

Donna , een onafhankelijke, single moeder heeft een hotelletje op een idyllisch Grieks eiland. Ze staat op het punt om Sophie , de pittige dochter die ze alleen heeft grootgebracht, los te laten. Voor Sophie’s huwelijk heeft Donna haar twee oude hartsvrienden uitgenodigd: de praktische en no-nonsense Rosie en de rijke, meermalen gescheiden Tanya van haar vroegere backing-band ‘Donna and the Dynamos’. Maar Sophie heeft in het geheim zelf drie gasten uitgenodigd. Ze is op zoek gegaan naar de identiteit van haar vader die haar naar het altaar moet begeleiden en ze haalt drie mannen uit Donna’s verleden naar het mediterrane paradijs waar ze 20 jaar daarvoor waren geweest. In de 24 chaotische, magische uren bloeit er nieuwe liefde op en oude romances vatten opnieuw vlam op dit weelderige eiland vol mogelijkheden.

Het mag dan kitsch zijn – het is in ieder geval goed gemaakte kitsch. Al is niet iedereen dat met mij eens. Bijvoorbeeld Peter de Bruijn die in de NRC van 9 juli de film helemaal neersabelt:

Aan het einde van de film blijft de toeschouwer geradbraakt achter.

Dat mag voor De Bruijn gelden, het geldt niet voor mij en vele anderen. In Oslo was de (gigantisch grote) zaal stampvol: iedereen kwam blij buiten en de sfeer in de zaal was uitstekend. Ik heb de film later ook nog gezien in Hardenberg (of all places): er was niemand die psychische bijstand nodig had na afloop, hoewel de zaal wat duf was. In Den Haag tenslotte had ik weer allemaal blije mensen om mij heen en bij het naar buiten gaan was het publiek ongekend vrolijk.

Waarom Meryl Streep gekozen is voor de hoofdrol, blijft lang raadselachtig, of de makers moeten hebben gehoopt op het effect: kijk die Meryl Streep eens gek doen. Maar in de tweede helft van Mamma Mia! wordt alles duidelijk. De film zet dan onbeschaamd de aanval op de traanklieren in en daar is Streep als weinig andere actrices bedreven in. De scènes tussen moeder en dochter zijn het beste van de film en Streeps versie van The Winner Takes It All mag er zijn.

Helemaal mis. Meryl Streep zingt in de film verbazend goed – ik had dat niet van haar verwacht – maar met”The Winner Takes It All” heeft ze duidelijk moeite. En dat snap ik heel goed: het is een vrij lang en langzaam nummer, dat het misschien op de plaat goed doet, maar in de film, met nauwelijks een wisselend decor en Pierce Brosnan die er maar een beetje bij moet staan duurt het zo’n drie coupletten te lang. Streep beweegt wat met haar stola en haar handen, grijpt op het laatste moment naar een ordinaire uithaal waarna ze met wapperende haren de trap naar het kerkje (prachtig decor trouwens!) oprent. Daar zingt ze haar laatste noten, waarvan de allerlaatste gewoon een kwarttoon te laag geïntoneerd wordt. Ik neem het haar niet kwalijk, want het is razend moeilijk, maar als je dit de beste vertolking van de hele film vindt mankeert er iets aan je oren.

Nee, dan de dampende choreografie bij “Voulez Vous”, het vrolijke ensemble bij “Dancing Queen”, Christine Baranski’s (Tanya) “Does Your Mother Know” (vooral leuk), of “Chiquitita”, op zich een stom nummer dat in Utrecht indertijd ook lachwekkend was, maar in de film prachtig meerstemmig gezongen wordt.

Andere leuke vondsten: als Sophie de kerk inkomt, speelt de kapel in plaats van een traditionele bruidsmars een plechtige instrumentale versie van “Knowing Me, Knowing You”. Aardig gevonden, omdat het gaat over een onbekende vader, maar ook over een dochter die zichzelf nog niet kent.

Heeft de film nou opeens diepgang? Ik denk het niet; even later, als Donna “ja” zegt tegen Sam zingen alle genodigden met haar mee “I do, I Do, etc”, terwijl de priester op de buisklokken het loopje sol-fa-mi-re-do speelt, een soort parodie op Schikaneder als Papageno in “Amadeus”. Een parodie op de “Titanic” is er ook tijdens “Money, money”.

Benny Andersson en Björn Ulvaeus, het schrijversduo van ABBA, houden hun muzikale erfenis streng in de gaten. Daar staan ze tenminste om bekend.

Is dat zo? Hebben we niet ABBA-teens gehad en zijn sowieso niet al hun nummers wel op een of andere manier gecovered? Hun restrictie was dat het geen film over ABBA zelf mocht worden.

Ook bij de muziekopnamen voor de film waren ze nauw betrokken.

Ja, Benny Anderson is nog even als pianist te zien in “Dancing Queen”, in een scene die een parodie lijkt op “Herod’s Song” uit Jesus Christ Superstar.

Hoe ze dit resultaat vervolgens hebben kunnen laten passeren, is dan ook een raadsel van formaat.

Ze zullen blij zijn geweest met dit resultaat, en niet alleen vanwege het (financiële) succes. De meeste songs klinken nu veel eigentijdser georkestreerd en de zang is, gegeven het feit dat het eigenlijk acteurs zijn en geen zangers, zeker niet slecht.

Vooral Brosnan brengt een geluid voort dat soms door merg en been gaat.

Okay, dat is waar. Vooral in “SOS” moet Brosnan de hoge tonen uit zijn tenen halen. Je ziet de aderen in zijn hals opzwellen. Maar bedenk dat de ABBA songs voor vrouwenstemmen zijn geschreven en dat dat voor een mannenstem onvoorstelbaar hoog is. Brosnan is wellicht vocaal de zwakke schakel, maar het pleit voor hem dat hij gewoon zelf zingt – het was zo makkelijk geweest om een stand-in te huren voor het vocale werk. In Nederland is het niet ongewoon dat als de zanger op een avond wat minder gedisponeerd is er een tape meeloopt. En, zoals ik in een eerder stuk al schreef, zo geweldig vind ik de Nederlandse musicalzangers niet.

Ik vond “Mamma Mia” een erg leuke film. Al moet ik toegeven dat ik schrok van het aantal blunders dat ze kennelijk gemaakt hebben, zoals blijkt uit de door mij graag geraadpleegde IMDB-website. Het mag de pret niet drukken.

Evita in openluchttheater Nyborg (Denemarken)

Net terug van vakantie in Scandinavië heb ik over zeker drie culturele evenementen te posten – weet niet of ik dat ga redden zonder gelijk weer aan vakantie toe te zijn 🙂

Eerst maar het hoogtepunt: Evita.

Ben ik zo’n fan van deze musical? Not at all! De uitspraak (ik dacht van Louis Andriessen) dat Lloyd Webber de saaiste componist van de 20ste eeuw is onderschrijf ik van harte – met uitzondering dan misschien van de musical “Cats”. Maar ja, je loopt in Nyborg, ziet posters, je denkt: “wat kost dat hier?”, informeert en het blijkt – omgerekend – zo’n € 20 te kosten. Dat is wel anders dan we in Nederland gewend zijn. Nog kaarten vrij? – Jazeker! Het begint wel ‘s avonds om 22.00 uur in het openluchttheater van Nyborg.
Dat zijn we wel gewend; gaan ook (bijna) jaarlijks naar het openluchttheater in het Amsterdamse Bos.

Wat een avond! De voorstelling was in het Deens, maar dat maakt niet uit, aangezien onze Nederlandse zangers in het algemeen toch ook nauwelijks te verstaan zijn 🙁 De taal van de muziek verstaan we allemaal. Waar zit nou toch dat prijsverschil in? Dat moet het decor zijn: bij Joop zijn we gewend aan prachtige decors en een altijd weer verbijsterende theatermachinerie die je snel van de ene scene naar de andere voert. Het decor hier was wel wat eenvoudiger: twee dimensionaal – een achterwandje opgebouwd uit driekantige zuilen die draaiden als er een nieuwe achtergrond voor moest komen – een suggestie van een balkon en een eenvoudige lift die omhoog gaat als Evita haar beroemde “Kald ikke mere, Argentina” (=Don’t Cry For me, Argentina) zingt is het meest geavanceerde theatertuig dat we konden zien. Maar de zang – waar het toch om gaat – was voortreffelijk! Worden we in Nederland voor onze minimaal € 80 geregeld opgezadeld met zwakke mannenstemmen en vrouwen die hun strot zwaar onder druk zetten (het zgn “belten”), zodat kijken naar het decor het enige is wat erop zit om je niet geheel bekocht te voelen, stond hier een team te zingen dat – met uitzondering van het hoe dan ook al dissonante begin (“hoezo saai” zal Lloyd Webber gedacht hebben) en het kinderkoortje in de 2e akte – schijnbaar ongehinderd door de extra problemen van het in de openlucht zingen, moeiteloos en glaszuiver op toon bleef.

Het orkest olv Susanne Vibaek stond in een aparte ruimte aan de zijkant voor het publiek zichtbaar opgesteld en verzorgde de begeleiding accuraat en steeds dienstbaar aan de zang.

Ook dat was verfrissend ten opzichte van de Nederlandse situatie, waar de geluidstechnici vaak hun liefde voor mengpaneel botvieren ten koste van de vocalisten.

BjØrg Gamst als Evita zong een prachtige partij, maar de ster van de avond was Martin Holm, die de rol van Che voor zijn rekening nam. Een ongelooflijk flexibele stem, die moeiteloos de hele avond over de hele ambitus gaaf bleef en een heel scala aan emoties erin kon leggen zonder te chargeren. Daarnaast acteerde hij geweldig. Waarom heb ik nog nooit van deze man gehoord? Hij zou wereldberoemd moeten zijn!

Een merkwaardig aspect van de voorstelling was het in ontvangst nemen van het applaus: dat gebeurde op muziek, waardoor het publiek tijdens het hele applaus gelijkmatig bleef klappen. Van de kleinste bijrol tot de hoofdrollen kreeg iedereen hetzelfde applaus. Ik probeerde bij de opkomst van Martin Holm nog “Bravo” te roepen, hetgeen me overigens ook niet kwalijk genomen werd, maar het applaus nam niet toe; en dat kon ook niet omdat de muziek iedereen in de maat hield. Toen het applaus eenmaal klaar was en het hele ensemble voor het laatst gebogen had, werd het Deense volkslied ingezet, dat door iedereen in het publiek gedistingeerd werd meegezongen.

Rare jongens, die Denen, maar ik heb een prachtavond gehad.

Le Fils d'Epicier

Twee citaten uit recensies via de International Movie Database:

Despite its very simple plot (the story of a son taking over the daily round of his sick grocer father), ‘Le fils de l’épicier’ qualifies as an enriching film experience.(…) Despite its very simple plot (the story of a son taking over the daily round of his sick grocer father), ‘Le fils de l’épicier’ qualifies as an enriching film experience.

en een ander:

This film would serve as a sleep aid. If you want to run a grocery store see this film. Otherwise, don’t waste your time (even for rental. This is one of the most boring films ever made.

Vastgesteld kan worden dat het een flinterdun verhaal is:

Het is hartje zomer wanneer de dertigjarige Antoine noodgedwongen de stad verruilt voor de rustieke omgeving van zijn geboortedorp. Zijn vader ligt in het ziekenhuis en hoewel Antoine een grondige hekel aan hem heeft, neemt hij toch (vooral voor zijn moeder) diens werk tijdelijk over. In zijn vaders ‘SRV-wagen’ rijdt Antoine van gehucht naar gehucht door de bergachtige en uitgestrekte Provence. Maar zijn botte gedrag en onhandigheid zorgen voor aanvaringen met de oude bewoners die al jaren hun boodschappen bij de wagen doen. Mede dankzij zijn beste vriendin Claire ziet Antoine steeds meer de charme van de koppige, norse, grappige en soms eenzame bewoners in. Die nieuwe blik helpt hem het plezier in het leven terug te vinden. Het plezier dat hij dacht kwijt te zijn, evenals de liefde van zijn leven. (movie2movie)

En ik geloof dat met al deze citaten alles gezegd is wat over deze film gezegd kan worden. Of toch niet: de prachtige shots van het mooie Franse landschap mogen niet onvermeld blijven. Ik realiseerde me met spijt dat ik dit jaar niet naar Frankrijk ga op vakantie. Af en toe wat humor in de dialogen met de dorpsbewoners (met name Antoine en Lucienne zien we langzaamaan ontdooien), een beetje romantiek – nee toch niet, ja toch weer wel – een beetje zwart schaap verandert van verloren zoon in familieheld.

Het is gewoon een feel-goodmovie, maar gelukkig wel een die niet pretendeert meer te zijn dan dat.  Ik heb me wel geamuseerd; er hoeft niet altijd een boodschap te zijn.

In memoria di me

De Italiaan Saverio Constanzo is een stijlvaste filmmaker, maar heeft hij iets te vertellen? In memoria di me bevat fraaie kloosterbeelden, maar bieden ze meer dan esthetisch genot?

Deze vraag stelde van Jos van der Burg zich in zijn Parool-recensie, en ik stelde hem gisterenavond met hem na het zien van deze film. De beelden van het Venetiaanse San Giorgio Maggioreklooster zetten een prachtige film neer, de bijbehorende soundtrack van What’s-in-a-name “Alter Ego” (practice what you preach) is uitermate spannend, maar aan het eind verlaat je de bios met lege handen.

Wat was nou de reden van Andrea om er uiteindelijk niet vandoor te gaan? Waarom kregen we al die opvallende boten (waaronder één met de duidelijk zichtbare naam “Carnival Libertá”) voorgeschoteld? Wie was de stervende in de ziekenkamer en waarom werd er zo geheimzinnig over gedaan? Waarom zat er een vrouw in de refter mee te eten? Waarom werd er überhaupt in de refter Wulpse Weense Walsmuziek gespeeld? Waarom vonden alle gesprekken met de abt achter gesloten deuren plaats, maar kan Andrea het gesprek tussen Zanna en de abt volgen – en zien dat Zanna hem een kus op de lippen drukt? Is die kus trouwens een homo-erotische suggestie of moeten we het uitleggen als een Judas-kus?

Vragen die niet beantwoord worden. Recensent Jan Pieter Ekker van de Volkskrant weet het ook niet – sowieso is hij waarschijnlijk na de eerste tien minuten in slaap gevallen, want hij heeft de film vanuit het perspectief van Fausto bekeken.

Costanzo volgt de zoekende Fausto tijdens zijn dagelijkse rituelen in het grauwe klooster.

Niks hoor, was het maar waar, want die Fausto (Nomen est Omen) was misschien geen begenadigd spreker, maar hij had wellicht nog wel iets te vertellen.

De tweestrijd van Fausto, zijn zoektocht naar zichzelf, naar pure liefde of een teken van God, verdwijnt echter allengs naar de achtergrond, doordat Costanzo van alles aanstipt en suggereert. Achter een deur aan het einde van de schemerdonkere gang klinkt gepiep en gekreun. Misschien is er wel iets van homoseksuele aantrekkingskracht ondanks de botsende karakters – de blikken van de novicen zijn onmiskenbaar veelbetekenend.

Fausto vertrekt al vrij vroeg in de film – zijn tweestrijd wordt beslist in het voordeel van zijn menselijke vrijheid – zijn Faustische Streven. Zijn onzekere preek over het verband tussen het Griekse “Psyché” en het Hebreeuwse “Nephesh” geeft aan wat hij werkelijk dacht – en het zal de oversten van de Jezuïten niet welgevallig zijn geweest. Het was het moment waarop ik nog dacht dat de film iets te vertellen zou hebben. Maar met Fausto vertrok de ziel uit de film; Constanzo heeft de verkeerde hoofdpersoon gekozen.

Het gekreun waar Ekker het over heeft klinkt misschien veelbelovend, maar het is gewoon Fausto die zich geen raad weet en in de wasruimte radeloos zijn hoofd tegen de muur bonkt. En de veelbetekenende blikken van de novicen? Misschien is het zwakke punt van de film wel dat ze allemaal als zombies uit hun ogen keken. Ik zou de titel van de film “In memoria di me” willen vertalen als: “ter nagedachtenis aan mijzelf” – de has-been Yup Andrea begraaft zichzelf levend in een klooster om een bloedeloos bestaan te leiden.

Helaas niet echt een film waarvan je wat meeneemt.

Beelden aan zee: Against Nature.

In het museum “Beelden aan zee” bezocht ik de tentoonstelling “Against Nature – De hybride in de moderne beeldhouwkunst”. Een bijzondere tentoonstelling.

De titel is ontleend aan het werk “À Rembours” “(ned. “Tegen de keer”, Eng: “Against Nature van de Franstalige auteur J.-K. Huysmans (1848 – 1907)”. Dit boek is ook het uitgangspunt van de tentoonstelling geweest; de vermenging en ervaring vaan de zintuiglijke waarneming wordt vertaald in hybride beelden. Kennelijk in drie soorten en smaken:

  1. Moderne monsters – bijvoorbeeld “Battery” uit 2002 van Johan Tahon (1965)
  2. Metamorfe creaties – bijvoorbeeld “Marathon Man” uit “1982 van Georges Charpentier (1937), en
  3. Horti Sculpture – bijvoorbeeld “Daphne” uit 2007 van Iris le Rütte (1961).

Er waren heel wat mooie beelden te zien, hoewel ik mijzelf geen kenner vind. Het museum – dat ik tot mijn schande helemaal niet kende – verder doorlopend kwam ik bij een terras. Er was enige zelfoverwinning nodig om ook daar te gaan kijken, want het regende pijpestelen, maar het was het waard. Althans voor minstens één prachtig werk, nl. “De Tafel” uit 1990 van Elisabet Stienstra (1967).

Het deed mij denken aan Peter Greenaway’s verfilming van Dante’s Hel en wat was ik blij dat ik mijn camera bij me had. Zomaar wat scenes, maar er is nog meer te zien. En let vooral op het onderstel:

Night of Tragedy

Het betreft hier natuurlijk de “Night of Comedy“, gisterenavond in Diligentia. De line-up betrof acht optredens, aan elkaar geregen door Master of Ceremony Arie Koomen, die we kennen van de Lama’s.

Nou vind ik de Lama’s wel leuk, en ik had nog nooit een stand-upcomedyoptreden meegemaakt, en – aldus de website –

Night of Comedy bewijst dat lachen er toe doet!

dus ik dacht, hop.

Dat viel tegen. Zo had ik verwacht dat Stand-up Comedy meer improviserend was, maar alle grappen waren ingestudeerd. Dat maakte het al een stuk minder leuk; de tijd dat we aan de stamtafel alleen maar moppen zaten te tappen is allang voorbij – dacht ik. Als iedereen zijn best gaat doen om “leuk” te zijn, dat is helemaal niet leuk.

Okay, dat is natuurlijk mijn persoonlijke mening, de zaal zat immers vol met mensen die het ontzettend naar hun zin hadden en permanent “in een deuk” lagen. Het soort humor was duidelijk niet helemaal mijn ding. Veel over voetbal natuurlijk; zo’n faut onderwerp dat ik ooit mijn kapper heb uitgezocht op zijn bereidheid niet over voetbal te willen praten. Maar ook veel seks. Het woord “neuken” werd zo vaak gebruikt dat ik het idee had dat de heren comedianten het woord zojuist op school geleerd hadden. Iwein Segers – winnaar van de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival 2008 – heeft een sterke voorkeur voor anale seks en maakte er zelfs een pakkende meezinger op – hij kreeg het publiek nog mee ook. Martijn Oosterhuis had het overigens niet over neuken, zijn performance ging over kotsen na een avondje doorhalen, en vooral over het kotsen over iemand heen – je moeder ofzo, die uiteraard net op het toilet zit. Zum Kotzen. Misschien had ik ook even moeten indrinken om dit niveau humor te kunnen waarderen – een biertje of acht had denk ik wel volstaan.

Een dag niets geleerd is een dag niet geleefd, dus ik vraag mij voor het slapen gaan altijd af wat ik er vandaag weer van meegenomen heb. Deze keer was dat het woord “zwaffelen“, het betekent met je (halfstijve) pik in iemands (= een vrouw, of in het algemeen iemand die zich niet kan verdedigen) gezicht meppen; de kennelijke obsessie van Arie Koomen, die bekende ooit zelf te zijn gezwaffeld en dreigde iemand uit het publiek die niet mee wilde oefenen met de promo-yell (ik was kennelijk niet helemaal de enige die het geheel bedenkelijk vond) te zullen zwaffelen.

Ja, het was een verheffend avondje.

Dirty Dancing – the Musical

Meer is niet altijd beter. Dat geldt zeker voor de musical in Nederland. Musicals zijn zo populair en er valt voor de producenten zoveel geld te verdienen dat het onmogelijk is voldoende nieuwe originele musicals te schrijven. Dus worden er boeken en films tot musical omgebouwd, met wisselend succes.

Terwijl “Les Miserables” – wat mij betreft de oorzaak van de musicalgekte in Nederland – opnieuw op het repertoire is genomen is nu “Dirty Dancing” – de bekende film uit 1987 – omgebouwd tot musical door Eleanor Bergstein, die ook het originele filmverhaal schreef, gebaseerd op haar eigen vakanties met haar ouders in een natuurpark in de zomer van 1963. Als musical vond de premiere plaats in Sydney op 18 november 2004, en nu heeft Joop van den Ende Theaterproducties het stuk in het Utrechtse Beatrix Theater.

De musicalbewerking is geschreven door Eleanor Bergstein en is een vorm van muziektheater die het Nederlandse publiek nog niet eerder heeft gezien. Het is een overweldigende muziek- en dansshow door de hele reeks opwindende dansscènes en ruim 50 hits uit de jaren ’60 en ’80. De toeschouwer waant zich hierbij de Kellerman’s Vakantieclub. Van: Dansinfo.net.

Er wordt absoluut goed in gedanst, maar als het om een dansmusical gaat geef ik toch de voorkeur aan “Chorus Line”, waarin de dansen veel spannender zijn, want dat miste ik toch wel bij “Dirty Dancing”, ook in de film overigens – echt “dirty” wordt het nergens. Bovendien heeft “Chorus Line” in ieder geval nog een groot aantal originele en vooral “pakkende” songs. De grote hits uit de film Dirty Dancing, “I’ve had the time of my life”, “Hungry eyes” en “Love is strange” zijn in de musical te horen, maar “She’s Like The Wind” is slechts in een instrumentale reminiscentie even aanwezig. Verder moeten we het vooral doen met hits uit de jaren ’60 en ’80. Goed uitgevoerd, evenals het dansen en, vooral, de techniek die verbijsterend is. Het podium verandert voortdurend van functie, decors en requisieten komen uit de grond omhoog en verdwijnen om zo trouw mogelijk het effect van verschillende shots en locaties in de film na te volgen. Dat daarbij het verhaal, voor zover je daarvan mag spreken, in een akelig hoog tempo erdoorheen gejakkerd wordt moeten we maar voor lief nemen. Ondanks al dit theatrale vuurwerk verlang iknog wel eens terug naar de goeie ouwe tijd, toen een musical nog een toneelstuk was met hier en daar wat catchy songs, uitgevoerd door goede acteurs die konden zingen, in plaats van door dansers, die soms kunnen zingen, maar zelden kunnen acteren.
Zo vraag ik mij af voor wie in het publiek de scene waarin de ober Robbie (die Penny zwanger heeft gemaakt) het boek “The Fountainhead” aan Baby/Frances geeft betekenis heeft. In de film was deze scene voor niet-Amerikanen al nauwelijks te begrijpen, in de musical had dit er beter uit gelaten kunnen worden om ruimte te scheppen andere zaken beter uit te diepen. Vooral in het tweede bedrijf werd er weer veel te lang doorgezaagd over de truttigheid van de gasten van Kellerman – hier had het stuk ongetwijfeld aan spanning kunnen winnen door effectief met het rode potlood om te gaan.

Uiteindelijk is het hele stuk eigenlijk gewoon één grote opmaat is tot de laatste scene: het lied “I’ve Had The Time of my Life”. Goed gezongen en gedanst door Martin van Bentem (Johnny Castle), Jette Carolijn van den Berg (Baby Houseman), hoewel het natuurlijk een inkoppertje was: het publiek begon al te klappen toen de eerste tonen klonken. De rest van de cast van 39 mensen, bestond onder andere uit Chris Tates (Jake Houseman) en Anouk van Nes (Marjorie Houseman).

Lars and the Real Girl

Een van de leukste en beste films die ik de laatste tijd gezien heb.

Tussen de films die een Oscarnominatie kregen voor Beste Script was Lars and the Real Girl een buitenbeentje. Want dit is op het eerste gezicht geen film over diepgaande zaken of grote gebeurtenissen, maar een komedie over een simpele ziel die een sekspop bestelt. Dat klinkt toch eerder als een platte Adam Sandler-komedie. (op: nu.nl)

Via het internet komt de eigenaardige Lars in contact met Bianca. Lars nodigt haar uit om zijn familie te ontmoeten. Hij blijkt echter een levensgrote pop mee naar huis te hebben genomen. Zijn familie is geschokt, en als blijkt dat Lars haar als een echt persoon ziet wordt een hulpverlener opgezocht. Op diens advies gaat de familie mee in zijn fantasie. Op miraculeuze wijze weet Bianca ook hun hart langzaamaan te veroveren. (synopsis van filmfocus)

Er valt heel wat te lachen in deze film – ik heb het publiek in het Haagse Filmhuis nog nooit zo uitbundig meegemaakt. Maar de film is volgens mij allesbehalve een oppervlakkige comedie, al kun je hem heel goed zo bekijken. Niet voor niets is het scenario voor de film geschreven door Nancy Oliver, een van de scenarioschrijfsters van de televisieserie “Six Feet Under”. Regisseur Craig Gillespie en acteur Ryan Gosling worden in de verschillende recensies (o.a. in de NRC) aangewezen als de verantwoordelijken voor het slagen van de film. Ik ga daar graag in mee, maar zou het niet kunnen dat de film gewoon veel meer in huis heeft dan het aan de oppervlakte lijkt?

Wat mij betreft lijkt de film daarin op de “Truman Show”. Je kunt de film bekijken op het niveau van een comedie, een ongebruikelijk gegeven is aanleiding voor een aantal hilarische situaties. Bij de Truman Show is dat het gegeven dat de hoofdpersoon zonder het zelf te weten in een reality soap zit en 24/7 op televisie te zien is, bij “Lars” is dat het simpele feit dat een wereldvreemd persoon een sexpop als vriendin heeft.

Er is echter een diepere laag: Bij “The Truman Show” is dat het gegeven dat sommige acteurs echte mensengevoelens voor Truman gaan ontwikkelen, terwijl ze eigenlijk acteur horen te blijven, bij “Lars” is dat omdat Lars zijn dorpsgenoten Lars en zijn “vriendin” accepteren zoals hij is en Bianca zelfs een “personage” wordt die op ziekenbezoek gaat, kinderen voorleest en kleding showt in een kledingmagazijn. En zo gek is dat laatste niet want de film valt onder andere op door een keur aan foute truien die door Lars en zijn dorpsgenoten worden gedragen; daar kan Bridget Jones niet tegenop.

Nog dieper gaat de vergelijking tussen de beide films als je ze bekijkt op het vlak van de ontwikkeling van het individu. Truman vecht zich vrij: hij wil geen veiligheid, maar vrijheid, zelfstandigheid. Lars werkt eigenlijk aan zijn volwassen worden. Bianca is wellicht meer dan zomaar een sexpop – in sommige recensies wordt aangehaald dat Lars geen sexuele gevoelens voor Bianca ontwikkelt en dat de filmmakers dat expres gedaan hebben uit angst een opervlakkige comedie te maken. Maar volgens mij is het een bewuste keuze: Bianca is wellicht geen vriendin, maar een afsplitsing van Lars zelf, bedoelt om hem in een dialoog met zichzelf te krijgen om zijn problemen – o.a. opgeroepen door een te vroeg overleden moeder – op te lossen en zijn verlate “rite de passage” te doorlopen. Niet voor niets blijkt dat Lars in de gesprekken met zijn psycholoog/huisarts steeds meer zijn eigen problemen te projecteren in de vreemde ziekte waaraan Bianca lijkt te lijden.

Sleutelmomenten in de film zijn dan ook het gesprek dat Lars met zijn broer voert (“How did you know that you were a man?” – “You grow up when you decide to do right”) de “ruzie” tussen Lars en Bianca en uiteindelijk natuurlijk de begrafenisscene. Daarna komt de weg vrij voor een echt vriendinnetje voor Lars.

Enige jaren geleden vertelde Youp van het Hek in “Zomergasten” dat hij als kind een gefantaseerd vriendje had gehad. Zijn moeder ging er gewoon in mee. Op een dag moest het van Youp over zijn. Beslist werd dat het vriendje naar een andere stad zou verhuizen en dat er die dag nog even afscheid zou worden genomen. Daarna was er ruimte voor de beide voeten op de grond en is er nooit meer over het vriendje gesproken. Ik ben bepaald geen fan van Youp van het Hek, maar dit verhaal maakte indertijd wel indruk op mij. Net als nu deze film, die duidelijk maakt dat mensen soms hun eigen manieren zoeken om met hun psychische nood om te gaan. En dat dat best goed uit kan pakken als we ze ruimte geven. Een klasse-film, met slechts een geringe achterstand op “The Truman Show”.