Category Archives: Art

Faust bij Het Nationale Toneel

Afgelopen zaterdag Faust I & II gezien bij het Nationale Toneel. Het is min of meer mijn lievelingsboek – ik ben er al vanaf mijn 18e mee bezig, de schuld van mijn leraar Duits die het eerste deel in de les behandelde, en heb het zeker drie keer gelezen, 25 jaar geleden twee keer de beruchte voorstelling van de Appel gezien, vrij kort daarna in Amsterdam naar een uitvoering van de Oerfaust gegaan en ooit de Faust-opera van Gounod gedirigeerd.
Ik had de kaartjes al een tijdje in huis en had me er vreselijk op verheugd. Mijn vrouw zei nog: als het je dan maar niet tegenvalt. Nou dat deed het niet, maar ik heb wel wat kritische nootjes.
Al is er wat mij betreft niets aan te merken op het spel van Stefan de Walle die nog net Guido de Moor niet deed vergeten, maar verder met een consequent volgehouden ironie een grandioze Mefisto speelde; een genot om naar te kijken. Het spel van Jaap Spijkers als Faust was ook in orde, al is het natuurlijk minder een “speelrol” dan de Mefisto, terwijl het in de Volkskrant-recensie geroemde spel van Sophie van Winden (Gretchen/Helena) naar mijn idee iets te veel van die tienermeisjes-maniertjes had, die je tegenwoordig in slecht gespeelde soaps te vaak ziet. Weliswaar niet slecht geacteerd, maar ik erger me nu eenmaal aan een dergelijke speelstijl.
Ik was al een beetje bang voor de vertaling van Jeanine Brogt, zoals ik in mijn aankondiging op mijn Goethe-website al heb geschreven, en die angst bleek helaas vaak terecht. Af en toe geniale vondsten werden te vaak naar mijn smaak afgewisseld met inmiddels al weer versleten mode-woorden en ik vraag me dan ook af, waarom moest er eigenlijk een nieuwe vertaling? Het stuk is inmiddels al zo’n drie keer minstens goed vertaald geworden; waarom niet iets bestaands overnemen en hier en daar verouderde woorden of constructies vervangen? Nu klonk het af en toe als een wat vermoeid op gang komend paard dat zijn cadans maar niet kon vinden.
Zo als bijvoorbeeld het beruchte en in Duitsland tot zegswijze geworden “Das ist also des Pudels Kern”, bij De Appel/C.S. Adama van Scheltema vertaald als “Dat is de kern van deze poedel dus”, maar ja, dat mag kennelijk niet zonder meer overgenomen worden. Dus werd het hier eerst in het Duits gezegd en daarna in het Nederlands. Er werd trouwens wel meer teruggevallen op het Duits – het lied “Meine Ruh ist hin”, een gewoonte die je bij amateur-operettegezelschappen nog wel aantreft – en ook soms op wat Engels. Waarbij ik mij haast te vermelden dat ook De Appel indertijd dit lied in het Duits liet zingen en dat de voorstelling – en natuurlijk ook de vertaling – van HNT zeker niet amateuristisch was, ik had gewoon gehoopt dat het zoveel beter zou zijn.
De metamorfose van poedel naar Mefisto bijvoorbeeld deed mij heimwee voelen naar de geniale vondst van Hans Croiset indertijd, maar we zaten toen nog aan het begin van de voorstelling, dus ik was nog vol blijde verwachting.
Er zaten in de bewerking nog wat rare Querstanden, zoals het Engels zingende gospelkoor (waarom?) bij de Prolog im Himmel en toen Euphorion, de zoon van Faust en Helena, die de poëzie in het algemeen (en volgens een mogelijke interpretatie: de dichter Byron in het bijzonder) voorstelt, hier uitgebeeld werd door een Michael Jackson look-alike, die zich na de Moonwalk met een iets te vrij naar Goethe gevonden one-liner “This Is It” in de afgrond stort. Ik heb niets tegen Michael Jackson, integendeel, maar om hem nu als de belichaming van de poëzie (met op de achtergrond het tweedimensionale decor van Arcadië) op te voeren gaat mij wat ver. Al moet ik natuurlijk toegeven dat het publiek het in ieder geval begreep (of juist niet natuurlijk, maar in ieder geval werden Michael Jackson, zijn moonwalk en “this is it” herkend) en dat was wel prettig, want nu werd er tenminste een beetje gelachen in de zaal.
Daarmee kom ik op mijn volgende kritiekpunt: het was zo akelig netjes en bij tijd en wijle vooral “verheven” dat je je afvraagt of kunst alleen voor droogkokers is; het voorspel in het theater (dat ik trouwens wél sterk vertaald vond) zette de toon al voor het dilemma tussen kunst en kitsch, dat dus voor de theaterdirecteur – de kassa dus – niet altijd even gelukkig wordt opgelost.
Was er ondanks deze kritiekpuntjes in de voorstelling toch voldoende over om respect voor te hebben (ik zou er een klein “achtje” voor willen geven) , echt heel storend vond ik het gedrag van musicus Harry de Wit, die de hele voorstelling voorzag van abstracte klanken die de voorstelling een unheimische sfeer meegaven. Dat was weliswaar prima verzorgd – hooguit soms een beetje veel van hetzelfde – , maar hij was hinderlijk in beeld en vond het ook nodig door zijn artistiekerige bewegingen de aandacht van het publiek voor wat op het toneel gebeurde af te leiden. Eén keer stond hij zelfs gewoon in mijn zichtlijn. Dat had, met alle respect voor zijn kwaliteiten, wel wat minder gekund.
Het blijft natuurlijk een prestatie om Faust integraal te doen en er is zeker moeite gedaan het stuk voor ons, 21ste eeuwers, betekenis te geven. Maar ik denk dat er enerzijds niet genoeg geïnvesteerd is in een grootse aankleding, en dat Goethe’s tekst door hier en daar geforceerd eigentijds te maken geweld is aangedaan, waardoor zowel de kenner als de liefhebber (en ik beschouw mijzelf als behorend bij beide categorieën) enigszins teleurgesteld is.

Radio Corona in Odeon, Zwolle

Zaterdag 9 januari was ik in Zwolle, eigenlijk voor iets anders, maar ik besloot er gelijk een weekendje van te maken. Nu moest ik nog een avondbesteding hebben – het werd de theatershow van “De Coronas” in Odeon. Stand-up pop.
Bij het binnenkomen merkte ik al dat dit geen gewoon concert zou worden: bij de garderobe werd gevraagd de mobiele telefoon aub mee te nemen. Da’s nog eens wat anders dan vragen of je hem aub uit wilt zetten, al dacht ik nog dat het garderobe-personeel gewoon geen zin had om verantwoordelijk te worden gesteld voor je mobiele telefoon.

Het podium zag er ook al gelijk verrassend uit: het rekje gitaren links paste nog wel bij wat ik verwachtte (ik had al begrepen dat het om een band ging), maar de vleugel in metalen kist rechts en de zendcabine middenvoor (met het logo “Radio Corona; het station dat naar jou luistert”) gaf aan dat het meer een theatershow zou worden en nauwelijks een concert. De term “Stand-up pop” lijkt me dan ook uitstekend gekozen.

‘Radio Corona’ in de lucht!
Het is zover, de eerste echte theatertour van De Coronas, ‘Radio Corona’, gaat van start! Onder leiding van Peter Heerschop en met regie van Bart Oomen schreven en repeteerden de band hun Stand-up Pop precies op maat voor een fraaie theateravond. Natuurlijk voeren muzikale verzoekjes van het publiek de boventoon, maar om te weten wat de groep nog meer in zijn mars heeft, moet je echt komen kijken! Op 17 september openen De Coronas het theaterseizoen in De Flint, Amersfoort en op 25 september in De Nieuwe Doelen, Gorinchem. Daarna reizen de heren nog het hele land door met ‘Radio Corona’, dus je hoeft ze niet te missen… Kijk hier in de agenda voor alle data en kies je plek!

Direct bij zijn eerste opkomst legde spreekstalmeester Erik Vorstenbosch uit dat je de mobiele telefoon moest gebruiken om verzoeknummers in te dienen, daarvoor was een gratis 0800 nummer ingesteld. Nu was het niet zo dat de band inderdaad alles kon spelen, maar met 5000 nummers op hun repertoire (volgens hun website) kwamen ze toch een heel eind.

Hiermee tillen De Coronas muzikale interactiviteit naar een hoger plan. Welke andere band heeft er 5000 nummers in de vingers en praat er ook nog over met hun publiek?

De Coronas bestaat uit Rias Baarda, Danny ten Have, Axel Lindelauf, Harold Mingels, Hans Vorstenbosch en Erik Vorstenbosch, allemaal rasmuzikanten, hoewel het zingen het hier en daar vooral van enthousiasme en uitstraling moest hebben. “Wat kan die man drummen” riep Erik Vorstenbosch na de zangsolo van Danny ten Have (met background vocals van de overige bandleden) gekscherend, maar met een kern van waarheid. Het spelen was echter hartstikke goed (ik was vooral onder de indruk van multi-instrumentalist Hans Vorstenbosch en het saxofoonspel van Harold Mingels) en het geheel straalde een hoop plezier en energie uit en dat is toch waarvoor je een avondje uit bent.
Een aanrader dus, deze theatershow.

Kerkenpad

Mijn vakantie zit er weer bijna op en wat heb ik mijn tijd nuttig besteed om eens wat fraaie kerken uit het Europees cultureel erfgoed te bekijken. Een beetje vreemd voor iemand die zo’n vierentwintig jaar geleden afstand genomen heeft van alles betreffende geloofszaken, maar net zoals ik nog steeds graag een mooi stukje kerkmuziek hoor, mag ik ook graag een fraai gebouwde kerk binnenlopen.
Het eerste deel van mijn vakantie zat ik in een fraai aangelegd Center Parcs bij het Lac de L’Ailette in Noordoost Frankrijk. Ik heb altijd een beetje een hekel aan Center Parcs, omdat die parken zo zijn aangelegd dat je kinderen geen zin meer hebben om ervan af te gaan. Met de kathedraal van Reims op zo’n 50 km afstand en de kathedraal van Laon nauwelijks tien km bij ons vandaan werd ik daar erg onrustig van; ik begreep al dat Amiens (zo’n dikke honderd km weg, had ik ook willen bezoeken vanwege het Jules Verne-museum) en Beauvais van het verlanglijstje geschrapt moesten worden, of minstens op het lijstje “Someday, Maybe” bijgeschreven.

Met de oude Prisma pocket “De kunst van de gotiek” van Hans Jantzen, dat ik lang geleden al eens gelezen had, bereidde ik mij voor om de godshuizen met kennersblik te kunnen observeren. Eerst maar naar Reims, naar de “Cathédrale Notre-Dame”.

Deze 38 meter hoge kerk is gebouwd in 1211, althans toen is men er naar het ontwerp van Jean d’Orbais aan gaan bouwen. Tot 1825 werden hier alle Franse koningen gekroond, zoals bijvoorbeeld in 1429 toen Jeanne d’Arc aanwezig was bij de kroning van Karel VII.
Helaas behoeft zo’n kerk permanent groot onderhoud, dus ook toen ik er was stond een groot deel van de westzijde in de steigers:

en sommige beelden zijn zo aangetast door het weer, dat zij vervangen worden door copieën:

Door de werkzaamheden stond de deur wijd open, waardoor er van het enigszins blauwgetinte licht, dat volgens Jantzen dankzij de gebrandschilderde ramen heel bijzonder moet zijn (ik dacht bij het lezen hierover aan Goethes “Gedichte sind gemalte Fensterscheiben“), niet veel te merken was: het was gewoon daglicht.
Het bijzondere van de kathedraal is natuurlijk dat de portalen vol beelden en gebrandschilderde ramen eigenlijk zijn als een encyclopedie boordevol informatie over heiligenlevens en heilsgeschiedenis. Ook de drie ramen die in 1971 door Marc Chagall zijn ontworpen passen hierin, al is de vormgeving natuurlijk 20ste eeuws:

Overwegend blauwe kleuren; links de boom van Jesse, in het midden Abraham en Christus en rechts de moderne voortzetting van de boom van Jesse: een kort overzicht van de Franse koningen, vanaf de doop van Clovis; de rol van David en Salomon voortzettend: wijs en rechtvaardig.
De kathedraal van Laon, ook gewijd aan Notre Dame, wilde ik ook graag zien. Het middeleeuwse Laon ligt bovenop een berg – “La Montagne Couronnée” – en de kathedraal zie je al vanuit de verte liggen. Ik ken Laon vooral omdat het beroemd is vanwege het Graduale Laon 239, geschreven rond 930 in de omgeving van de stad en zeer belangrijk voor de meest recente inzichten met betrekking tot de ritmische aspecten van het gregoriaans. De kerk, voltooid in 1235, mag er zijn qua uiterlijk:

maar ook van binnen ziet de kerk er prachtig uit, met een rustgevende soberheid:

Het roosvenster aan de noordzijde heeft de middeleeuwse totaliteit van het menselijk weten, de 7 vrije kunsten, afgebeeld, merkwaardigerwijze in Laon met een achtste uitgebreid: medicijnen. Als je tenminste het centrum: de filosofie, niet meetelt:

Volledig bevredigd keerde ik na mijn week Frankrijk huiswaarts, waar ik één dag de tijd had mijn spullen te pakken voor mijn reis naar Sicilië. Ik heb daar natuurlijk geprobeerd zoveel mogelijk in het spoor van Goethe’s Italiaanse reis te gaan, maar Sicilië heeft ook nogal wat Griekse tempels, waarover niet hier en nu (en misschien helemaal niet en nergens: tijd is prioriteit) en uiteraard de nodige kerken te bezoeken. Al is er nauwelijks gotiek op Sicilië, want dat is nu eenmaal geen typisch Italiaans verschijnsel: volgens de humanisten van de Renaissance betekende gotiek iets als “barbaars”, afkomstig van alles “ultramontani”, maw: de Vandalen, de Hunnen, de Longobarden en de Goten. Toch was er een behoorlijk kerkenpad te lopen, te beginnen in Erice:

Dit oude stadje met een driehoekige plattegrond heeft zoveel kerken op een kleine oppervlakte, dat je je afvraagt hoeveel gelovigen je nodig hebt om die op zondagmorgen allemaal enigszins gevuld te krijgen. De meeste kerken – zoals de Chiesa Matrice, gewijd aan Maria Hemelvaart – vroegen entree en nou ben ik een nogal krenterig type, dus daar ben ik niet in geweest. Wel in de kerk San Cataldo (nr 11 op het kaartje), die kennelijk nog in gebruik is:

Onder het zij-altaar, gewijd aan de H. Familie, stonden een Djembé en een CD-speler, in de doos. Een merkwaardige dissonant in zo’n verder prachtige kerk, maar het geeft tenminste het gevoel dat de kerk nog dienst doet, en dat is ook wat waard.
Het was nog even zoeken naar de Porta Spada (een verwijzing naar de Siciliaanse Vespers van 1282), omdat daar in de buurt zich de Chiesa Sant’Orsola bevindt, waar de 18e eeuwse mysteriën – beelden die op Goede Vrijdag in processie worden rondgedragen. Daar had ik eventueel wel wat geld voor over gehad, maar die kerk was gesloten.

Enige dagen later – ik had wat tijd verdaan met een Griekse tempel in Segesta en gewoon aan het strand van San Vito lo Capo in de zon gelegen (het was tenslotte vakantie) – kwam ik in Caltabellotta. Dit plaatsje is vooral beroemd vanwege de Vrede van Caltabellotta, getekend in 1302 tussen Karel I van Valois en Frederik II van Aragon, die de onafhankelijkheid van Sicilië bekrachtigde. Een interessant en rustig stadje; nauwelijks lastig gevallen door toeristen. Op het centrale plein staat de 16e eeuwse kerk Santa Maria di Monte Carmelo. Bij binnenkomst viel mijn oog onmiddelijk op de schildering boven het hoofdaltaar:

een redelijk exacte copie van het beroemde schilderij uit 1498 van Leonardo da Vinci:

Helaas lukte het mij niet met mijn eenvoudige camera een redelijk heldere opname van deze schildering te maken. 🙁

De volgende interessante plaats was Noto. Deze stad is bij de aardbeving van 1693 min of meer volledig verwoest en is in de 18e eeuw opgebouwd in barokstijl. Imponerend is de aan San Nicolò gewijde kathedraal, waarvan de koepel in 1996 is ingestort.

De herstelwerkzaamheden – uitgevoerd met steun van de UNESCO, dat Noto heeft uitgeroepen tot werelderfgoed – zijn bijna klaar.

Erg fraai in deze kerk vond ik de vier beelden die de vier kardinale deugden representeren:

Prudenza – wijsheid Giustitia – rechtvaardigheid
Fortezza – moed Temperanza – gematigdheid

De laatste dag van mijn Sicilië-reis was voor Palermo. Ik had maar weinig tijd hier, omdat ik er eigenlijk alleen heen moest om de boot te halen die mij naar Genua terug zou brengen. Bovendien is het verkeer in Palermo een hel, dus er moest vooral gelopen worden en voor zover ik er kon autorijden moest het stapvoets.
De kathedraal is gebouwd tussen 1179 en 1185 en van oorsprong Catalaans gotisch. Te groot om in één keer op de foto te zetten:

Het interieur viel me een klein beetje tegen:

maar dat werd later op de dag ruimschoots goedgemaakt toen ik even buiten Palermo de schitterende Dom van Monreale kon bewonderen. Deze kerk is in 1172 gesticht door de Normandische vorst Willem II (1153 – 1189); voor de kerk staat een standbeeld van hem, met in zijn hand een schaalmodel van Monreale, die hij aan God presenteert:

De hele kerk is versierd met Byzantijns aandoende mozaïeken waarvoor zo’n 2.200 kg goud nodig was, die passages uit het Oude Testament verbeelden.

En, in de centrale absis, de Pantocrator, de “Alheerser”, dominerend aangebracht:

In tien jaar tijd gebouwd, en dat allemaal alleen voor het prestige: Willem bouwde de kerk om politiek tegenwicht te bieden aan Walter of the Mill, de Engelse aartsbisschop van Palermo, die zowel geestelijke als politieke macht had. Je zou willen dat er tegenwoordig nog wat eerzucht was: het kan leiden tot grootse prestaties als ze tenminste niet uit afgunst besluiten de boel bij elkaar kapot te schieten.

De gelukkige huisvrouw

Ook ik ging naar de gelukkige huisvrouw.  Ik had eerder geen behoefte aan “Komt een vrouw bij de dokter”, ook zo’n bestsellerfilm die met de nodige publicitaire hijgerigheid was aangekondigd en daar heb ik, denk ik na het zien van de gelukkige huisvrouw zeker te weten, niets aan gemist.

Ten eerste: ben ik nou de enige die Carice van Houten-moe begint te worden? ‘Tuurlijk, ze is best een goede actrice, ze ziet er leuk uit én ze heeft er geen moeite mee uit de kleren te gaan (en dit alles niet noodzakelijk in deze volgorde), maar na haar inmiddels bijna net zo vaak in de bioscoop te hebben gezien als Linda de Mol op televisie heb ik het wel gehad met haar maniertjes die gevaarlijk ergens tussen stoer en ordinair in balanceren.

Ten tweede: bij een bestseller weet je sowieso zeker dat het een beroerd boek betreft – anders kan nooit het volledige Nederlandse volk, dat gewoonlijk nooit een boek ter hand neemt, het willen kopen, laat staan lezen. Een goed boek is al moeilijk te verfilmen, een slecht boek kan dan eigenlijk al geen goed scenario meer opleveren. Maar daar gaat het dan ook niet om, het gaat om het publiek. Het doorsnee-publiek natuurlijk, want dat is de grootste groep. Dus wordt de enige filmster die Nederland momenteel arm is maar weer een keertje gevraagd, opent de film gelijk met een wilde seksscene in het toilet van een vliegtuig – wie droomt daar niet van – en worden wat platte grappen die iedereen kan bevatten van stal gehaald:

“U heeft uw kind in een doos gestopt?” – “Nee, mijn kind komt uit mijn doos”,

antwoordt Lea/Carice,  daarbij, om ook bij de allerdomsten onder ons de grap te laten binnenkomen, een bijpassend gebaar maken richting haar onderkant, want “doos” is tenslotte waar een bepaalde sociale laag van de bevolking sinds enige jaren het vrouwelijk geslachtsdeel mee aanduidt. Het lijkt verdorie “Ranking the Stars” wel – ook zo’n misbaksel van ons-kent-ons oh-la-la amusement. En dan durft de NRC nog te schrijven:

De film bestaat uit een ambitieuze mix van komedie, thriller en drama. De komedie komt voort uit Lea’s grote mond en stoere levenshouding. Omdat haar botte oneliners hier beter zijn gedoseerd dan in het boek, zijn ze ook geestiger; de komische timing van de film is vaak uitstekend.

Eh, juist ja, dat boek is natuurlijk van Heleen van Royen, onze overgewaardeerde nationale stoute meid. Stout zouden we natuurlijk allemaal wel willen zijn, maar er gaapt nu eenmaal een flink gat tussen dream en drive, dus zijn we braaf en lezen we er liever over vanuit onze luie stoel. Van Royen heeft dan ook met dit boek wel 300.000 exemplaren verkocht en da’s een flink aantal.

Haar motto: er is geen trauma zo pijnlijk of het mag niet recht in het gezicht worden uitgelachen

Dat schrijft Het Parool – de krant die naar mijn idee momenteel de beste filmrecensies schrijft en die verder uit de persmap weet te melden dat “De gelukkige huisvrouw” een ‘ironisch drama’ is qua genre.

Verder recenseert NRC:

De gelukkige huisvrouw is een onevenwichtige film, met een prima eerste helft en een minder geslaagde tweede.

Het tweede deel van de film, de opname in de psychiatrische inrichting, wat NRC zo mooi de “Vatersuche” noemt vind ik  juist veel ontroerender, met al die leuke groepstherapie-scènes. Alleen bestaat een dergelijke film al: “One Flew Over the Cuckoo’s Nest (1975)“, een film met meer diepgang en een verfijndere humor – helaas niet geschikt voor de would-be stouterik die het van Van Royens boeken moet hebben.
De gelukkige huisvrouw is een ironisch drama dat, volgens Parool recensent Mark Moorman, ergens tussen ‘ironie’ en ‘drama’ in een spagaat is blijven hangen. Het grootste drama is echter dat film en boek buitensporig veel aandacht krijgen; de ironie is dat de makers er wel weer goed aan zullen verdienen.

Amateurs!

Amateurs! – “een tragikomische kroniek over een niet te stuiten toneelgezelschap”, geschreven door Wannie de Wijn is een hilarisch toneelstuk over een amateurtoneelgezelschap dat eens wat hogerop wilde. Dus werd een professionele regisseur aangesteld om een “echt” stuk te schrijven, geen musical, maar “muziektheater”. Het niveau moet omhoog, maar wat gebeurt is dat sommige spelers het niet kunnen bolwerken, dat het stuk te hoog gegrepen is, waardoor iedereen zich afvraagt wat hij eigenlijk aan het spelen is, de spelers er naar het idee van de regisseur niet voldoende voor gaan en de regisseur naar het idee van de spelers teveel artistiek bezig is met zijn stuk zonder rekening te houden met waar het de spelers om te doen is geweest: plezier in toneelspelen. Dit werd in een van de dialogen tussen de spelers en hun regisseur op het eind van het stuk nadrukkelijk uitgesproken. Zaken die gebeuren en waarschijnlijk herkenbaar zijn voor amateurgezelschappen. Waar nog bij komt dat de regisseur met twee leden verhoudingen heeft.  Een extra hilarisch element was dat in het stuk tijdens de eerste repetitie in de grote zaal van de schouwburg de computer een eigen toneelstuk afdraait waardoor er op de verkeerde momenten rekwisieten naar beneden komen, het licht aan- en uitgaat en muziek klinkt die niet hoort te klinken.

Bij een dergelijke uitvoering  lijkt het mij altijd moeilijk om de juiste maat te houden: het lijkt zo makkelijk om een acteur te spelen die niet kan acteren, maar volgens mij schiet je al snel door als je op het effect afgaat. In dit geval wisten de spelers het voortreffelijk te doseren en het stuk was dan ook de hele avond een genot om naar te kijken.

Ik heb dus twee uur lang geboeid zitten kijken naar deze leuke voorstelling. En toch kan ik het niet laten weer kritiek te spuien op een verschijnsel dat inmiddels in ons uitgaansleven ingeburgerd is geraakt: namelijk het uitspelen van een hele voorstelling zonder pauze. Dit stuk duurde 2 uur en hoewel ik mij geen moment verveeld heb, vind ik dat er best een pauze in had gemogen. Je bent toch een avondje uit? Goede toneelschrijvers wisten vroeger dat je voor de pauze naar een hoogtepunt in de verwikkelingen werkte zodat de toeschouwers in de pauze met elkaar konden speculeren over de mogelijke afloop. Enige jaren geleden moest ik bij de Nederlandse Opera zelfs een Wagner opera zonder pauze uitzitten!

Dat je bij de Pathé bioscopen geen pauze meer krijgt en zelfs je popcorn en chips mee de zaal in mag nemen – hoe spijtig ook – heeft alles te maken met het snel willen rouleren van de bezoekers, veel zalen, veel voorstellingen, veel platte, op het effect gerichte films, veel geld voor een toegangskaartje, hoge winst. Maar ik ga nu juist buiten de deur van dit soort zaken genieten omdat ik er dan meer aandacht voor kan hebben dan wanneer ik thuis met een DVD op de bank ga zitten – ik wil daarna helemaal niet “nog iets aan mijn avond hebben”, maar even over het stuk kunnen doormijmeren.

Helaas schijn ik de enige te zijn die vind dat theatergezelschappen die zichzelf serieus nemen niet zouden moeten toegeven aan het fast-foodprincipe.

Bij amateurvoorstellingen zit gek genoeg wel altijd een pauze: amateurs zijn natuurlijk vrij van de drang om hun stukken voor het geld te spelen; zij spelen voor het genoegen van het spelen. Hoe beperkt amateurs – letterlijk “liefhebbers” – wellicht ook zijn in hun mogelijkheden, professionals zouden vaker naar amateurs moeten kijken of op zijn minst met ze moeten praten om weer eens terug te kunnen naar de basis, naar de reden waarom zij op hun achttiende besloten professional te worden – ooit zijn ze tenslotte ook amateur geweest. Als zij iets van amateurs kunnen leren is het wel dat zij de liefde voor hun kunst wellicht vergeten zijn.

Kunst is helaas verworden tot een massa-consumptie artikel; als kunst niet meer wil zijn dan kortstondig vermaak, zonder noodzaak of op zijn minst wil tot reflectie, kunnen we beter gelijk naar een pretpark gaan. Of naar een amateurvoorstelling – zo slecht is dat niet.

Alex van Warmerdam in Stedelijk Museum Schiedam

Het was puur toeval dat ik een flyer oppikte van de Van Warmerdam expositie in het Schiedamse Stedelijk, want ik wist niet eens dat Van Warmerdam ook beeldend kunstenaar was. Soms heeft flyeren dus zin 🙂
Ik er naar toe, want op “De Noorderlingen” na heb ik al zijn films gezien. Alex van Warmerdam’s schilderijen zijn net zoals zijn films: vervreemdend. Een merkwaardig soort humor, zoals het museum op de website vermeldt:

Alex van Warmerdam
Tentoonstelling. Schilderijen, film, theater
14 februari – 24 mei 2010
Het Stedelijk Museum Schiedam presenteert van 14 februari – 24 mei 2010 de eerste grote tentoonstelling van het multitalent Alex van Warmerdam. Nieuwe ensceneringen van filmfragmenten, beelden uit theatervoorstellingen, affiches, foto’s en maquettes gaan samen met schilderijen, tekeningen, grafisch werk, teksten en ter plekke vervaardigde wandschilderingen. Vier monumentale zalen ontvouwen de gedachtewereld van de maker, vervuld van grimmige humor en absurdistische wendingen.

Ontzettend jammer dat het museum niet zo groot is, in een uurtje liep je er doorheen.

Hoogtepunten vond ik zelf de voetbalspelers in een woonkamer, de koningin tijdens de troonrede met naast haar kapitein Bob en “Man in bos” uit 2000 – hieronder als foto van Bob Goedewaagen uit het Bulletin van het Stedelijk Museum Schiedam.

Jenny Arean en Louis van Dijk

Jenny Arean en Louis van Dijk, twee rasartiesten die beiden hun sporen ruimschoots verdienden maar nog nooit samen in het theater te zien waren. In deze voorstelling zullen deze twee muzikale werelden voor het eerst samensmelten. Dit levert een zeer gevarieerd programma op waarin, naast bestaand materiaal dat nieuwe glans krijgt, ook speciaal voor deze gelegenheid geschreven repertoire zal worden vertolkt.

De volle warme stem van Jenny Arean en het virtuoze spel van Louis van Dijk staan garant voor een avond gevuld met muzikale hoogtepunten.

Tot zover het officiële persbericht. En er staat geen letter teveel in; bij de combinatie Louis van Dijk en Jenny Arean verwachtte ik een goed concert en ik werd niet teleurgesteld afgelopen zaterdag.
Ik vind Louis van Dijk echt een geweldige pianist, die niet alleen lekker Jazz speelt, maar ook met klassiek goed uit de voeten kan – ik denk daarbij altijd aan een televisie-optreden van hem, al een tijd geleden, waarbij hij het 5e Brandenburgse concert van Bach speelde, met de beruchte klavecimbel-cadens op het eind van het eerste deel.
Bij het optreden in de Haarlemse Stadsschouwburg speelde hij een Mozartaria aanvankelijk “klassiek”, liet dat gaandeweg overlopen in een schitterende jazzy improvisatie (waar je Mozart’s melodie gewoon doorheen kon blijven horen) en daarna weer terug.
Jenny Arean staat altijd garant voor een doorleefde voordracht; ja, ik geloof dat dat haar sterkste kant is. Voorbeeld: in de voorstelling zingt zij het nummer “Schoenen” – eigenlijk een soort opsomming van de stadsplattegrond van de omgeving rond de negen straatjes in Amsterdam. Ik denk dat als ik het nummer zou hebben leren kennen door de bladmuziek te lezen, ik het niets zou hebben gevonden, maar met de manier waarop Jenny Arean het zong werd het een juweeltje.
Ik ga hier niet alle songs één voor één zitten recenseren. Heeft trouwens geen zin – er waren geen dieptepunten. Wel was er nog het geinige duet “Griekenland/Veluwe”, waarbij Louis van Dijk liet horen dat hij ook kan zingen. Hij deed dat zeker niet slecht, hoewel ik niet gelijk hoop dat hij zijn pianistencarriere er voor zal inruilen.
Twee grootheden waar ik ook voor beiden afzonderlijk wel het winterse weer (en het achteraf ietwat onnodige weeralarm) voor getrotseerd zou hebben nu samen voor de prijs van één; dat leverde een prachtige avond op.

West Side Story in Fortis Circustheater

Waren er maar meer goede componisten als Leonard Bernstein die zich niet te goed voelden om een musical te schrijven! Dan werden we niet zo overspoeld met al die ellende die we tegenwoordig dankzij Joop van der Ende te zien krijgen. De makers van de moderne musicals denken alleen op de lege huls van een decorontwerp een publiekstrekker te kunnen maken. Wat in feite ook zo is, want de zalen zitten bij al die voorstellingen tot de nok vol (al zijn daar vaak behoorlijk gulle weggeef-acties voor nodig) en die overproductie is er natuurlijk niet voor niets. Nu Shaffy dood is zal “Shaffy, de Musical” wel de volgende melkkoe zijn. Om het maar niet te hebben over de publieks – “op zoek naar Josef/Evita/Mary Poppins” – audities te hebben; wat een aanfluiting overigens voor Willem Nijholt!

West Side Story is anders. Het is dat er zoveel en zo spetterend in gedanst wordt, anders zou je het bijna een opera gaan noemen. Zondag 10 januari zag ik in het Fortis Circustheater een voorstelling in het kader van het 50 jarig jubileum van de Broadway-productie. Wegens enorm succes, heette het op de posters, was de voorstellingenreeks verlengd. Puur volksbedrog natuurlijk, want ik kocht mijn kaartje met korting en als ik even had gewacht had ik nog meer korting gekregen. De zaal was uiteindelijk iets meer dan halfvol – het grote publiek heeft liever een waterhoofd van Lloyd Webber dan een stuk waarin de inhoud belangrijker is dan de verpakking. Aangezien het verhaal gaat over twee jeugdbendes die elkaar het monopolie op een stukje straat bevechten – met dramatische afloop – was het stuk misschien nog wel ongekend actueel, gezien de gebeurtenissen in Culemborg. Iedereen kent natuurlijk wel “I Feel Pretty” en “America”, maar voor sommige songs moet je aanzienlijk meer moeite doen. Zelf vind ik het ongemakkelijk klinkende slotakkoord altijd weer een aangrijpende afsluiting.
trailer: via musical.blog.nl

Het sobere, maar effectieve decor bewijst dat een goed verhaal, goede muziek en – vooral – een goede uitvoering voldoende kunnen zijn. De dans was adembenemend; de zang zuiver en sterk, soms iets te “strak”, te weinig gevoel in de stem. Het duet tussen Maria en Anita (op het eind) helaas juist iets te veel. Het is ook nooit goed 🙂
Ik heb wellicht de film uit 1961 iets te vaak gezien, dan word je een beetje te kritisch. Dan vallen ook gelijk de verschillen op in tekst en volgorde van de songs. Het wikipedia-artikel over de film somt ze keurig op. Maar als film, als musical of gewoon alleen de muziek op een geluidsdrager: West Side Story verveelt nooit.

Dan Brown, de nieuwe Hubert Lampo

Een weekje had ik nodig om de 509 pagina’s van Dan Brown’s nieuwste boek, “The Lost Symbol” uit te lezen. Dat is wel iets langer dan de vijf dagen waarin ik mij in de meivakantie van 2004 door “The Da Vinci Code” heenvrat. Dat boek behandelde echter de graal en dat is een onderwerp waar ik door Hubert Lampo in geïnteresseerd ben geraakt. Over Lampo heb ik al eens geschreven, namelijk bij zijn overlijden in 2006. Lampo had, na een aantal echt sterke boeken een sjabloon gevonden waarop hij al zijn latere en steeds dikker wordende boeken modelleerde. Helaas kwam dat dikker worden de kwaliteit van die boeken niet ten goede en op het laatst (De Elfenkoningin, De verdwaalde carnavalsvierder) werden de verhalen ronduit onzinnig, maar zijn laatste boek, “De Geheime Academie” was eindelijk weer eens “een èchte Lampo”, zoals ik op 22 mei 1994 in mijn boekenschriftje noteerde. Aangezien dit boek geïnspireerd was op “The Holy Blood and the Holy Grail” van Michael Baigent e.a. ben ik een half jaartje later ook dit boek gaan lezen en ik herkende de thema’s dan ook onmiddelijk toen ik vijf jaar geleden Brown’s “Da Vinci-code” las. Er is nog even sprake geweest van plagiaat, daar heb ik op een ander weblog van mij over geschreven.

Brown’s boek had echter één nadeel, het thriller-genre spreekt mij niet zo aan. Het leest allemaal soepel weg, tussendoor pik je nog wat feitjes over de graal op (en daar was het me uiteindelijk om begonnen), maar vooral op het laatst werd ik er moe van dat steeds een ander personage de dader bleek te zijn.
Ik had dan ook geen behoefte om de andere boeken van Dan Brown te gaan lezen en was aanvankelijk ook niet van plan “The Lost Symbol” te gaan lezen.
Ik kwam ertoe door lezing van een boek over de vrijmetselarij in Leipzig: “Leipzig und die Freimaurer: Eine Kulturgeschichte van Otto W Förster”. Dit boek las ik in samenhang met mijn belangstelling voor de componist Albert Lortzing en, zo gaat dat bij mij, van het een kwam het ander.
Helaas, zoals met dat ook al eens was opgevallen bij de boeken van Nicci French en, ik moet het ook van mijn held zeggen, ook al bij de latere Hubert Lampo, heeft Dan Brown gewoon hetzelfde boek nog eens geschreven, maar dan met andere namen. Zoals “De Volkskrant” stelt in de recensie van Rolf Bos van 19 september 2009, Dan Brown heeft zichzelf geplagieerd.

Enfin, het is The Da Vinci Code goes to Washington. Brown, die in het verleden van plagiaat werd beschuldigd (hij won een aantal geruchtmakende processen), herhaalt nu zelf het kunstje dat hij zo succesvol tentoonspreidde in de besteller uit 2003. Want Mal’akh is Silas, Peter Solomon is de arme Jacques Saunière, die in het vorige boek naakt in een zaal van het Louvre lag, Katherine Solomon is natuurlijk Sophie Neveu en de vrijmetselarij is de Priorij van Sion.

Er valt wel wat over de “vrijmetselarij te leren in dit boek; de Orde van Vrijmetselaren was dan ook positief over het boek. Jeffrey Tyssens, een in de geschiedenis van de vrijmetselarij gespecialiseerd historicus, vindt echter juist dat Brown de plank volledig misslaat waar het de essentie van de vrijmetselarij betreft. Het zou kunnen.
Op pag.31 van de Engelse uitgave geeft Brown een definitie van de vrijmetselarij:

Masonry is a system of morality, veiled in allegory an illustrated by symbols.

Zoveel was mij uit het boek van Förster ook duidelijk geworden. Blijft over het verhaal.
***SPOILER ALERT***
Dat is in ieder geval zo geschreven dat ik er twee nachten wat uurtjes slaap voor heb ingeleverd. Tijdens het lezen voelde ik mij weer als in de goeie ouwe tijd als ik weer een nieuwe “Lampo” onder handen had. Symboliek, een queeste, een mentor en een sluimerende liefde – het zit er allemaal in.
Alleen voelde ik mij verraden op het eind, toen bleek dat Mal’akh eigenlijk dezelfde persoon was als Zachary Solomon, de zoon van Peter Solomon, terwijl eerder toch gesuggereerd was dat hij diens mede-gevangene was, die hij, nadat hij hem het geheim van de pyramide ontfutseld had, had vermoord. De desbetreffende pagina nog eens nagelezen – pag 222 – 223. Tja, uit niets blijkt “Inmate 37” (de latere Mal’akh) en Zachary Solomon niet één en dezelfde persoon zou kunnen zijn, maar de bedoeling van de schrijver is toch wel heel duidelijk dat je een boek lang op het verkeerde been gezet blijft, tot de onthulling op pag 448 komt. Flauw, vind ik, want Brown speelt verder in het boek de rol van alwetende verteller. Maar dat soort spelletjes is kennelijk eigen aan het genre waarin Brown verder zo succesvol is – en waar ik nu net géén liefhebber van ben. Maar, zoals bij “The Da Vinci Code”, heb ik het Dan Brown vergeven: “The Lost Symbol” is een heerlijk boek, dat je een paar uren laat leven in een andere wereld.

Jeugdtheaterschool Rabarber speelt “Sjakie”

Tweede kerstdag was de première van “Sjakie en de Chocoladefabriek” door theaterschool Rabarber. Nu zijn we wat betreft dit leuke verhaal van Roald Dahl enigszins verwend door twee verfilmingen (1971 en 2005), dus het was erg spannend om te kijken wat daar in een theatervoorstelling van overblijft.
Het viel me zeker niet tegen, al zou je me ervan kunnen beschuldigen dat ik bevooroordeeld ben, omdat Roosmarijn erin meespeelt – als Oompa-Loompa. Maar de jeugdige spelers wisten uitstekend raad met hun verschillende rollen en, in het geval van de vertolker van Willie Wonka, flinke lappen tekst. De transformatie van Violet Beauderest in een bosbes was misschien het minst geslaagd, omdat dit gewoon te lang duurde, maar daar stonden talloze leuke vondsten van regisseur Wim Serlie tegenover, zoals de eekhoorntjes-scene.
Met elf voorstellingen tussen 26 en 31 december (twee per dag, behalve oudejaarsdag) en alles in een uitverkocht Spuitheater, heeft Rabarber een gouden greep gedaan met dit stuk.