De goede dood

De voorstelling De Goede Dood, een tragikomisch toneelstuk over een vrijwillig levenseinde, met Will van Kralingen, Huub Stapel, Peter Tuinman, Wilbert Gieske, Hans Thissen en Saskia Bonarius, is genomineerd voor de Toneel Publieksprijs 2007-2008. De Goede Dood is geschreven en geregisseerd door Wannie de Wijn die met dit stuk koos voor één van de meest complexe thema’s van deze tijd: euthanasie. De Goede Dood is een productie van Wallis Theaterproducties. De Goede Dood genomineerd voor Toneel Publieksprijs:

Ik zag “De goede dood” donderdag 27 maart in De Koninklijke Schouwburg. Een voorstelling met humor én diepgang. Die combinatie zie je zelden, de Volkskrant had daar dan ook onmiddelijk kritiek op:

“Te vrolijk toneel over euthanasie raakt realiteit niet”

Tja, dat kan je natuurlijk vinden. Maar misschien gaat het stuk wel helemaal niet, of in ieder geval niet alléén, over euthanasie; daar hoeven we in Nederland toch geen lans meer voor te breken? Ik denk dat het minstens ook ging over emoties die vrijkomen als dingen ongezegd zijn. Zoals bijvoorbeeld de patjepeeërige broer of dochter Sammy die de avond voor het sterven van haar vader nog zegt dat “ze nog zoveel had willen zeggen”. Waarop vader antwoordt dat een heel leven niet genoeg zou zijn om elkaar alles te zeggen. “Het is goed zo”. De goede dood.

De recensie van Cultuurnet weet volgens mij beter de eigenlijke betekenis van het stuk te treffen:

Hoe kan een mens leven met de wetenschap dat een naaste er morgen om dezelfde tijd niet meer zal zijn? Met dit moeilijke gegeven worstelt de familie Keller. De oudste broer is terminaal en heeft gekozen voor een vrijwillig levenseinde. De middelste broer, de zakenman, blijkt steeds minder onkwetsbaar dan gedacht. De jongste toont zijn emoties pas als hij achter de vleugel zit. De ex-vrouw van de zakenman is inmiddels de geliefde van de terminale oudste broer geworden. De dochter kan de zelfgekozen dood van haar vader niet aan. De huisarts tenslotte, al jaren de huisvriend van de familie, worstelt met een groot dilemma.

Waartegenover Vokskrantrecensent Hein Jansen schampert:

Een voorbeeldige terminale zieke dus, die alleen af en toe een kuchje laat horen. Om hem heen cirkelt een vrij uitbundige groep getrouwen: zijn dochter, vriendin, broers en de trouwe huisarts. Allemaal hebben ze het naar hun zin. Er wordt gedanst, er worden liedjes gezongen (Foxy Foxtrot van Nico Haak), drank vloeit rijkelijk en er wordt lekker Chinees gegeten.

En tja, dan gaat de volgende ochtend de man dus gewoon dood.

Zo gewoon gaat-ie niet. Bij alle vrolijkheid die er inderdaad in het stuk is, is het eigenlijke sterven aangrijpend gespeeld. De voortdurend irritant tikkende klok, een door machtsstrijd tussen de twee broers verkregen erfstuk waar niemand blij mee is, geeft een schril contrapunt met de stilte van de familieleden. En ruim een minuut nadat de dood is ingetreden staat de klok stil – de vervulling van de belofte van Ben aan zijn dochter dat hij, als het kon, een teken zou geven dat hij aan gene zijde is aangekomen?

Eigenlijk heb ik maar één kritiekpuntje: het beleid om steeds vaker stukken zonder pauze te laten spelen. Twee uur lang zitten was weliswaar voor deze goed gespeelde voorstelling best uit te houden, maar het valt me op dat, in navolging van veel bioscopen, het gevoel van “uitgaan”  er kennelijk niet meer mag zijn; het in de pauze, die natuurlijk valt op het dramatisch hoogtepunt van het stuk met elkaar speculeren over hoe het verder zal gaan of wat je dan ook in je pauze wilt doen.

Als zelfs theaterbezoek een snack wordt en geen tijd meer biedt voor bezinking, kan ik me voorstellen dat het iemand als Hein Jansen ontgaan is dat de voorstelling meer diepgang heeft dan hij in eerste instantie dacht.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *