Faust bij Het Nationale Toneel

Afgelopen zaterdag Faust I & II gezien bij het Nationale Toneel. Het is min of meer mijn lievelingsboek – ik ben er al vanaf mijn 18e mee bezig, de schuld van mijn leraar Duits die het eerste deel in de les behandelde, en heb het zeker drie keer gelezen, 25 jaar geleden twee keer de beruchte voorstelling van de Appel gezien, vrij kort daarna in Amsterdam naar een uitvoering van de Oerfaust gegaan en ooit de Faust-opera van Gounod gedirigeerd.
Ik had de kaartjes al een tijdje in huis en had me er vreselijk op verheugd. Mijn vrouw zei nog: als het je dan maar niet tegenvalt. Nou dat deed het niet, maar ik heb wel wat kritische nootjes.
Al is er wat mij betreft niets aan te merken op het spel van Stefan de Walle die nog net Guido de Moor niet deed vergeten, maar verder met een consequent volgehouden ironie een grandioze Mefisto speelde; een genot om naar te kijken. Het spel van Jaap Spijkers als Faust was ook in orde, al is het natuurlijk minder een “speelrol” dan de Mefisto, terwijl het in de Volkskrant-recensie geroemde spel van Sophie van Winden (Gretchen/Helena) naar mijn idee iets te veel van die tienermeisjes-maniertjes had, die je tegenwoordig in slecht gespeelde soaps te vaak ziet. Weliswaar niet slecht geacteerd, maar ik erger me nu eenmaal aan een dergelijke speelstijl.
Ik was al een beetje bang voor de vertaling van Jeanine Brogt, zoals ik in mijn aankondiging op mijn Goethe-website al heb geschreven, en die angst bleek helaas vaak terecht. Af en toe geniale vondsten werden te vaak naar mijn smaak afgewisseld met inmiddels al weer versleten mode-woorden en ik vraag me dan ook af, waarom moest er eigenlijk een nieuwe vertaling? Het stuk is inmiddels al zo’n drie keer minstens goed vertaald geworden; waarom niet iets bestaands overnemen en hier en daar verouderde woorden of constructies vervangen? Nu klonk het af en toe als een wat vermoeid op gang komend paard dat zijn cadans maar niet kon vinden.
Zo als bijvoorbeeld het beruchte en in Duitsland tot zegswijze geworden “Das ist also des Pudels Kern”, bij De Appel/C.S. Adama van Scheltema vertaald als “Dat is de kern van deze poedel dus”, maar ja, dat mag kennelijk niet zonder meer overgenomen worden. Dus werd het hier eerst in het Duits gezegd en daarna in het Nederlands. Er werd trouwens wel meer teruggevallen op het Duits – het lied “Meine Ruh ist hin”, een gewoonte die je bij amateur-operettegezelschappen nog wel aantreft – en ook soms op wat Engels. Waarbij ik mij haast te vermelden dat ook De Appel indertijd dit lied in het Duits liet zingen en dat de voorstelling – en natuurlijk ook de vertaling – van HNT zeker niet amateuristisch was, ik had gewoon gehoopt dat het zoveel beter zou zijn.
De metamorfose van poedel naar Mefisto bijvoorbeeld deed mij heimwee voelen naar de geniale vondst van Hans Croiset indertijd, maar we zaten toen nog aan het begin van de voorstelling, dus ik was nog vol blijde verwachting.
Er zaten in de bewerking nog wat rare Querstanden, zoals het Engels zingende gospelkoor (waarom?) bij de Prolog im Himmel en toen Euphorion, de zoon van Faust en Helena, die de poëzie in het algemeen (en volgens een mogelijke interpretatie: de dichter Byron in het bijzonder) voorstelt, hier uitgebeeld werd door een Michael Jackson look-alike, die zich na de Moonwalk met een iets te vrij naar Goethe gevonden one-liner “This Is It” in de afgrond stort. Ik heb niets tegen Michael Jackson, integendeel, maar om hem nu als de belichaming van de poëzie (met op de achtergrond het tweedimensionale decor van Arcadië) op te voeren gaat mij wat ver. Al moet ik natuurlijk toegeven dat het publiek het in ieder geval begreep (of juist niet natuurlijk, maar in ieder geval werden Michael Jackson, zijn moonwalk en “this is it” herkend) en dat was wel prettig, want nu werd er tenminste een beetje gelachen in de zaal.
Daarmee kom ik op mijn volgende kritiekpunt: het was zo akelig netjes en bij tijd en wijle vooral “verheven” dat je je afvraagt of kunst alleen voor droogkokers is; het voorspel in het theater (dat ik trouwens wél sterk vertaald vond) zette de toon al voor het dilemma tussen kunst en kitsch, dat dus voor de theaterdirecteur – de kassa dus – niet altijd even gelukkig wordt opgelost.
Was er ondanks deze kritiekpuntjes in de voorstelling toch voldoende over om respect voor te hebben (ik zou er een klein “achtje” voor willen geven) , echt heel storend vond ik het gedrag van musicus Harry de Wit, die de hele voorstelling voorzag van abstracte klanken die de voorstelling een unheimische sfeer meegaven. Dat was weliswaar prima verzorgd – hooguit soms een beetje veel van hetzelfde – , maar hij was hinderlijk in beeld en vond het ook nodig door zijn artistiekerige bewegingen de aandacht van het publiek voor wat op het toneel gebeurde af te leiden. Eén keer stond hij zelfs gewoon in mijn zichtlijn. Dat had, met alle respect voor zijn kwaliteiten, wel wat minder gekund.
Het blijft natuurlijk een prestatie om Faust integraal te doen en er is zeker moeite gedaan het stuk voor ons, 21ste eeuwers, betekenis te geven. Maar ik denk dat er enerzijds niet genoeg geïnvesteerd is in een grootse aankleding, en dat Goethe’s tekst door hier en daar geforceerd eigentijds te maken geweld is aangedaan, waardoor zowel de kenner als de liefhebber (en ik beschouw mijzelf als behorend bij beide categorieën) enigszins teleurgesteld is.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *