Les Miserables

Afgelopen zaterdag ging ik in het Nieuwe Luxor naar “Les Miserables“. Les Miserables (“Les Mis“) is de musical die in Nederland de musicalgekte op gang bracht. Ik moet altijd denken aan toen ik deze musical indertijd voor het eerst zag – was het 15 jaar geleden? – in het Amsterdamse Carré. Het was echt iets totaal anders: waren de musicals tot dan toe toneelstukken met hier en daar een liedje, nu was het één doorgecomponeerd geheel en het tempo waarin het verhaal werd ontwikkeld lag zo hoog, dat ik het gevoel had dat ik mijn veiligheidsgordels moest omdoen om rustig in mijn stoel te kunnen blijven zitten.

Over de overproductie aan musicals die daarna op gang is gekomen en met name de kwalijke gevolgen voor de kwaliteit van de musicals heb ik al een paar keer eerder op dit blog geschreven, maar dat doet natuurlijk niets af aan de kwaliteit van Les Mis zelf. Dus ik wilde het nog wel eens zien.

Ook nu weer had ik het gevoel mijn veiligheidsgordels om te moeten doen, maar vooral omdat ik alleen nog maar een plaatsje hoog bovenin het Luxor theater kon bemachtigen en een beetje met mijn hoogtevrees  moest zien om te gaan. Aan het veel hogere tempo ben ik inmiddels wel gewend.

“Les Miserables” is eigenlijk een Franse musical, maar in Frankrijk is het werk geheel geflopt. Merkwaardig. Uit de tijd van de cassetteband – het lijkt een eeuwigheid geleden – heb ik nog een opname van de (veel kortere) Franstalige versie. Daarop hoor je dat de muziek geschreven is voor de typische Franse zanger met een veel slankere stem. René van Kooten moest in “Bring Him Home” (“Breng hem thuis”) behoorlijk met zijn kopstem werken om de hoge tonen te halen. Erg geloofwaardig kwam dat toch niet over voor het sterke karakter dat hij in het stuk moet neerzetten. René van Kooten valt hier niets te verwijten: idiomatisch schrijven voor de stem is bij veel musicalcomponisten, die in de eerste plaats vanachter de piano hun “catchy tunes” bedenken, het zwakke punt.

Een zwak punt van deze voorstelling vond ik de verstaanbaarheid van de tekst. Waarom vertalen als je het toch niet kunt verstaan? Doe het dan in de originele taal en geeft boventiteling, zoals in de opera.

Verfrissend vond ik dat dit keer de mannenrollen opvallend sterk bezet waren. De vrouwen waren, met uitzondering van Nurlaila Karim die Fantine zong, helaas minder – vooral minder fraai, want met de zuiverheid van de noten was (op één merkwaardige uitzondering na) niks mis. Het geforceerde “belten” dat in de musicalzang standaard is geworden is een kwelling voor mijn gehoor en het irritante gekir van Eponine (Céline Purcell, die me enige jaren geleden bij “Mama Mia” ook al in negatieve zin was opgevallen) is vooral geschikt om “brand, brand!” mee te roepen. Het decor was eigenlijk opvallend simpel maar effectief: alleen een draaischijf die snelle scene-wisselingen mogelijk maakte.

Een laatste woord van lof voor het orkest, dat prima speelde. Vijftien jaar geleden was het orkest vooral een goed geprogrammeerde machine die, ondanks een waardeloos dirigerende dirigente alle overgangen moeiteloss, maar levenloos nam. De dirigent die het nu leidde (Thomas M?) had meer grip op het geheel en wist het orkest echt te laten begeleiden, om niet te zeggen: musiceren. En zhoort het ook.

Familie Avenier lijdt aan lengte

In de Amsterdamse Stadsschouwburg zag ik zaterdag 1 november 2008 de (voorlopig?) één na laatste voorstelling van Maria Goos’ “Familie Avenier” – vier delen in één marathon-voorstelling.

DE GESCHIEDENIS VAN DE FAMILIE AVENIER
Een vierdelig feuilleton over een middenstandsfamilie in het Brabant van de twintigste eeuw.

De Tweede Wereldoorlog is pas tien jaar geleden geëindigd. De opbouw van Nederland is begonnen. We zitten diep in de Jaren Vijftig. De ontdekking van de wereld (deel 1) speelt tijdens Oud en Nieuw. We zien de familie op de dag en de avond dat het jaar 1955 zal overgaan in het jaar 1956. In de voorkamer liggen opa en oma in een groot bed. Te sterven? Of hebben ze gewoon geen zin om op te staan? In de winkel moet Jan van zijn vrouw op deze laatste dag van het jaar alle openstaande rekeningen innen. Aan de overkant van de straat zijn in het café – dat uitgebaat wordt door de dochter van de familie en haar man – jazzmuzikanten komen binnenwaaien. Op weg naar Parijs maar gestrand door autopech. Als de klok twaalf uur slaat, zingt de familie het Wilhelmus. Voor het eerst worden ze begeleid door een grammofoonplaat. De plaat blijft hangen. Iemand valt uit bed op de grond.

Het tweede deel, De ontdekking van de ziel, speelt vijftien jaar later. Er is veel gebeurd in de familie en de Nederlandse samenleving is compleet veranderd. In Rotterdam is in navolging van Woodstock het legendarische popfestival Kralingen aan de gang. De meeste buurtkruideniers hebben het verloren van de grote supermarkten. Steeds meer mensen kopen een wasmachine. De gastarbeiders komen massaal. De NVSH (Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming) geeft druk bezochte cursussen in vrijen en partnerruil is iets wat je ten minste één keertje moet hebben geprobeerd. Er schijnt zelfs zoiets te bestaan als een zelf, dat wat je echt bent en daarnaar is iedereen naarstig op zoek. Naar zelfverwerkelijking. De samenleving emancipeert en polariseert. En de familie Avenier probeert het spoor niet kwijt te raken.

Het is 1985. In deel 3 IK woont de familie niet meer in dezelfde straat of om de hoek. Maar op de camping heeft een aantal familieleden een vaste standplaats met daarop een caravan. Mohammed is teruggegaan naar Marokko, Bert werkt in de politiek en Janus heeft de handel in aandelen ontdekt. Anneke is getrouwd met de oom van Mohammed. Ze hebben net een baby gekregen. Het gaat de familie financieel voor de wind. Maar er klopt iets niet.

Het slot van de familiegeschiedenis WIJ, speelt in het jaar 2000. Rita zit in het verpleegtehuis. De familie komt op nieuwjaarsdag langs. Zij verkeert voor het grootste deel van de tijd in haar eigen wereld. Soms verwart ze tijden en mensen. De geschiedenis van de familie Avenier wordt opnieuw geschreven.

De stukken van Maria Goos kunnen in het algemeen op een goede pers rekenen. Simon van den Berg rekent in het Parool van  17 maart jl de stukken van Goos tot “de kwalitatieve top van het ‘Nieuw Burgerlijk Toneel’: goed geschreven stukken over herkenbare personages in herkenbare situaties met wie je kunt meevoelen en om wie je kunt lachen.

Tja, ik ken aardig wat stukken van Goos en ik heb er altijd wel van genoten. Ik ging dan ook vol verwachting naar de marathon toe. Teleurgesteld? Ja, eigenlijk wel. Deel 1 en 2 waren redelijk tot goed, deel 3, volgens Van den Berg “verreweg het beste deel van de serie” vond ik persoonlijk iets te kluchtig.

Eigenlijk vond ik Goos op haar best in het prachtige vierde deel. Rita Avenier, de “mater familias” neemt afscheid van har leven en alle belangrijke personen komen nog eens langs om afscheid te nemen. Vooral in het begin zitten hier prachtige dialogen. Helaas overspeelde Goos daar haar hand door het veel te lang te maken: behalve de belangrijke personen kwamen ook de onbelangrijke personen langs – echt alle draden die in het stuk waren uitgezet moesten in deel vier afgestikt worden. Dat betekende dat je toch een beetje op je klokje ging zitten kijken. In de zaal uitte het zich doordat steeds meer mensen hinderlijk begonnen te kuchen.

De acteurs Carine Crutzen, Marisa van Eyle, Tjitske Reidinga, Peter Blok, Marcel Hensema, Gijs Scholten van Aschat, Sarah Jonker, Guy Clemens, Nasrdin Dchar, Fockeline Ouwerkerk, Thomas Cammaert, Khaldoun Elmecky (min of meer de vaste kern om Maria Goos) zetten onder de regie van Jaap Spijkers een voortreffelijke prestatie neer, hoewel ook zij niet in staat waren de bovengenoemde zwakke punten in het stuk weg te acteren. Geniaal vond ik Tjitske Reidinga, die in deel 3 te horen krijgt dat haar broek trekt in haar kruis. Terwijl de handeling van het stuk ergens anders op het toneel doorgaat, zie je Reidinga een kleine one-woman show opvoeren waarin ze zichzelf lichtelijk beteuterd in de ruit van een caravan spiegelt om te kijken of het echt zo ernstig is als zonet gezegd is. Werkelijk zeer komisch.

Met zo’n geweldige cast grote acteurs en de geweldige toneelschrijfster die Maria Goos is zou er van dit Burgerlijk Epos een geweldige toneelmiddag en -avond moeten zijn gemaakt. Wat mij betreft had Maria Goos bij het schrijven van dit stuk helaas meer ambitie dan goed voor haar is – of op zijn minst goed is voor het burgerlijke publiek, waartoe ik mijzelf ook reken. Een uurtje minder tekst, vooral in het laatste deel, zou de spanning beter hebben vastgehouden.

Hera – een goddelijke musical

Twee weken na “Odysseus” van De Appel zat ik weer in klassieke sferen, dit keer voor het stuk “Hera”, een “goddelijke musical” gemaakt naar een idee van tekstschrijver Flip Broekman, met liedteksten van Jan Boerstoel. Voor de muziek tekende componist Martin van Dijk. Gisterenavond zag ik de première in het Delftse Theater de Veste.

Stel u voor: u betreedt de zaal en u krijgt te horen dat u op weg naar het theater bent omgekomen… Gelukkig krijgt u de kans om in een nieuwe lichaam terug te keren, want u bent gearriveerd in de gezellige reïncarnatiekliniek van Hera. Hera, ooit de machtigste godin van het Griekse rijk, raakte in vergetelheid . Deze kliniek betekent haar come back en het lijkt een hit te gaan worden. Maar net als U zich klaar maakt voor uw volgende leven ontstaat er groot tumult. Zeus is er met een aardse vrouw vandoor gegaan en laat Hera na drieduizend jaar huwelijk alleen, eenzaam en verbitterd achter. Plotseling bent u getuige van een ruzie tussen de goden. Want laat Hera het hierbij zitten? En wie is die mysterieuze jongeman, die vervolgens opduikt om haar de liefde te verklaren. Aan haar…de Oppergodin! En hoe moet het nu met uw volgende leven?

Hera, muziektheater vol hartstocht, vriendschap en drieduizend jaar liefde en bedrog. van de website van Hummelinck Stuurman Theaterbureau

De hoofdrol van Fabio wordt gespeeld door Arjan Ederveen en dat schept al de verwachting dat het niet saai zal worden. De rol van Hera wordt gespeeld door Vera Mann, die Loes Luca na het plostselinge overlijden van haar man moest vervangen en Rob van de Meeberg speelde Zeus. Een uitstekende casting wat mij betreft, al blijft het natuurlijk altijd de vraag wat Loes Luca ervan gemaakt zou hebben. Ook Waldemar Torenstra was uitstekend als Casper (zoon van Zeus en Alkmene), terwijl de nimfen Esther Kuiper, Francesca Pichel, Marjet Spook en Jennifer van Brenk, de laatste vooral als Alkmene en na de pauze als Wannie, vriendin van Casper, vooral prachtig zongen en dansten.

Wat Jacques Offenbach met “La Belle Hélène” deed voor de operette, beleefden we hier in de musical. Parodie, satire, humor ging wel degelijk samen met diepgang. Interactie met de zaal, die ten dele medespeler in het geheel was (en wel in de reïncarnatiekliniek van Hera en Zeus, onder leiding van Hera mochten we enige “ontaardings”-oefeningen doen en we kregen in de pauze koffie met een plakje cake, als bij een echte begrafenis), prachtige, soms humorvolle songs, alles perfect uitgevoerd gingen vrijwel onmerkbaar over in kleine steekjes onder water. “Weet je waarvan Hera de godin is?” vraagt Fabio aan Casper. “Van de liefde?” “Van het huwelijk, dat is precies het tegenovergestelde”. Mag deze grap nog oer-burgerlijk genoemd worden, er werd ook nog even geschimpt op “Idols” (bewuste vondst?)en op de ietwat overdreven dierenliefde van sommige goedbedoelende Groenen, terwijl de niet mis te verstane song van Zeus over de goden als gemaakt naar des mensen “beeld en gelijkenis” de godsdienstwaanzin op de korrel nam: (de goden zijn) “uit nood geboren, uit angst bedacht”.

Om al die verwijzingen naar de Oudheid te kunnen begrijpen moet je natuurlijk iets van mythologie afweten. Het zou jammer zijn als dat alleen aan gymnasiasten is voorbehouden, en dat is dan ook waarom ik nog terug wil komen op mijn kritiek op de Appelvoorstelling: theater moet ons waarheid en schoonheid tonen, maar “Just a spoonful of sugar helps the medicine go down”. Na het zien van “Hera” wist ik weer dat er nog leven in die oude goden en legenden zit.

Wagneriaanse Odysseus bij "De Appel"

Eindelijk was het zover: gisterenavond kon ik de marathonvoorstelling “Odysseus” van “Toneelgroep De Appel” bijwonen. Ik had de kaartjes al lang in huis en had ook slechts kans op kaartjes door de extra voorstellingen die De Appel gaf van dit succesvolle project.
Was het het waard? Om eerlijk te zijn: ik was nogal teleurgesteld.
Misschien had ik te hoge verwachtingen, maar mag dat niet? Het project is immers met veel bombarie aangekondigd. Wekenlang artikelen in de NRC onder de kop “Op weg naar Odysseus”, een soort journaal met de belevenissen van regisseur Aus Greidanus en zijn spelers.
En dan het verhaal zelf: ik ben geen gymnasiast, maar ik herinner mij hoe ik als brugklasser aan de lippen van mijn geschiedenislerares “hing” toen zij het verhaal vertelde. Later zag ik op de BBC de verfilming van het verhaal – vooral de scene waarin Odysseus zich laat vastbinden aan de mast en zijn mannen gebiedt was in hun oren te stoppen zodat ze zonder gevaar te lopen langs het eiland van de Sirenen kunnen varen is mij bijgebleven. De waanzin waaraan Odysseus ten prooi valt als hij hun gezang hoort en zijn mannen die geen krimp geven.
Dit alles moesten wij gisterenavond bij De Appel ontberen. Het verhaal werd vooral in de verleden tijd in monologen en dialogen verteld. “Verteltheater” noemde NRC-recensent Wilfred Takken het. Maar daarvoor ga ik eigenlijk niet naar een toneelvoorstelling: dan wil ik het verhaal vormgegeven zien.
Het begon goed: de openingsscene ging vergezeld met uiterst spannende muziek en we konden ons gelijk vergapen aan een prachtig decor. Tevreden zakte ik onderuit: dit wordt een geweldige middag. Deze scene was echter gelijk het hoogtepunt – erg jammer om je kruit zo snel te verschieten. Het hele eerste deel was overigens nog relatief boeiend, maar daarna was het vooral erg veel tekst. Het schitterende decor dat eerst dienst deed als badzaal, werd later slaapzaal op Aia, Hades, Olympos, weer een paleiszaal (Scheria) en daarna nog een paleiszaal,dit keer die van Odysseus zelf. Het is natuurlijk wel een uitdaging dat er nog wat aan je eigen verbeelding werd overgelaten, maar dit ging wat ver.
De gevaarlijke tocht tussen Scylla en Charibdis bijvoorbeeld werd zeker twee keer verteld, maar je zag ‘um niet. Bij de scene in Hades zag je drie mannen,oud en der dagen zat, een beetje leuteren over een al dan niet terecht aan Odysseus gegeven wapenrusting. Kan de Appel dat nou niet beter? Natuurlijk wel , bij de 6 uur durende “Faust”, alweer behoorlijk wat jaartjes geleden, wisten ze een duivelse hel neer te zetten en een helse Walpurgisnacht. En wat zou Peter Greenaway van de Hadesscene gemaakt hebben? Zijn verfilming van Dantes Hel staat me nog haarscherp voor ogen. Het moet een bewuste keuze zijn geweest van Greidanus.
“Laten we ook iets leuks doen”, moet hij vervolgens gedacht hebben. Het werd de Olympusscene, waarin de Goden allemaal een karikatuur neerzetten van (o.a.) Pavarotti, Liz Taylor en Paris Hilton. Dat was weer wat meer dan ik om zou hebben durven vragen, maar het publiek amuseerde zich kostelijk. “En laten we ook eens geëngageerd doen”, dus werd de gastvrijheid van de Faiaken van Scheria gebruikt om Echeneos (Jules Terlingen) een Geert Wildersachtig verhaal te laten afsteken, dat ook op veel herkenning door het publiek mocht rekenen.
Ja, de oude mythen hebben ons nog steeds iets te vertellen.
Best grappig was ook de opkomst van Demodokos, de blinde zanger van de Faiaken. Alleen: het lied dat hij zong en dat Odysseus tot tranen toe moet hebben geroerd kregen we niet te horen.
Het deed me denken aan Wagner’s “Parsifal” waar je ook drie kwartier moet luisteren naar Gurnemanz’ monoloog – de handeling vindt ergens achter de coulissen plaats. De muziek maakt daar echter nog een hoop goed, als je tenminste van Wagner’s muziek houdt en er door het in volume gestaag toenemende gesnurk van het afhakende publiek nog iets van kunt horen.
Ben ik nou oppervlakkig? Wellicht en het kan me niet schelen! De snobs mogen mij uitleggen wat zo boeiend aan deze voorstelling was en waarom een mens met “Bildung” deze voorstelling gezien moet hebben. Wat mij betreft hoort Odysseus bij de canon van de cultuur, maar een beetje meer theatraal vuurwerk zou hier niet misstaan hebben. En Als De Appel het niet kan, wie dan wel? Je moet er toch niet aan denken dat we straks van Joop van der Ende’s “Odysseus, the musical” afhankelijk zijn om het verhaal in onze cultuur levend te houden.

Mamma Mia!

Alweer drie jaar geleden zag ik de musical Mamma Mia in het Utrechtse Beatrixtheater. Ik voelde mij ernstig bekocht. Niet alleen vanwege de exorbitant hoge prijs voor een plaats die eerste rang heette, maar derde rangs bleek (er werd alleen maar eerste rang verkocht). Ook de cast, met uitzondering van Simone Kleinsma, viel zwaar tegen. Met name bij de mannen werd er matig gepresteerd.

Het geheel leek zo’n geforceerd in elkaar gedraaide musical waarvan we er veel te veel hebben omdat dat op dit moment zo goed verkoopt; bij gebrek aan eigen creativiteit was er weer eens gekozen voor een pastiche: bekende liedjes van groepen van weleer worden opgepoetst, al dan niet van een andere tekst voorzien en in een verhaal van niks aan elkaar geregen. Doe Maar, Queen en naar het schijnt zelfs de Dolly Dots hebben op deze twijfelachtige manier bijgedragen aan het musicalrepertoire.

Ik had het gevoel dat de ABBA-songs net als die van de Beatles tijdloos waren, maar in de “Mamma Mia-musical” bleef er niet veel van over. Het enige leuke was eigenlijk het publiek om mij heen, dat bij iedere bekende hit mee begon te stampen en te zingen. Het was het feest van de herkenning. Voor mij was dat feestje er pas toen na de musical de volledige cast nog even “Waterloo” zong – dát was goed.

Toen de filmversie uitkwam had ik dan ook niet verwacht er binnen twee weken tijd drie keer naar toe te zullen gaan. De trailer vond ik trouwens niet bepaald wervend. Maar ik was op vakantie in Noorwegen door het slechte weer in Oslo gestrand en wilde daar een bioscoopje pikken. “Mamma Mia” was Engelstalig met Noorse ondertiteling, en een mens moet wat.

Wat een film. In het begin, met vijf keer “Oh My God” in een minuut dacht ik nog dat ik in zo’n tienermeisjesfilm terecht was gekomen, maar het werd steeds leuker. Niet vanwege het verhaal natuurlijk, dat stelt niets voor, maar de zang en dans maken je ontzettend vrolijk.

Donna , een onafhankelijke, single moeder heeft een hotelletje op een idyllisch Grieks eiland. Ze staat op het punt om Sophie , de pittige dochter die ze alleen heeft grootgebracht, los te laten. Voor Sophie’s huwelijk heeft Donna haar twee oude hartsvrienden uitgenodigd: de praktische en no-nonsense Rosie en de rijke, meermalen gescheiden Tanya van haar vroegere backing-band ‘Donna and the Dynamos’. Maar Sophie heeft in het geheim zelf drie gasten uitgenodigd. Ze is op zoek gegaan naar de identiteit van haar vader die haar naar het altaar moet begeleiden en ze haalt drie mannen uit Donna’s verleden naar het mediterrane paradijs waar ze 20 jaar daarvoor waren geweest. In de 24 chaotische, magische uren bloeit er nieuwe liefde op en oude romances vatten opnieuw vlam op dit weelderige eiland vol mogelijkheden.

Het mag dan kitsch zijn – het is in ieder geval goed gemaakte kitsch. Al is niet iedereen dat met mij eens. Bijvoorbeeld Peter de Bruijn die in de NRC van 9 juli de film helemaal neersabelt:

Aan het einde van de film blijft de toeschouwer geradbraakt achter.

Dat mag voor De Bruijn gelden, het geldt niet voor mij en vele anderen. In Oslo was de (gigantisch grote) zaal stampvol: iedereen kwam blij buiten en de sfeer in de zaal was uitstekend. Ik heb de film later ook nog gezien in Hardenberg (of all places): er was niemand die psychische bijstand nodig had na afloop, hoewel de zaal wat duf was. In Den Haag tenslotte had ik weer allemaal blije mensen om mij heen en bij het naar buiten gaan was het publiek ongekend vrolijk.

Waarom Meryl Streep gekozen is voor de hoofdrol, blijft lang raadselachtig, of de makers moeten hebben gehoopt op het effect: kijk die Meryl Streep eens gek doen. Maar in de tweede helft van Mamma Mia! wordt alles duidelijk. De film zet dan onbeschaamd de aanval op de traanklieren in en daar is Streep als weinig andere actrices bedreven in. De scènes tussen moeder en dochter zijn het beste van de film en Streeps versie van The Winner Takes It All mag er zijn.

Helemaal mis. Meryl Streep zingt in de film verbazend goed – ik had dat niet van haar verwacht – maar met”The Winner Takes It All” heeft ze duidelijk moeite. En dat snap ik heel goed: het is een vrij lang en langzaam nummer, dat het misschien op de plaat goed doet, maar in de film, met nauwelijks een wisselend decor en Pierce Brosnan die er maar een beetje bij moet staan duurt het zo’n drie coupletten te lang. Streep beweegt wat met haar stola en haar handen, grijpt op het laatste moment naar een ordinaire uithaal waarna ze met wapperende haren de trap naar het kerkje (prachtig decor trouwens!) oprent. Daar zingt ze haar laatste noten, waarvan de allerlaatste gewoon een kwarttoon te laag geïntoneerd wordt. Ik neem het haar niet kwalijk, want het is razend moeilijk, maar als je dit de beste vertolking van de hele film vindt mankeert er iets aan je oren.

Nee, dan de dampende choreografie bij “Voulez Vous”, het vrolijke ensemble bij “Dancing Queen”, Christine Baranski’s (Tanya) “Does Your Mother Know” (vooral leuk), of “Chiquitita”, op zich een stom nummer dat in Utrecht indertijd ook lachwekkend was, maar in de film prachtig meerstemmig gezongen wordt.

Andere leuke vondsten: als Sophie de kerk inkomt, speelt de kapel in plaats van een traditionele bruidsmars een plechtige instrumentale versie van “Knowing Me, Knowing You”. Aardig gevonden, omdat het gaat over een onbekende vader, maar ook over een dochter die zichzelf nog niet kent.

Heeft de film nou opeens diepgang? Ik denk het niet; even later, als Donna “ja” zegt tegen Sam zingen alle genodigden met haar mee “I do, I Do, etc”, terwijl de priester op de buisklokken het loopje sol-fa-mi-re-do speelt, een soort parodie op Schikaneder als Papageno in “Amadeus”. Een parodie op de “Titanic” is er ook tijdens “Money, money”.

Benny Andersson en Björn Ulvaeus, het schrijversduo van ABBA, houden hun muzikale erfenis streng in de gaten. Daar staan ze tenminste om bekend.

Is dat zo? Hebben we niet ABBA-teens gehad en zijn sowieso niet al hun nummers wel op een of andere manier gecovered? Hun restrictie was dat het geen film over ABBA zelf mocht worden.

Ook bij de muziekopnamen voor de film waren ze nauw betrokken.

Ja, Benny Anderson is nog even als pianist te zien in “Dancing Queen”, in een scene die een parodie lijkt op “Herod’s Song” uit Jesus Christ Superstar.

Hoe ze dit resultaat vervolgens hebben kunnen laten passeren, is dan ook een raadsel van formaat.

Ze zullen blij zijn geweest met dit resultaat, en niet alleen vanwege het (financiële) succes. De meeste songs klinken nu veel eigentijdser georkestreerd en de zang is, gegeven het feit dat het eigenlijk acteurs zijn en geen zangers, zeker niet slecht.

Vooral Brosnan brengt een geluid voort dat soms door merg en been gaat.

Okay, dat is waar. Vooral in “SOS” moet Brosnan de hoge tonen uit zijn tenen halen. Je ziet de aderen in zijn hals opzwellen. Maar bedenk dat de ABBA songs voor vrouwenstemmen zijn geschreven en dat dat voor een mannenstem onvoorstelbaar hoog is. Brosnan is wellicht vocaal de zwakke schakel, maar het pleit voor hem dat hij gewoon zelf zingt – het was zo makkelijk geweest om een stand-in te huren voor het vocale werk. In Nederland is het niet ongewoon dat als de zanger op een avond wat minder gedisponeerd is er een tape meeloopt. En, zoals ik in een eerder stuk al schreef, zo geweldig vind ik de Nederlandse musicalzangers niet.

Ik vond “Mamma Mia” een erg leuke film. Al moet ik toegeven dat ik schrok van het aantal blunders dat ze kennelijk gemaakt hebben, zoals blijkt uit de door mij graag geraadpleegde IMDB-website. Het mag de pret niet drukken.

Evita in openluchttheater Nyborg (Denemarken)

Net terug van vakantie in Scandinavië heb ik over zeker drie culturele evenementen te posten – weet niet of ik dat ga redden zonder gelijk weer aan vakantie toe te zijn 🙂

Eerst maar het hoogtepunt: Evita.

Ben ik zo’n fan van deze musical? Not at all! De uitspraak (ik dacht van Louis Andriessen) dat Lloyd Webber de saaiste componist van de 20ste eeuw is onderschrijf ik van harte – met uitzondering dan misschien van de musical “Cats”. Maar ja, je loopt in Nyborg, ziet posters, je denkt: “wat kost dat hier?”, informeert en het blijkt – omgerekend – zo’n € 20 te kosten. Dat is wel anders dan we in Nederland gewend zijn. Nog kaarten vrij? – Jazeker! Het begint wel ‘s avonds om 22.00 uur in het openluchttheater van Nyborg.
Dat zijn we wel gewend; gaan ook (bijna) jaarlijks naar het openluchttheater in het Amsterdamse Bos.

Wat een avond! De voorstelling was in het Deens, maar dat maakt niet uit, aangezien onze Nederlandse zangers in het algemeen toch ook nauwelijks te verstaan zijn 🙁 De taal van de muziek verstaan we allemaal. Waar zit nou toch dat prijsverschil in? Dat moet het decor zijn: bij Joop zijn we gewend aan prachtige decors en een altijd weer verbijsterende theatermachinerie die je snel van de ene scene naar de andere voert. Het decor hier was wel wat eenvoudiger: twee dimensionaal – een achterwandje opgebouwd uit driekantige zuilen die draaiden als er een nieuwe achtergrond voor moest komen – een suggestie van een balkon en een eenvoudige lift die omhoog gaat als Evita haar beroemde “Kald ikke mere, Argentina” (=Don’t Cry For me, Argentina) zingt is het meest geavanceerde theatertuig dat we konden zien. Maar de zang – waar het toch om gaat – was voortreffelijk! Worden we in Nederland voor onze minimaal € 80 geregeld opgezadeld met zwakke mannenstemmen en vrouwen die hun strot zwaar onder druk zetten (het zgn “belten”), zodat kijken naar het decor het enige is wat erop zit om je niet geheel bekocht te voelen, stond hier een team te zingen dat – met uitzondering van het hoe dan ook al dissonante begin (“hoezo saai” zal Lloyd Webber gedacht hebben) en het kinderkoortje in de 2e akte – schijnbaar ongehinderd door de extra problemen van het in de openlucht zingen, moeiteloos en glaszuiver op toon bleef.

Het orkest olv Susanne Vibaek stond in een aparte ruimte aan de zijkant voor het publiek zichtbaar opgesteld en verzorgde de begeleiding accuraat en steeds dienstbaar aan de zang.

Ook dat was verfrissend ten opzichte van de Nederlandse situatie, waar de geluidstechnici vaak hun liefde voor mengpaneel botvieren ten koste van de vocalisten.

BjØrg Gamst als Evita zong een prachtige partij, maar de ster van de avond was Martin Holm, die de rol van Che voor zijn rekening nam. Een ongelooflijk flexibele stem, die moeiteloos de hele avond over de hele ambitus gaaf bleef en een heel scala aan emoties erin kon leggen zonder te chargeren. Daarnaast acteerde hij geweldig. Waarom heb ik nog nooit van deze man gehoord? Hij zou wereldberoemd moeten zijn!

Een merkwaardig aspect van de voorstelling was het in ontvangst nemen van het applaus: dat gebeurde op muziek, waardoor het publiek tijdens het hele applaus gelijkmatig bleef klappen. Van de kleinste bijrol tot de hoofdrollen kreeg iedereen hetzelfde applaus. Ik probeerde bij de opkomst van Martin Holm nog “Bravo” te roepen, hetgeen me overigens ook niet kwalijk genomen werd, maar het applaus nam niet toe; en dat kon ook niet omdat de muziek iedereen in de maat hield. Toen het applaus eenmaal klaar was en het hele ensemble voor het laatst gebogen had, werd het Deense volkslied ingezet, dat door iedereen in het publiek gedistingeerd werd meegezongen.

Rare jongens, die Denen, maar ik heb een prachtavond gehad.

Le Fils d'Epicier

Twee citaten uit recensies via de International Movie Database:

Despite its very simple plot (the story of a son taking over the daily round of his sick grocer father), ‘Le fils de l’épicier’ qualifies as an enriching film experience.(…) Despite its very simple plot (the story of a son taking over the daily round of his sick grocer father), ‘Le fils de l’épicier’ qualifies as an enriching film experience.

en een ander:

This film would serve as a sleep aid. If you want to run a grocery store see this film. Otherwise, don’t waste your time (even for rental. This is one of the most boring films ever made.

Vastgesteld kan worden dat het een flinterdun verhaal is:

Het is hartje zomer wanneer de dertigjarige Antoine noodgedwongen de stad verruilt voor de rustieke omgeving van zijn geboortedorp. Zijn vader ligt in het ziekenhuis en hoewel Antoine een grondige hekel aan hem heeft, neemt hij toch (vooral voor zijn moeder) diens werk tijdelijk over. In zijn vaders ‘SRV-wagen’ rijdt Antoine van gehucht naar gehucht door de bergachtige en uitgestrekte Provence. Maar zijn botte gedrag en onhandigheid zorgen voor aanvaringen met de oude bewoners die al jaren hun boodschappen bij de wagen doen. Mede dankzij zijn beste vriendin Claire ziet Antoine steeds meer de charme van de koppige, norse, grappige en soms eenzame bewoners in. Die nieuwe blik helpt hem het plezier in het leven terug te vinden. Het plezier dat hij dacht kwijt te zijn, evenals de liefde van zijn leven. (movie2movie)

En ik geloof dat met al deze citaten alles gezegd is wat over deze film gezegd kan worden. Of toch niet: de prachtige shots van het mooie Franse landschap mogen niet onvermeld blijven. Ik realiseerde me met spijt dat ik dit jaar niet naar Frankrijk ga op vakantie. Af en toe wat humor in de dialogen met de dorpsbewoners (met name Antoine en Lucienne zien we langzaamaan ontdooien), een beetje romantiek – nee toch niet, ja toch weer wel – een beetje zwart schaap verandert van verloren zoon in familieheld.

Het is gewoon een feel-goodmovie, maar gelukkig wel een die niet pretendeert meer te zijn dan dat.  Ik heb me wel geamuseerd; er hoeft niet altijd een boodschap te zijn.

In memoria di me

De Italiaan Saverio Constanzo is een stijlvaste filmmaker, maar heeft hij iets te vertellen? In memoria di me bevat fraaie kloosterbeelden, maar bieden ze meer dan esthetisch genot?

Deze vraag stelde van Jos van der Burg zich in zijn Parool-recensie, en ik stelde hem gisterenavond met hem na het zien van deze film. De beelden van het Venetiaanse San Giorgio Maggioreklooster zetten een prachtige film neer, de bijbehorende soundtrack van What’s-in-a-name “Alter Ego” (practice what you preach) is uitermate spannend, maar aan het eind verlaat je de bios met lege handen.

Wat was nou de reden van Andrea om er uiteindelijk niet vandoor te gaan? Waarom kregen we al die opvallende boten (waaronder één met de duidelijk zichtbare naam “Carnival Libertá”) voorgeschoteld? Wie was de stervende in de ziekenkamer en waarom werd er zo geheimzinnig over gedaan? Waarom zat er een vrouw in de refter mee te eten? Waarom werd er überhaupt in de refter Wulpse Weense Walsmuziek gespeeld? Waarom vonden alle gesprekken met de abt achter gesloten deuren plaats, maar kan Andrea het gesprek tussen Zanna en de abt volgen – en zien dat Zanna hem een kus op de lippen drukt? Is die kus trouwens een homo-erotische suggestie of moeten we het uitleggen als een Judas-kus?

Vragen die niet beantwoord worden. Recensent Jan Pieter Ekker van de Volkskrant weet het ook niet – sowieso is hij waarschijnlijk na de eerste tien minuten in slaap gevallen, want hij heeft de film vanuit het perspectief van Fausto bekeken.

Costanzo volgt de zoekende Fausto tijdens zijn dagelijkse rituelen in het grauwe klooster.

Niks hoor, was het maar waar, want die Fausto (Nomen est Omen) was misschien geen begenadigd spreker, maar hij had wellicht nog wel iets te vertellen.

De tweestrijd van Fausto, zijn zoektocht naar zichzelf, naar pure liefde of een teken van God, verdwijnt echter allengs naar de achtergrond, doordat Costanzo van alles aanstipt en suggereert. Achter een deur aan het einde van de schemerdonkere gang klinkt gepiep en gekreun. Misschien is er wel iets van homoseksuele aantrekkingskracht ondanks de botsende karakters – de blikken van de novicen zijn onmiskenbaar veelbetekenend.

Fausto vertrekt al vrij vroeg in de film – zijn tweestrijd wordt beslist in het voordeel van zijn menselijke vrijheid – zijn Faustische Streven. Zijn onzekere preek over het verband tussen het Griekse “Psyché” en het Hebreeuwse “Nephesh” geeft aan wat hij werkelijk dacht – en het zal de oversten van de Jezuïten niet welgevallig zijn geweest. Het was het moment waarop ik nog dacht dat de film iets te vertellen zou hebben. Maar met Fausto vertrok de ziel uit de film; Constanzo heeft de verkeerde hoofdpersoon gekozen.

Het gekreun waar Ekker het over heeft klinkt misschien veelbelovend, maar het is gewoon Fausto die zich geen raad weet en in de wasruimte radeloos zijn hoofd tegen de muur bonkt. En de veelbetekenende blikken van de novicen? Misschien is het zwakke punt van de film wel dat ze allemaal als zombies uit hun ogen keken. Ik zou de titel van de film “In memoria di me” willen vertalen als: “ter nagedachtenis aan mijzelf” – de has-been Yup Andrea begraaft zichzelf levend in een klooster om een bloedeloos bestaan te leiden.

Helaas niet echt een film waarvan je wat meeneemt.

Beelden aan zee: Against Nature.

In het museum “Beelden aan zee” bezocht ik de tentoonstelling “Against Nature – De hybride in de moderne beeldhouwkunst”. Een bijzondere tentoonstelling.

De titel is ontleend aan het werk “À Rembours” “(ned. “Tegen de keer”, Eng: “Against Nature van de Franstalige auteur J.-K. Huysmans (1848 – 1907)”. Dit boek is ook het uitgangspunt van de tentoonstelling geweest; de vermenging en ervaring vaan de zintuiglijke waarneming wordt vertaald in hybride beelden. Kennelijk in drie soorten en smaken:

  1. Moderne monsters – bijvoorbeeld “Battery” uit 2002 van Johan Tahon (1965)
  2. Metamorfe creaties – bijvoorbeeld “Marathon Man” uit “1982 van Georges Charpentier (1937), en
  3. Horti Sculpture – bijvoorbeeld “Daphne” uit 2007 van Iris le Rütte (1961).

Er waren heel wat mooie beelden te zien, hoewel ik mijzelf geen kenner vind. Het museum – dat ik tot mijn schande helemaal niet kende – verder doorlopend kwam ik bij een terras. Er was enige zelfoverwinning nodig om ook daar te gaan kijken, want het regende pijpestelen, maar het was het waard. Althans voor minstens één prachtig werk, nl. “De Tafel” uit 1990 van Elisabet Stienstra (1967).

Het deed mij denken aan Peter Greenaway’s verfilming van Dante’s Hel en wat was ik blij dat ik mijn camera bij me had. Zomaar wat scenes, maar er is nog meer te zien. En let vooral op het onderstel:

Night of Tragedy

Het betreft hier natuurlijk de “Night of Comedy“, gisterenavond in Diligentia. De line-up betrof acht optredens, aan elkaar geregen door Master of Ceremony Arie Koomen, die we kennen van de Lama’s.

Nou vind ik de Lama’s wel leuk, en ik had nog nooit een stand-upcomedyoptreden meegemaakt, en – aldus de website –

Night of Comedy bewijst dat lachen er toe doet!

dus ik dacht, hop.

Dat viel tegen. Zo had ik verwacht dat Stand-up Comedy meer improviserend was, maar alle grappen waren ingestudeerd. Dat maakte het al een stuk minder leuk; de tijd dat we aan de stamtafel alleen maar moppen zaten te tappen is allang voorbij – dacht ik. Als iedereen zijn best gaat doen om “leuk” te zijn, dat is helemaal niet leuk.

Okay, dat is natuurlijk mijn persoonlijke mening, de zaal zat immers vol met mensen die het ontzettend naar hun zin hadden en permanent “in een deuk” lagen. Het soort humor was duidelijk niet helemaal mijn ding. Veel over voetbal natuurlijk; zo’n faut onderwerp dat ik ooit mijn kapper heb uitgezocht op zijn bereidheid niet over voetbal te willen praten. Maar ook veel seks. Het woord “neuken” werd zo vaak gebruikt dat ik het idee had dat de heren comedianten het woord zojuist op school geleerd hadden. Iwein Segers – winnaar van de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival 2008 – heeft een sterke voorkeur voor anale seks en maakte er zelfs een pakkende meezinger op – hij kreeg het publiek nog mee ook. Martijn Oosterhuis had het overigens niet over neuken, zijn performance ging over kotsen na een avondje doorhalen, en vooral over het kotsen over iemand heen – je moeder ofzo, die uiteraard net op het toilet zit. Zum Kotzen. Misschien had ik ook even moeten indrinken om dit niveau humor te kunnen waarderen – een biertje of acht had denk ik wel volstaan.

Een dag niets geleerd is een dag niet geleefd, dus ik vraag mij voor het slapen gaan altijd af wat ik er vandaag weer van meegenomen heb. Deze keer was dat het woord “zwaffelen“, het betekent met je (halfstijve) pik in iemands (= een vrouw, of in het algemeen iemand die zich niet kan verdedigen) gezicht meppen; de kennelijke obsessie van Arie Koomen, die bekende ooit zelf te zijn gezwaffeld en dreigde iemand uit het publiek die niet mee wilde oefenen met de promo-yell (ik was kennelijk niet helemaal de enige die het geheel bedenkelijk vond) te zullen zwaffelen.

Ja, het was een verheffend avondje.