Barok-mafia

Tjongejonge, eindelijk mocht Bernard Haïtink Bach’s Matthäus Passion dirigeren. Daar moest hij eerst 79 jaar voor worden.

Er is dus nog hoop voor me, want, zelf koordirigent, ik heb ook nog nooit de Mattheus Passie gedirigeerd. Behalve dan de Christus-recitatieven, dat is verplichte lesstof voor koordirigenten in opleiding en het slotkoor “Wir setzen uns mit Tränen nieder”. Dat laatste had Haïtink ook wel eens mogen doen, in 1959 bij de herdenking van Eduard van Beinum.

Zo moeilijk is de Mattheus niet om te dirigeren – ik heb voor hetere vuren gestaan en Haïtink zeer zeker ook – maar het is nu eenmaal, sinds Harnoncourt met zijn authentieke uitvoeringen begon, iets waar je niet zomaar meer aan mag komen. Je moet iedere noot tien keer omgekeerd hebben voordat je hem laat spelen. En je moet alles van rhetorica weten, om van de getallensymboliek en authentieke instrumenten maar te zwijgen. Ik had er geen problemen mee: er is meer mooie muziek en Haïtink, ach die hoeft zich over zijn werkgelegenheid al helemaal geen zorgen te maken.

Nu lijken we terug bij af: in Amsterdam mocht Colin Davis – een schitterende dirigent en vooral, in tegenstelling tot barokspecialisten als Harnoncourt en Brüggen: een echte dirigent – komen opdraven en in Boston werd het dus Haïtink. Het moet schitterend zijn geweest. Niet dat ik de authentieke uitvoeringen niet mooi vind,  het is ook zeker goed dat de authentieke uitvoeringspraktijk er geweest is om vastgeroeste zaken van een ander perspectief te kunnen bekijken, maar nu is het welletjes:  er werden de laatste jaren steeds gekkere experimenten gedaan.

Kennelijk is er nu een kentering: er is weer ruimte voor de Mattheus zoals wij 21ste eeuwse muziekliefhebbers hem graag willen horen – en Bach hem misschien graag zou hebben willen horen als hij er de middelen voor had gehad.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *