10cc in concert

18 Maart naar het concert van 10cc geweest in Theater De Veste in Delft. Het enige minpuntje was het theater, niet omdat het niet mooi is, maar het is wellicht niet zo’n zaal voor een popconcert. Aan de andere kant: de zaal was gevuld met mensen van mijn leeftijd, oudere jongeren dus, die groot zijn gegroeid met de muziek van 10cc. Om die mensen nou de hele avond te laten staan 🙂

Ik herinner me nog dat ik in de tweede klas van het atheneum zat toen “Donna” voor het eerst in TopPop was gezongen. Dat stomme falset-stemmetje hadden wij nog nooit gehoord, dus daar werd de volgende dag uitgebreid op school over gepraat. Achteraf is “Donna” niet het sterkste nummer van de groep, die bestond uit twee sterke songwriter-teams.

Two strong song-writing teams, a commercial team and an artistic team, injected sharp wit to lyrically-dextrous songs. The commercial team (Eric Stewart and Graham Gouldman) were straight pop-song-writers, who created the band’s most accessible songs; the artistic team (Godley and Creme) were the experimental half of 10cc, featuring an Art School sensibility and cinematic writing. Each man was a multi-instrumentalist, singer, writer, and producer, and each could perform as the lead singer. Bron: wikipedia.

Van die oorspronkelijke bezetting is alleen Graham Gouldman nog over. Dat heeft bij sommige mense die ik ken twijfel opgeleverd of ze wel naar het concert zouden gaan: een gemiste kans. 10CC is geweldig goed op het moment, waarin vooral zanger Mick Wilson de show wist te stelen. Niets ten nadele van de rest overigens.

Wat mij vooral opviel was dat het hele concert door enthousiast gemusiceerd werd en zonder ook maar één muzikale steek te laten vallen; het is me althans niet opgevallen. Het geluid was, als gebruikelijk, hard, maar heeft de balans in ieder geval niet verstoord. Een topconcert van een topband.

Film-marathon

Te veel films gezien de laatste tijd om allemaal afzonderlijk te bespreken. En waarom zou ik? Anderen doen dat wellicht beter dan ik. Mijn “Movies I’ve seen” pagina geeft een algemeen overzicht.
Daarom komt hier de korte versie:

1. Milk: fraaie biopic over Harvey Milk. Sean Penn slaagt erin een geloofwaardige homo neer te zetten zonder te vervallen in maniertjes.

The story of California’s first openly gay elected official, Harvey Milk, a San Francisco supervisor who was assassinated along with Mayor George Moscone by San Francisco Supervisor Dan White.



2. Doubt: vreselijk tegenvallende film, waarin weer eens de katholieke kerk en op jongetjes geilende priesters het lokkertje zijn. Is het niet een beetje zielig om weer eens het aangeschoten wild af te fikken? Tot overmaat van ramp zit het werkstuk ook nog vol fouten. Okay, Meryl Streep speelt mee, maar beter vond ik Philip Seymour Hoffman als de priester met het menselijke gezicht. De echte glansrol is helaas te klein: Viola Davis als de moeder van Donald Miller.



3.The Curious Case of Benjamin Button: in de eerste plaats een leuke film, die als gedachtenexperiment ook wel aanleiding kan geven tot wat gefilosofeer over de zin van het leven;zoals bijvoorbeeld ook “Jack” uit 1996.



4.Kan door huid heen.Prachtige film.

Marieke (Rika Lodeizen), dertig plus, zojuist verlaten door haar vriend, wordt aangerand. Om te herstellen, vlucht ze weg uit de grote stad. Ze betrekt een vervallen boerderij in Zeeland – die symbool staat voor haar geestestoestand. In een donkere kruipruimte ontdekt ze een geweer. Met verbluffende snelheid en zelfverzekerdheid weet regisseuse Rots de kijker te installeren in het hoofd van Marieke. Tolt Marieke, dan tolt de camera mee. En als Marieke denkt, hóórt de kijker haar ook denken. Met hulp van Rifka Lodeizen, die fysiek zeer sterk acteert, slaagt Rots erin om de kijker Marieke te laten voelen.

Eén zwakke plek: de muziek van Dan Geesin. Eenvoudig en toch smakeloos, maar vooral vreselijk slecht uitgevoerd.



5. Revolutionary Road:

Eind jaren vijftig, Amerika floreert. Frank en April Wheeler zijn een jong, aantrekkelijk en veelbelovend stel. Ze hebben twee leuke kinderen en wonen in een welvarende buitenwijk ergens in Connecticut. Maar gelukkig, of zelfs maar tevreden zijn ze niet. Frank heeft een saaie kantoorbaan, April treurt om een gefnuikte carrière als actrice. Ze waren toch voorbestemd om anders te zijn, beter? In een uiterste poging aan hun gezapige burgerbestaan te ontsnappen besluiten ze naar Frankrijk te gaan. In Europa zullen hun bijzondere gaven zich wel kunnen ontwikkelen, ver van de oppervlakkige consumptie maatschappij die Amerika in hun ogen is. Hun relatie verzandt echter in eindeloos gekibbel en jaloezie, en een drama lijkt onafwendbaar.

Mooiste rol is weggelegd voor Michael Shannon als “kinderen en gekken spreken de waarheid” John Givings, met een aantal fraaie one-liners, waaronder deze

Hopeless emptiness. Now you’ve said it. Plenty of people are onto the emptiness, but it takes real guts to see the hopelessness.

Distler's "Totentanz" bij Haarlems Kleinkoor


Distler’s Totentanz werd op 1 februari door het Haarlems Kleinkoor uitgevoerd. Daar moest ik naar toe: Hugo Distler is wellicht in het pantheon van componisten een “Kleinmeister”; voor koren heeft hij prachtige muziek geschreven. Behalve dit werk voerde het Kleinkoor ook de Musikalische Exequien van Heinrich Schütz (1585-1672)uit mmv vocale solisten en instrumentalisten.
Voor de Totentanz had het koor een beroep gedaan op de medewerking van studenten van theateropleiding DNA om de verbindende teksten te spelen. Op de CD die een aantal jaar geleden door het Nederlands Kamerkoor is uitgebracht zijn die teksten overgenomen uit een radio-opname van Radio Bremen uit 1967. Met de acteurs, die de teksten bovendien in vertaling brachten, kreeg het werk een heel andere dimensie.
Het Haarlems Kleinkoor heeft zich grondig in het werk verdiept, zoals blijkt uit de schitterende website vol achtergrondinformatie. Het resultaat mocht er zijn: een koor met een schitterende klank (waaraan de mooie akoestiek van de Haarlemse Oosterkerk nog eens een extra steentje bijdroeg) en alles loepzuiver gezongen.

Contrapunt

Gelijk na het lezen van “De wet van Spengler” begon ik in Anna Enquist‘s “Contrapunt””. Een zelfde soort boek vanwege de psychologie van het verwerken van het overlijden van een geliefd familielid (in het geval van “Contrapunt” Enquist’s dochter die in 2001 bij een verkeersongeval om het leven kwam), maar heel anders vormgegeven. Enquist beschrijft herinneringen aan haar dochter aan de hand van Bach’s “Goldbergvariaties”. Bach zelf schijnt die variaties te hebben gecomponeerd om het verlies van zijn zoon Bernhard te kunnen verwerken. Daar had ik nog nooit van gehoord, maar ik neem het op gezag van Anna Enquist graag aan.

Het boek leek mij interessant, niet in de laatste plaats omdat ik zelf musicus ben en erg van Bach’s werk houd. Ik werd niet teleurgesteld.

Enquist heeft ieder hoofdstuk steeds uit drie delen opgebouwd: als eerste beschrijft ze de variatie, waarvan het begin ook in noten staat afgedrukt. Die beschrijvingen zijn soms behoorlijk technisch, o.a. door het gebruik van vaktermen – het schijnt echter dat dat voor de muzikaal ongeschoolde lezer geen bezwaar is; althans dat vond mijn literaire vraagbaak Kees van der Pol op scholieren.com, die schrijft:

De samensteller van dit leesverslag is geen expert op het gebied van muziek, maar dat hinderde niet om van de gehele compositie te genieten.

Hoewel er natuurlijk ook andere meningen zijn, bij voorbeeld die van Janet Luis in de NRC:

(…) het is jammer dat het hoofdstukjes apart blijven met een notenbalk erboven (de eerste drie maten van elk van de 32 onderdelen van de Goldbergvariaties) en soms net iets te veel theorie: de halve secunden, de neerdalende sequensen, de gepuncteerde ritmes, dubbelslagen en voorhoudingen halen de vaart uit het verhaal, zeker als je, om het wat concreter en hoorbaarder te maken, een cd met Goldbergvariaties erbij opzet.

Ja, misschien moet je die CD er niet bij opzetten, maar lekker achteraf beluisteren. Als getraind notenlezer heb ik natuurlijk makkelijk praten, maar ik had voldoende aan die eerste drie maten om mij een voorstelling te maken van de variatie (die ik als luisteraar niet heel erg goed kende) en de bijpassende beschrijving.

Daarna beschrijft Enquist een gebeurtenis uit het gezinsleven met daarin overwegend de dochter als centrale persoon. Niet zelden wordt er een parallel getrokken met de betreffende variatie, waardoor Bach’s werk bijna iets programmatisch krijgt. Laat ik wat citeren uit de NRC recensie:

Een vierstemmige fuga herinnert haar aan de vroegere vierkoppigheid van het gezin. De heldere lijnen van de derde canon doen haar denken aan haar dochter toen ze twaalf was en nog net niet in de puberteit. De onrustige noten in variatie 17 voeren haar naar de Zweedse hooiberg met ritselende muizen, waarin haar dochter ooit sliep met een vriendje.

En tenslotte volgt er vaak een bespreking van Enquist eigen gevecht met Bach’s noten, hoe studeer je zo’n werk in, wat gebeurt er allemaal met je als musicus, zelfs als je een afgestudeerd pianist bent, voor je zo’n stuk kan spelen? Een groot fragment, waarin de pianiste en de psychologe Enquist samenkomen:,

Pianospelen was biologie, fysiologie, neurologie. Je had maar een oppervlakkig idee van wat er in je hersenen gebeurde als je aan het spelen was. Je was aan het inprenten, onthouden, anticiperen. Je was aan het voelen en vormgeven. Dat wist je wel. Onder het schild van cognitieve en emotionele bedrijvigheid vonden andere, geheime processen plaats. Gebeurtenissen, met hun concrete verloop in tijd en ruimte, kon je vatten in taal, omkleden met gedachten en gevoelens. De chemische vertaling ontging je, al speelde die zich af in het centrum van je brein. De vrouw had zich verdiept in de neurochemie van het trauma. Wat zich in het leven voordeed als een ramp, luidde in de hersenen een bombardement in dat geheugencircuits, synapsen en verbindingen voorgoed vernielde. Een catastrofe luxeerde een cortisolwaterval die een destructie zonder weerga teweegbracht. Je voelde dáár niets van. Beetje trillerig misschien. Van slag. Niet alsof iemand met fileermessen in je hoofd tekeerging.

Wat kon je doen? Hoe moest je beginnen om de losgeraakte verbindingen te herstellen? Was het mogelijk om enige orde in de aangerichte chaos te bewerkstelligen?

Spelen. Pianospelen hielp. Door het moeizame, zo oplettend mogelijke, repetitieve studeren weefde de gewonde pianist geduldig aan de verbinding tussen beide hersenhelften. Elke dag weer werden er vezels toegevoegd, diep onder in de hersenen, en groeide de hippocampus, de verborgen brug die door de vloed was weggeslagen. Volledige restauratie was niet haalbaar, was misschien ook niet gewenst. De vernielingen die het trauma had aangericht bleven zichtbaar, als stille getuigen. Door het pianospelen bouwde je een loopbrug, een wankel plankier dat je in elk geval in staat stelde te midden van de verwoestingen rond te lopen en het verkrachte gebied in zicht te krijgen.

Ik heb zelf het meest van deze passages genoten, gek genoeg lees ik daar in de recensies niets over terug. Ik ben het dan ook volstrekt oneens met Alle Lansu, de recensent van Het Parool, die schrijft:

Het is op zichzelf een verdienste dat Enquist de op de loer liggende pathetiek heeft weten te omzeilen.
Maar de manier waarop ze afstand houdt door te spreken van ‘de vrouw’, ‘de moeder’ en ‘de dochter’, komt nogal krampachtig over, en is op den duur irritant afstandelijk.
Vermoedelijk uit angst voor melodrama is Enquist hier in het andere uiterste verzeild. Het levensverhaal van haar dochter blijft steken in een braaf verslag. De beschrijving van haar gevecht met de muziek verzandt in saaie technische verhandelingen.

Deze passages zijn juist ongekend persoonlijk, want Enquist geeft ons hier ruimhartig een blik in de keuken van de pianist, die ze zelf is. Dát, meer dan de muziektheorie, is wellicht voor een buitenstaander (die waarschijnlijk denkt dat musici altijd alles “zomaar” kunnen) niet te begrijpen, en moet de reden zijn dat Lansu er zo negatief over doet.

“Contrapunt” is een prachtig boek; het is trouwens ook prachtig uitgegeven. De voorkant met de hand  en de weerspiegeling daarvan in de vleugel alleen kan al aanleiding zijn tot eindeloos gemijmer over de betekenis. Het symboliseert zeker de titel van het boek (Contrapunt betekent “noot tegen noot”, het is de oude techniek van de polyfonie, waarvan Bach de laatste representant en het absolute hoogtepunt was); het symboliseert ook de weerspiegeling van de moeder in de dochter (of de band tussen die twee?). Het symboliseert wellicht ook (volgens Kees van der Pol) de relatie tussen leven en dood. Het boek zelf is niet eenvoudig samen te vatten, omdat het nogal kaleidoscopisch geschreven is; er is geen chronologie. Ook hier gaat Kees van der Pol mij weer uit de brand helpen met zijn voortreffelijk samenvatting op scholieren.com (die man moet docent van het decennium worden):

Hoofdstuk 1: Aria
De vrouw speelt de Goldbergvariaties van Bach: dit stad had ze ook al ingestudeerd toen ze kleine kinderen had. Dat is bijna dertig jaar geleden. Ze neemt nu het stuk opnieuw ter hand. Het spelen van het stuk heeft ook te maken met het oeroude motief van de relatie tussen heden en toekomst. In de Griekse mythologie komt het voor dat je met de rug naar de toekomst staat.
Zo denkt ze de aria van Bach. De eerste en de laatste aria lijken dezelfde te zijn, maar omdat er 30 variaties tussen zitten, is er toch iets met de componist en de vertolker en de luisteraar gebeurt. Het is zo als met het leven: ook iets wat hetzelfde lijkt, is het niet meer omdat de mens in de tussentijd veranderd is.

Ze heeft gelezen dat alles in het leven twee keer gebeurt: eerst als tragedie dan als klucht. Zo heeft ook de pianist Glen Gould de Goldbergvariaties twee keer uitgebracht: aan het begin en het einde van zijn leven, maar in die tussentijd is er veel gebeurd. (1955 en 1982) Hij wordt in zijn laatste optreden bijna een met Bach en daarnaast spelet wanhoop een rol. De aria van de Goldbergvariaties was ook het “liedje van haar en haar dochter” geweest. De wijze Bach had het lied ooit gemaakt voor zijn volwassen zoon Bernard die ook overleden was. Het stuk is dus een mooie schakel tussen hem, de vrouw en haar dochter, die verongelukt is.

Daarna volgen de hoofdstukken met de 30 variaties.
In elk hoofdstuk worden de muziekvariaties doorgenomen en gekoppeld aan herinneringen van de vrouw aan vooral “de dochter.”
Zo beschrijft ze o.a.:
– in variatie 1 : haar 6 jarige dochter die met een volksdansgroepje gaat meedansen
– in variatie 2 : haar 27-jarige dochter die met een vriend door de stad fietst
– in variatie 3 : d e geboorte van haar dochter die met behulp van een verlostang ter wereld moet komen en de ervaring van de vader die negen maanden later zijn kind leert kennen
– in variatie 4 : de moeite die ouders hebben dat hun afgestudeerde kind met een vriendin alleen op vakantie gaat
– in variatie 5: het gezin wordt uitgebreid met een broertje, voor wie het meisje zich ook verantwoordelijk voelt
– in variatie 6 : hoe de kinderen samen goed kunnen spelen
– in variatie 7: de kinderen wonen een concert van hun vader bij en zijn erg trots: ze roepen naar hem
– in variatie 8: in dit stuk bezoekt de dochter een therapeute die haar moet duidelijk maken hoe ze de taken in haar leven moet ordenen
– in variatie 9: de 12-jarige dochter kiest voor een heel andere school dan haar ouders willen en ze blijkt snel te wennen en vriendinnen te maken
– in variatie 10: de vakanties die ze met vrienden die ook twee kinderen (een jongen en een meisje hebben) de vier kinderen kunnen goed met elkaar opschieten
– in variatie 11: een variatie waar de moeder tegen opziet loopt parallel met een hoofdstuk waarin over sporten wordt gesproken: de zoon gaat voetballen en de dochter wil op roeien, maar vermaak en lok staan boven een gerichte prestatie
– in variatie 12: gaat over de puberteitshouding van de dochter die op school geen Latijn en Grieks maar wiskunde wil, die in d e vrije tijd niet in een verpleeghuis werkt, maar in een restaurant. Kortom, de dochter die haar vrijheid wil bevechten
– in variatie 13 wordt een bezoek aan de specialist beschreven die onderzoekt wat de toestand van de dochters stembanden is. De dochter is dan 24 jaar. Ze heeft een genetische afwijking, waardoor ze beter geen professionele zangeres kan worden; als amateur kan ze best in een band blijven zingen, maar z e moet oppassen voor knobbels op haar stembanden. Na twee jaar legt de dochter zich neer bij de situatie.
– Variatie 14: in deze passage ontmoet de moeder een vriendin van haar dochter die in retrospectief opzicht vertelt hoe populair de dochter op school was. In de voorlaatste klas was ze uit op de knapste jongen van de school en ze wist hem te versieren. Het was aanvankelijk een droompaar, dat later uit elkaar ging.
– Variatie 15 is de eerste Goldbergvariatie in mineur in het stuk. Mooi is dan de parallel te zien die in de inhoud van het leven van de dochter komt. Ze komt voor het eerst met de wrede wereld in aanraking: haar relatie raakt uit; ze hoort van slechts nieuws in haar omgeving van vrienden en vriendinnen, wil iedereen helpen, maar weet niet hoe ze het moet aanpakken. Radeloos is ook de moeder die haar dochter niet kan leren hoe je met dit soort verdriet om moet gaan.
– In Variatie 16 wordt de eerste ouverture in de variaties gegeven. Dan is er ook weer een vergelijking met de inhoud: ouverture is iets nieuws en er komt dan een nieuwe episode in het leven van de dochter: ze gaat het huis uit en gaat het huis met een paar andere meisjes bewonen. De dochter vraagt aan de moeder of ze boos is. De moeder weet dat het een stadium in het leven van elk mens is.
– In variatie 17 gaat de dochter met een vriend terug naar een adres in Zweden, waar ze vroeger met haar ouders kwam: ze logeren in een open hooiberg
– Variatie 18: de dochter heeft schulden gemaakt en de moeder maakt alles weer in orde met de bank
– In variatie 19 mag de dochter een optreden met haar band verzorgen in een concertzaal tijdens een boekenprogramma; de dochter maakt indruk zeker met een solonummer.
– In variatie 20 hoort de moeder van de zoon hoe zijn zus in een gemeenschap in Zweden woont; hij heeft met haar op de kamer geslapen en een leuke tijd meegemaakt
– In variatie 21 denkt de moeder aan haar 26-jarige dochter die soms doelbewust afstand van haar neemt. Ze meent in een andere jonge vrouw haar dochter te zien
– In variatie 22 gaan ze met zijn vieren op jonge leeftijd met de rugzak om trekken tijdens de vakantie
– In variatie 23 viert de moeder met haar tienjarige dochter het feest van het licht, Lucia. Ze bakken luciabroodjes, wat een Zweeds ritueel is.
– In de 24e variatie is het gezin op wintersportvakantie. De dochter valt en breekt haar been. De moeder moet opnieuw afscheid nemen van haar dochter , vlak voor de operatie. De dochter krijgt een pen door de knie en zal drie maanden moeten revalideren
– In variatie 25 verdiept de vrouw zich eerst in de dood van Bach: hij heeft suikerziekte (ouderdoms-) opgelopen, maar het werd in die tijd niet onderkend. Daaraan sterft hij als een Middeleeuwer. In dit hoofdstuk wordt de moeder zelf ook ziek en naar het ziekenhuis gebracht, terwijl de vader in het buitenland werkt. De dochter is zeven en moet op haar broertje passen. Ze worden wel geholpen door de omgeving (buurvrouw, schooljuf)
– In de 26e variatie is de dochter als 22-jarige voor het eerst op vakantie met een vriendin. Bij thuiskomst blijkt dat de twee vriendinnen ruzie om een jongen hebben gekregen. De dochter heeft hem gezoend, wat niet mocht van de vriendin. Het is tot een breuk tussen die twee gekomen.
– In de 27e variatie wordt de laatste canon opgenomen. De vrouw gaat met haar dochter naar de bioscoop. De moeder heeft weer zo’n gevoel van niet willen loslaten.
– Variatie 28: waarin de vrouw nadenkt over de invloed van Bach op zijn navolgers. In het leven van haar dochter en zoon is ook een belangrijk punt: ze studeren beiden af. Daarna is het feest met veel gedans en gezang. De vader en de moeder zijn trots op de kinderen. In de moeder zit reeds een gevoel van paniek.
– In variatie 29 moet de dochter na haar afstuderen nadenken over wat ze wil gaan doen: ze neemt een tijdelijk baantje, een tijdelijke minnaar en gaat daarna met vriendinnen op vakantie. In de muziekvariatie is Bach flink tekeer gegaan alsof hij een woede van een soort trauma moet afreageren. De dochter heeft ontslag genomen en gaat werken als lerares en programmamaakster op de televisie. Ze zal morgen voor de laatste keer op haar racefiets naar haar kantoorbaan fietsen. Uit het rechtbankrapport reconstrueert de moeder de dood van haar dochter: een dodehoek-ongeluk van een vrachtwagen die rechtsaf slaat, waardoor ze hersenletsel oploopt. De moeder is op vakantie op dat moment.
– In variatie 30 denkt de vrouw aan Bach die terwijl hij op reis was (zie variatie 29 voor de parallel) hoort dat zijn eerste vrouw overleden is. Daarna hoort hij dat zijn zoon Bernard ook aan een koortsaanval overleden is. Bach sluit zich op en begint aan de Goldbergvariaties. Die poging moet hem voor krankzinnigheid door zijn verdriet behoeden. De vrouw beseft dat de 30e variant er één van afscheid nemen is.
Het laatste hoofdstuk heet Aria da capo.
De vrouw is klaar met het instuderen. Ze heeft alle aantekeningen op haar muziekpapieren aangebracht: haar potloodje is versleten. Het is haar gelukt ondanks haar trauma om alles voor elkaar te krijgen. Ze moet daarbij ook denken aan de lijst met de laatste dingen die ze moest doen, nadat ze had gehoord dat de dochter dood was. ze moet al afscheid nemen van voorwerpen van haar dochter, de geur van haar is er al niet meer. Alleen in de muziek kan ze het onbeschrijflijk verlies onder woorden” brengen. In taal lukt het niet. In de allerlaatste regels gaat de moeder de laatste klanken spelen: ze gaat het voor de dochter spelen. Ze ziet het kind voor zich. “Het is ons lied”zegt de dochter en de moeder speelt.. Nu speelt ze en altijd speelt de vrouw de aria voor haar dochter.

Nu ik al zoveel bij elkaar gepikt heb voor deze bespreking wil ik graag afsluiten met nog één diefstalletje (het pleit hopelijk voor mij dat ik het steeds eerlijk toegeef): de prachtige prent die Peter van Dongen van Anna Enquist maakte als illustratie voor de NRC-recensie. Ik beschouw het als kunst.

De wet van Spengler

Tijdens mijn geregelde strooptocht door boekhandels zag ik enige tijd geleden alweer “De wet van Spengler” liggen. Het trok onmiddelijk mijn aandacht vanwege de naam “Spengler”, ik associeerde onmiddelijk met Oswald Spengler, de schrijver van het grootse “Der Untergang des Abendlandes”. Dit boek heeft mij geïnspireerd om, als daarom gevraagd wordt, de naam “Spengler” als 2e naam achter mijn internet-alias “Kuehleborn” te plaatsen, bijvoorbeeld in Second Life.
De naam trok mij dus – ja er moet toch iets zijn waarom je naar een boek grijpt. Helaas, er was geen verband, dus ik legde het terug; het boek leek mij niets.

Enige tijd later kreeg ik het voor mijn verjaardag, van vrienden die weten wat goede literatuur is. Inmiddels heb ik het gelezen en het is prachtig.

Voor de inhoud maak ik graag schaamteloos gebruik van het voortreffelijke boekverslag van docent Kees van der Pol op scholieren.com.

Samenvatting van de inhoud
Proloog
In de proloog reist de ik-verteller vanuit Roemenië naar Twente: (per vliegtuig en per trein)
Eigenlijk hoort de proloog achter deel 2. Hij eindigt met een brief van zijn nichtje Louise die graag met de verteller naar Parijs wil: zie deel II.

Deel I Masray, 1970
Dit deel geeft een aantal fragmenten uit het leven van de jonge Frederik Spengler. Hij is nog maar een jongetje van zes/zeven jaar en hij begrijpt een heleboel zaken nog niet. Zo wordt hij van school gehaald om een nieuw broertje of zusje te kunnen begroeten, maar ineens wordt er niet meer over gesproken. Ook wordt verteld over zijn zieke vader Pol (die mogelijk een echte Stradivarius had bezeten) maar hij mag niet in de kamer komen waar hij ligt. Wanneer hij toch een keer in de kamer gaat, ziet hij dat hij leeg is. Dan worden de vier broers door hun moeder op de trein gezet naar Twente, waar de grootouders Dupont hen van de trein halen. Ze hoeven niet naar school en beleven een prachtige tijd bij de steenrijke grootouders. Opnieuw zijn de hoofdstukken wat fragmentarisch: zo voert Frederik de kippen met zijn opa wat hem een leuke herinnering bezorgt ; de gewoonten van de familie Dupont zijn die van de rijke industriëlen met een flinke borrel op zijn tijd.
Opa en oma waren van de generatie die de gewoonte had vanaf vier uur ’s middags whisky’s, gin-tonics of portjes te drinken. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd er gerookt, opa sigaren en pijp, oma Lucky Strikes, en de asbak in de auto stond bol van de peuken en as.’
Frederik mag op jonge leeftijd ook al golfen en wanneer hij een keer met zijn bal een ruit inslaat, vindt zijn opa dat een “nice shot.” Ook is opa enigszins bezeten van de oorlog en hij laat de broers de onderduikkamer zien, waarin alles heel goed georganiseerd was en je de oorlog gemakkelijk ondergedoken kon doorbrengen.
Frederik beseft ook dat je het bloed van de Spenglers altijd in je genen blijft houden, waar je ook over de wereld heentrekt: ‘Ik kon naar de andere kant van de wereld verhuizen, in een holle boom bij de Papoea’s gaan wonen en de rest van mijn leven eiwitrijke wurmen op mijn tong laten smelten, mijn genen en ingesleten hebbelijkheden bleven me verraden’.

Na een tijdje moeten de broers weer naar huis en dan komt er toch een nieuwe baby, het broertje Boris. Daarna wordt vader weer opgenomen in een inrichting en mag Frederik een keer met zijn moeder op bezoek. Ze zijn nauwelijks thuis of vader is dood: hij is formeel van een brancard gevallen, maar gezien het aantal toespelingen van Frederik in deel II op het fenomeen zelfmoord, lijkt het waarschijnlijk aan te nemen dat vader Pol zelfmoord heeft gepleegd, omdat hij depressief was. Frederik krijgt via zijn opa Dupont tekenles van tante Eliane. Hij heeft een leuke tijd met haar en met zijn opa, die op een zeker moment ook dood gaat als gevolg van een auto-ongeluk. Na de begrafenis is de toch wat afstandelijker oma Dupont vol lof over opa. Frederik heeft behalve verdriet om het verlies van zijn opa ook verdriet over het verdwijnen van zijn vriendje Tijn. Het was zijn eerste vriendschap en Tijn moet meeverhuizen met zijn ouders. Een derde groot verdriet is het sterven van een duif van Frederik. Daarmee wordt deel I afgesloten.

Deel II begint in 2006 in Roemenië, waarnaar Frederik met zijn vrouw Gabriella is verhuisd. Julius de oudste broer komt op bezoek en alles staat in het teken van de jacht, een hobby en een tijdverdrijf waar de Spenglers zich met gretigheid aan over geven. Maar Julius voelt zich niet lekker: hij heeft steeds koppijn en van de afgesproken jachtpartij bij één van zijn zakenrelaties komt weinig terecht.
Gabriella is de dochter van een rijke, maar door het regime verdreven familie. Waar in Nederland de verhoudingen tussen baas en knecht zijn verdwenen, is die relatie in Roemenië nog steeds geldig.
Julius is bang voor een hersentumor en die vrees wordt bewaarheid. Hij wordt snel na het ontdekken ervan geopereerd en wil weer alles gaan doen. Maar de hersentumor lijkt niet de primaire tumor en die moet natuurlijk ook worden opgespoord. Frederik en Balthazar bezoeken Julius ’s nachts in het ziekenhuis: hij zegt dat hij niet bang is voor de dood en dat hij een mooi leven heeft gehad. Hij heeft een vrouw en drie kinderen. Acht weken na de operatie bezoekt
Frederik opnieuw zijn oudste broer: hij nodigt hem uit voor een jachtpartij in Roemenië, maar Julius heeft er niet meer de energie voor. Er komen steeds meer uitzaaiingen (nieren,lever, longen en hersenen) en Julius voert een ongelijke strijd tegen de kanker. Frederik wordt ook de man die moet doorgeven wie er wel en wie niet op visite mogen komen. In maart 2007 wordt Julius 50 jaar en de broers steken paasvuren af. Hij vraagt Frederik om de hoofdspeech op de begrafenis te houden. Verder wil hij wat zaken regelen rondom de erfenis en hij vraagt Frederik met zijn dochters mee te gaan naar Parijs om hen het duurste hotel en de duurste winkels te laten zien. Als teken van afscheid geeft hij zijn broer een kus en Julius doet hetzelfde. Dat was heel ongebruikelijk in de familie van de Spenglers. De mannen moeten zich altijd heel stoer gedragen. Zo is er een flashback waarin het verblijf van de broers op het Schotse eiland Kintra wordt beschreven: hier bedrijven de mannen de hertenjacht.
Frederik gaat terug naar Roemenië en wacht op een telefoontje van zijn moeder. Na haar noodoproep wil hij meteen terug naar Nederland, maar onderweg naar het vliegveld hoort hij dat zijn broer al overleden is. Wanner hij met Tine naar het mortuarium gaat om het lijk te bekijken, beseft hij pas goed dat zijn broer dood is. Hij gaat zijn speech voorbreiden, waarin hij vooral moet gedenken dat Julius heel gelukkig is geweest met zijn vrouw en kinderen. Op de dag van de crematie brengen de vier broers een eresaluut aan het lijk van Julius, waneer de lijkauto de familie komt ophalen. In moeilijke tijden staan de vier broers pal achter hun familie: de wet van Spengler.

Voorin het boek staan twee motto’s, die iets toelichten over de wet van Spengler, die aangeven dat het boek nog een diepere, filosofische laag heeft dan alleen de psychologie tussen twee broers waarvan er één aan kanker sterft. Daarvan spreekt vooral de tweede mij aan: het is vrij lang, dus ik citeer alleen het stuk waar het mij om gaat:

The Dadaïst should be a man who has fully understood that one is entitled to have ideas only if one can transform them into life – the completely active type, who lives only through action because it holds the possibility of his achieving knowledge. (Richard Huelsenbeck, En avant Dada

De filosofie zit ook in het boekje van Epiktetus waaruit Fredrik voorleest aan Tine, inmiddels de weduwe van Julius:

Niet de dingen zelf maken de mensen van streek, maar hun denkbeelden daarover. (…) Daarom moeten we wanneer we gedwarsboomd, verontrust of gekwetst worden, nooit anderen de schuld geven maar alleen onszelf, dat wil zeggen: onze opvattingen daarover. (p. 242)

De wet van Spengler lijkt te zijn dat een familie in moeilijke tijden als één blok achter elkaar staat. Dat blijkt bijvoorbeeld heel mooi bij de crematie van Julius als de overgebleven broers een eresaluut brengen aan het lijk van Julius – schitterend en ontroerend beschreven. Maar wellicht is er ook een wet van Dupont: de familienaam van de moeder die met haar wilskracht de jongens een sterk karakter heeft meegegeven:

Oma Dupont had haar zonen to hockeyen en tennissen aangespoord, mama had vechtsporten geëntameerd. (…)Mama vertrouwde niet al te veel op de medemens, zij had ervaren hoe weinig ruggengraat aanwezig was bij al die gezellige sherrydrinkers. Verder denk ik dat zij het, bij afwezigheid van een vader, wel praktisch vond dat de manlijke agressie gedisciplineerd raakte.
(…)
Iedereen die gehockeyd heeft weet dat je positie voornamelijk wordt bepaald door de moeders die op zaterdag bardienst draaien of op dinsdagavond het clubblaadje nieten.(p. 147)

Hoe zwaarder de tijden, hoe rechter mama liep. Mama had zelf altijd nadrukkelijk op eigen benen gestaan en verwachtte van ons hetzelfde. Ze zou eerder een plee schrobben dan haar ziel verkopen. Haar trots verbood haar bij wie dan ook voor hulp aan te kloppen. Wat niet wegnam dat zij ons leerde hoe we een mes en vork moesten vasthouden. Als we in het weekend of in de vakantie bij onze grootouders in de afbrokkelende wereld der grootindustriëlen belandden, hoefden we haar niet te schande te maken. (p. 150)

Toen Balthazar op het atheneum eens iets had uitgevroten, werd mama bij de rector geroepen. Ze werd binnengelaten, maar kreeg geen stoel aangeboden. De rector zat achter z’n bureau en deed uit de doeken hoe Balthazar zich had misdragen. Mama was gedwongen als een schoolmeisje voor het bureau te staan. Ze was ziedend. Een school die door zo’n ongelikte beer werd geleid kon niks zijn. De volgende dag nam ze al haar zonen van school.
Met de wilskracht van mama en de koppigheid van de Spenglers meenden wij dat wij ons lot enigszins konden vormen. (p. 152-53)

De wet van Spengler gaat daarmee ook over levensstijl, integriteit, trots, volharding. En dat alles in een boek dat heerlijk wegleest en je naar de strot grijpt door de zuivere manier waarop emoties beschreven worden.

Un conte de Noël

Welke dieperliggende gedachten filmmaker Arnaud Desplechin gehad heeft bij het maken van zijn kerstvertelling weet ik niet precies, maar om naar te kijken vond ik “Un conte de Noël” wel een aangename film.
Heel in het kort de beschrijving:

Aanvankelijk hadden Abel Vuillard en zijn veel jongere vrouw Junon twee kinderen, Joseph en Elizabeth. Als blijkt dat Joseph lijdt aan de ziekte van Hodgkin, is hun enige hoop een beenmergtransplantatie. Aangezien niemand geschikt beenmerg heeft, verwekken Abel en Junon een derde kind, Henri. Maar ook Henri blijkt Joseph niet te kunnen redden en Joseph sterft. Vele jaren later draagt de familie Vuillard deze dramatische gebeurtenissen nog met zich mee. De relatie tussen de kinderen zijn uitermate gespannen. Als net voor Kerstmis blijkt dat Junon ook lijdt aan dezelfde kanker als haar overleden zoontje, is voor Henri de tijd gekomen om zijn schuld aan de familie af te lossen. (Filmladder synopsis)

Un conte de Noël is een familiekroniek in de traditie van Thomas Vinterbergs Festen en Familie van Willem van de Sande Bakhuyzen. Met zichtbaar genoegen toont de Franse regisseur Arnaud Desplechin wat bloedbanden zoal vermogen. (Jan pieter Ekker op Cinema.nl)

Ja, maar dan toch vooral “Familie”, want bij “Festen” wordt nog wel duidelijk waarom er wraak moet worden genomen. In deze film begreep ik in ieder geval niet waarom Elizabeth het nodig vond Henry in de ban te doen. Of het zou moeten zijn, zoals het Parool beschrijft, dat het is omdat zij niet tegen hem opkon:

Elizabeth verwijt hem dat hij haar altijd in de schaduw duwde (”Je hebt mijn hele leven gestolen”). Schoonzussen en zwagers worden in de conflicten meegetrokken.

Nou, meegetrokken: de hele familie is in die eis is meegegaan, wat ik eerlijk gezegd ook niet begrijp.
Alleen Elizabeth’s zoon Paul houdt contact en nodigt Henry zelfs uit voor de kerstviering in Roubaix. Nu is die Elizabeth ook een zeer druilerig type, we zien haar in het begin bij haar psychiater zitten en even later in een therapeutisch gesprek met haar vader Abel, die een lang stuk uit Nietzsche’s “Zur Genealogie der Moral” voorleest:

As comfort and chastisement, Abel recites a long passage about the futility of our desire for self-knowledge and our alienation from our own experience.
“We rub our ears after the fact,” Nietzsche wrote, “and ask in complete surprise and embarrassment, ‘What just happened?,’ or even, ‘Who are we really? (movie review The NewYork Times).

Ongetwijfeld is dat alles belangrijk, net als de films waar door de familieleden naar gekeken wordt: The Ten Commandments uit 1956,waar de hele familie naar zit te kijken, Funny Face  uit 1957 (Faunia) en niet te vergeten “A Midsummer Night’s Dream” uit 1935, (Paul) (Bron: IMDB). Midsummer Night’s Dream speelt denk ik wel een grote rol: de muziek die Mendelssohn bij dit stuk schreef horen we voortdurend op de achtergrond (afgewisseld met Scarlatti, wat kerstmuzieken franstalige hiphop) en aan het eind van het stuk zegt Elizabeth min of meer het slot uit Shakespeares stuk op: (ik citeer in de taal van de meester zelf:

If we shadows have offended,
Think but this, and all is mended,
That you have but slumber’d here
While these visions did appear.
And this weak and idle theme,
No more yielding but a dream,

Het is de ietwat chaotische opzet van de film die maakt dat de bedoeling niet helemaal duidelijk wordt en die er misschien niet is. Je kunt er eindeloos over door blijven filosoferen en misschien is één keer kijken ook gewoon niet genoeg.

Met instemming citeer ik daarom nog maar een keer de New York Times-recensie:

Mr. Desplechin has a positive genius for making his carefully structured tales seem breathless and aleatory, as if any given film were plucked almost at random from dozens of other possibilities. The result, in the case of “A Christmas Tale,” is a movie that is almost indecently satisfying and at the same time elusive, at once intellectually lofty — marked by allusions to Emerson, Shakespeare and Seamus Heaney as well as Nietzsche — and as earthy as the passionate provincial family that is its heart and cosmos and reason for being.

Bach's Weihnachtsoratorium

De Nederlandse Bachvereniging voerde olv Jos van veldhoven de eerste drie cantates uit van het Weihnachtsoratorium (BWV 248), de verzameling van zes afzonderlijke cantates die Bach als cantor van de Thomaskirche in Leipzig schreef voor de kerstdagen van 1734/1735.

Alle zes cantates in één concert uitvoeren is een vrijwel onmogelijke opgave, al wordt het ongetwijfeld wel eens gedaan. Ooit hoorde ik er vier op één avond – een hele zit. Tenslotte wordt Bach’s muziek buiten de oorspronkelijke context uitgevoerd – er werd immers één cantate per dag tijdens de liturgie gezongen.

Niet alleen had de Bachvereniging een verstandig besluit genomen door er slechts drie te doen, een goede vondst was het om de cantates af te wisselen met andere (kerst-)muziek, in dit geval “Fröhlich soll mein Herze springen” van Johann Crüger (1598-1662) en “Pastorale” in A gr.t. van Johann David Heinichen (1683-1729). Het laatste vond ik persoonlijk nogal een onbenullig werkje, maar des te imponerender kwam daarna de opening van de derde cantate weer tot zijn recht: hier sprak de meester zelf! Dit effect zou bij achter elkaar uitvoeren van de drie (of meerdere!) delen ongetwijfeld verloren zijn gegaan; er treedt toch een soort gewenning op.

Onder leiding van Van Veldhoven werd alles met vuur uitgevoerd. Soms vond ik de tempi aan de ietwat hoge kant, maar dat zal wel komen omdat ik deze muziek toch hoofdzakelijk van enigszins verouderde opnamen ken. De zeer kleine bezetting en de authentieke instrumenten gaven een prachtige rustige klank en alles klonk loepzuiver – een merkwaardig onzuivere laatste toon bij de fluiten, vlak voor de pauze, niet meegerekend. Dit mochten we ook nog eens constateren bij het toegiftje, “Es ist ein Ros entsprungen” van Praetorius: schitterend!

Bij dit alles past natuurlijk ook nog wat kritisch gezeur: had er nou niet een wat sfeervollere omgeving geregeld kunnen worden dan de akoestisch goede maar qua inrichting uiterst kille Anton Philipszaal? Aan de overkant van het Spui is de Nieuwe Kerk; voordat de Philipszaal gebouwd was speelde het Residentieorkest daar zijn concerten, om maar niet in de vreselijke Willem-Alexanderzaal van het voormalige Congresgebouw te hoeven spelen. Het geaarzel van het publiek of er nu wel of niet geapplaudiseerd mocht worden na een cantate was wat mij betreft dan ook vreselijk misplaatst: we zaten – helaas! – niet in een kerk!

Dinner for One

Het is sinds 2004 traditie dat de fameuze sketch Dinner for One jaarlijks wordt uitgevoerd onder regie van Guusje Eybers met wisselende acteurs. Dit jaar speelden Kees Prins en Olga Zuiderhoek de sketch, maar van het origineel is niet veel meer overgebleven: het eigenlijke verhaal is nogal aangepast.

Een beroemde zanger van het Amsterdamse levenslied wacht in zijn woning op zijn al even beroemde zingende vriendin. Ze verkeren in de herfst van hun leven. Samen brengen ze de kerst door met muziek en herinneringen over hun carrière en jeugd.

Niet dat het door minder werd: integendeel, het was kostelijk. Vooral omdat er ook in gezongen werd. En goed! De hele setting deed denken aan Johnny Jordaan – en misschien heeft Kees Prins die ook wel in zijn achterhoofd gehad bij het schrijven van de tekst.

Voorafgaand aan de uitvoering was een dinner for four: met vrouw en vrienden kregen we een heerlijke goed-hollandse maaltijd. Absoluut klasse, maar wat het met het stuk te maken had zie ik niet helemaal en het is niet de bedoeling dat dit een culinair blog wordt.

In 1963 maakte de Duitse omroep Norddeutscher Rundfunk een televisieversie van Dinner for One met de Britse acteurs Freddie Frinton en May Warden. Het uitzenden van de televisieversie is met name in Duitsland en Oostenrijk, ingeleid door presentator Heinz Piper, een vast onderdeel geworden van de televisieprogrammering op oudejaarsavond.

Marc-Marie Huijbregts: "Opdat ik niet vergeet"

Op zijn website opent Marc-Marie Huijbregts het bericht over zijn show “Opdat ik niet vergeet” met de volgende woorden:

Een man die breekbaar durft te zijn
“Als je niet weet waar je vandaan komt, hoe kun je dan weten wie je bent?”

Wadend door de moerassen van zijn herinnering haalt hij af en toe iets naar boven. Met het publiek, want laten we eerlijk zijn: waar zou hij zijn zonder publiek?
Dus samen met u.

Laten we samen niet vergeten.

Waar die show nou eigenlijk over ging weet ik ook niet zo precies. Feit is dat het een gezellig avondje was, gewoon een soort gesprek van Huijbregts met zijn publiek. Ik heb veel en hard gelachen en realiseerde me achteraf dat Huijbregts erin geslaagd was een aantal behoorlijk zware onderwerpen aan te snijden, zonder als moraalridder over te komen. Een rasartiest.

Entre les murs

De film “Entre les murs” is de derde film over de belevenissen van een leraar met zijn klas op een school die ik gezien heb. Op cinema.nl wordt verwezen naar “Dangerous Minds”, die ik niet ken en “Dead poets Society”. De laatste film inspireert door de originele kijk op lesmethodiek die docent Robin Williams laat zien; vooral weet hij te inspireren en leerlingen enthousiast voor zijn vak – poezie – te krijgen. Alles zeer fictief, dat wel.

Opvallend genoeg wordt een andere film nergens genoemd :”Etre et Avoir”. Het mooie van deze film is dat het een leraar toont met ontzettend veel liefde voor zijn leerlingen. De film “Entre les murs” van Laurent Cantat lijkt daar eigenlijk heel erg op. De film is gemaakt naar het boek van François Bégaudeau, die over zijn eigen ervaringen als leraar Frans in het 20e arrondissement van Parijs vertelt. Bégaudeau speelt zelf de rol van leraar en een groep kinderen is getraind om half spelend – half-improviserend de rol van kritische klas te spelen:

Toch is het een speelfilm, maar wel met echte schoolkinderen en zo realistisch mogelijk gedraaid. Alles wat te veel op een mooi geconstrueerd verhaal ging lijken, werd door Cantet geschrapt, terwijl de workshops waar de jonge spelers ter voorbereiding aan meededen juist veel ideeën opleverden. De kinderen spelen niet zichzelf, maar kregen wel de kans hun eigen ervaringen in te brengen. (recensie Leo Bankersen in Het parool)

En dat levert een interessante documentaire op:

Entre les murs blijft consequent binnen de muren van de school geeft ons een fascinerende blik op deze snelkookpan, die je als een afspiegeling van de samenleving kan zien. We krijgen heel precies te zien hoe het allemaal werkt; niet alleen in de klas, maar ook in de lerarenkamer, en mogen zelf onze conclusies trekken.

Ja, helaas, kan ik als leraar zeggen. Want niet altijd kun je trots zijn op wat er in de docentenkamer of tijdens vergaderingen gebeurt. Het siert Bégaudeau en Cantat dat ze de zaken niet mooier voorspiegelen dan ze zijn:

Pijnlijk is bijvoorbeeld de episode waarin de opstandige Souleymane voor de tuchtraad moet komen en na een nogal dubieuze beraadslaging van school wordt gestuurd. Nee, Entre les murs is beslist niet triomfantelijk. Wel helder en ter zake.

We zien Bégaudeau ook wel als leraar de mist ingaan, bijvoorbeeld als hij zich door werkelijk iedere opmerking van zijn leerlingen van de agenda af laat halen. Zijn leerlingen spelen dit feilloos uit.

Het meest wonderlijke is wel dat Entre les murs deels geïmproviseerd tot stand kwam, maar geen moment aanvoelt als een improvisatie. Elke zin of blik is raak, en draagt bij aan het bouwwerk dat de kijker exact naar de plek stuurt die de makers voor ogen hebben. Zo eindigt Entre les murs in een Socratische opdracht voor de kijker – die zal voor zichzelf moeten uitvogelen wie hier juist handelt en wie niet. Het zijn vragen die er toe doen, want de situatie in de klas is inmiddels geëscaleerd.(Cinema.nl)

Die “socratische opdracht” is een briljante vondst: het geeft aan dat sommige leerlingen niet zo stom zijn als ze lijken en dat zal zelfs hun leraar moeten toegeven. Waarna Esmeralda er nog fijntjes aan toevoegt: “Geen snollenboek” – daarmee verwijzend naar de indirecte aanleiding tot het conflict waar de leraar ongeschonden uit te voorschijn lijkt te zijn gekomen. Dat is dan ook het enige dat aan de film ontbreekt: hoe gaat Bégaudeau verder met zijn lessen kort nadat de opstandige Souleymane voor de tuchtraad heeft moeten komen en na een nogal dubieuze beraadslaging van school is gestuurd? Een dergelijke oplossing geeft meestal geen winnaars zoals iedereen die in het onderwijs zit weet.

Nee, Entre les murs is beslist niet triomfantelijk. Wel helder en ter zake. En de kinderen zijn fantastisch.(Parool)