Pascal Mercier – Nachttrein naar Lissabon

Mercier’s “Nachttrein naar Lissabon” werd mij op een dag door twee mensen aangeraden. Later las ik een interview met hem in de NRC van 14 september naar aanleiding van zijn nieuwste boek: “Perlmanns zwijgen”. Dat sprak mij aan:

In de tegenwoordigheid leven betekent datgene doen, voelen en zeggen wat met je eigen emotionele identiteit te maken heeft. Het is authentiek leven, dicht bij jezelf blijven. Bij Perlmann is het tegendeel het geval: hij leeft in de blik van anderen, hij is vervreemd van zichzelf. Iemand die in de tegenwoordigheid leeft is innerlijk vrij, kent geen dwang. Hoe groter de innerlijke vrijheid, hoe groter de tegenwoordigheid.

En, over taal:

De meeste mensen hebben een pragmatische verhouding tot taal, ze leren alleen wat ze nodig hebben om zich uit te drukken. Dat een woord op zich iets moois, toverachtigs, iets magisch is, dat weten alleen dichters.

En, helemaal uit mijn hart gegrepen:

Steeds komt Mercier terug op het belang van taal. Iedere ervaring wordt erdoor gekleurd. In zijn aantekeningen schrijft Perlmann over linguistic waste. Linguistic waste is een fenomeen dat ons denken belemmert, het is taalpuin dat ons vergiftigt. We horen alleen nog maar verstarde metaforen, idiote Amerikaanse frasen, iedereen kletst elkaar na. We geloven dat we iets denken, terwijl we in werkelijkheid niet meer doen dan ons naar gangbare vormen schikken. In de krant, op de televisie, nooit lees of hoor je oorspronkelijk taalgebruik. Tegen mijn studenten zeg ik altijd dat ze het woordenboek moeten lezen. Internet is pas echt linguistic waste. (…) We worden allemaal vergiftigd door taalpuin, door verstarde metaforen

“Nachttrein naar Lissabon” is in de eerste plaats een boek over de keuzes die je in je leven kunt maken; je hebt maar één leven. De trein is symbool voor het leven:

Ik woon nu in mijzelf als in een rijdende trein. Ik ben niet vrijwillig ingestapt, had geen keus en weet niet waar we heen gaan…Ik kan de spoorbaan en de richting niet veranderen. Ik bepaal niet het tempo. Ik zie de locomotief niet en weet ook niet of de machinist te vertrouwen is…Wat kan ik doen tijdens de reis? De coupé opruimen. De dingen vastzetten, zodat ze niet meer rammelen…De reis duurt lang. Er zijn dagen waarop ik hoop dat de reis eindeloos zal zijn. Dat zijn zeldzame, kostbare dagen. Er zijn andere dagen waarop ik blij ben met de wetenschap dat er een laatste tunnel zal zijn waarin de trein voor altijd tot stilstand komt.

Gregorius, docent klassieke talen, loopt midden in een les de klas uit, om er niet meer terug te keren. Hij gaat een boekwinkel in en vindt – bij toeval, of is het synchroniciteit? – een boekje van de Portugese arts Amadeu Prado: Um ourives das palavras; “een goudsmit van woorden”. Met hulp van de boekhandelaar vertaalt hij:

Als het zo is dat wij slechts één klein deel kunnen leven van wat er in ons zit – wat gebeurt er dan met de rest?

Gregorius koopt het boek en een cursus Portugees en vertrekt naar Lissabon op zoek naar Prado. Hij neemt de nachttrein, een metafoor voor de donkere staat waarin zijn ziel zich bevindt. Niet alleen ontmoet Gregorius al vrij snel na aankomst alle belangrijke personen uit Prado’s leven, maar ook komt hij al snel terecht bij een arts die hem vol begrip aan een nieuwe bril helpt – een metafoor voor zijn nieuwe kijk op het leven. Dat ligt er allemaal nogal onbevredigend dik bovenop en lijkt in de eerste plaats een kapstok om Mercier’s (of eigenlijk: Peter Bieri’s) filosofische ideeën aan de man te brengen. Authentiek leven, dat is waar het Mercier om te doen is. In dat verband wordt een citaat van uit de Overpeinzingen van Marcus Aurelius aangehaald:

Zondig gerust, zondig tegen jezelf en doe jezelf geweld aan, mijn ziel; maar later zul je niet meer de tijd hebben om jezelf te achten en te respecteren. Want één leven slechts, een enkel leven heeft eenieder. Voor jou is het bijna afgelopen en je hebt in je leven jezelf niet ontzien maar je hebt gedaan alsof het bij je geluk om de andere zielen ging…Degenene evenwel die de bewegingen van de eigen ziel niet oplettend volgen, zijn noodgedwongen ongelukkig.

Uiterst mooi vind ik persoonlijk:

Het gloeiende gif van de ergernis:

Als de anderen ons aanleiding geven ons aan hen te ergeren – aan hun driestheid, hun onrechtvaardigheid, hun egoïsme – dan oefenen ze macht ove ons uit, ze zitten ons dwars en knagen aan onze ziel, want ergernis is als een gleoiend gif dat alle zachte, nobele en evenwichtige gevoelens vernietigt en ons van onze slaap berooft. (…) We kunnen er zeker van zijn dat we op ons sterfbe, als deel van de laatste balans – en dat deel zal bitter smaken als cyanide – zullen vaststellen dat we veel, veel te veel energie en tijd hebben verkwist met ons te ergeren en het de ander in een machteloos schijntheater betaald te zetten, terwijl enkel en alleen wijzelf, die er zo zwaar onder geleden hebben, dat weten.

Leuk het schaakcitaat, kennelijk niet van Mercier zelf:

Tartakover werd een keer gevraagd wie hij als de grootste schaker beschouwde. Hij zei: “als schaak een gevecht is – Lasker; als het wetenschap is – Capablaca; als het kunst is – Aljechin”.

Vol verwachting ben ik aan “Nachttrein” begonnen, maar het slappe gefilosofeer viel me nogal tegen; het is vooral New-age-erig. Door het prachtige taalgebruik staat het boek weliswaar hoger dan “De Celestijnse belofte” of Coelho’s “De Zahir”, maar het haalt het niet bij “De schaduw van de wind“, waarin eveneens een zoektocht naar een bijzondere schrijver wordt ondernomen. Er zitten wel mooie passages in, maar het verhaal is nogal onzinnig en de filosofie lees ik liever in een boek over filosofie. Ik zou zeggen: een zeventje.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *