Annette Speelt: Malpensa

Op 7 maart zag ik de try-out van Ilja Leonard Pfeijffer’s (dichter, schrijver, columnist NRC next) “Malpensa” in het Theater aan het Spui in Den Haag. “Malpensa” ging op 8 maart 2008 in première met acteurs Michel Sluysmans en Thijs Römer. De regie is in handen van Gerardjan Rijnders.

Een modern drama in uitgeklede taal, over twee mannen, vrienden wellicht, die een daad willen stellen die groter is dan henzelf.

Uitgeklede taal zou ik het niet willen noemen. De GVD’s vliegen je om de oren, vooral in het begin, en ook op ander gebied laat het gespierde taalgebruik niets aan duidelijkheid te wensen over, met als hoogtepunt het ping-pong spelletje “borsten benoemen”, waarin de borsten van een passerende vrouw in elkaar steeds overtreffende trappen van platvloersheid benoemd worden. Plat, maar wel functioneel voor de opbouw naar de verrassende afwikkeling van het stuk.

Michel Sluysmans en Thijs Römer spelen het stuk met zeer weinig middelen, maar uiterst effectief. In het begin heb ik erg genoten van het prachtige contrapunt in de staccato opsomming van een reeks data over grootte en capaciteit van het vliegveld Malpensa – een opsomming die mij overigens deed denken aan een vergelijkbare opsomming van op het oog overbodige details in het boek “Elementaire deeltjes” van Michel Houellebecq – die met fabelachtige ritmische precisie werd uitgevoerd.

Op zo’n vijftige minuten na aanvang stortte het stuk qua vaart een beetje in. Dit kan komen door het groepje baldadige scholieren dat, ondanks de aanwezigheid van hun docent, naar de mening van Thijs Römer te veel zat te gniffelen. Voor velen in het publiek onverwacht (het leek zelfs eerst of het erbij hoorde) sprong hij op en stuurde de groep weg. Terecht, naar mijn idee. En weer een bewijs dat verplicht kunstbezoek door scholieren, hoe goed bedoeld ook, niet altijd wenselijk is. Daarna werd de scene professioneel hernomen en het stuk uitgespeeld en kreeg de verrassende ontknoping de ontgoocheling en de tederheid die er naar mijn idee bij hoort.

Nightwatching

Ik ken nogal wat werk van Peter Greenaway: Drowning by Numbers (1988), The Cook the Thief His Wife and Her Lover (1989), Prospero’s Books (1991), het prachtige The Pillow Book (1996) en niet te vergeten de opera “Rosa”, die hij samen met Louis Andriessen maakte.

Allemaal mooie films, wat mij betreft, dus vol goede moed ging ik naar “Nightwatching”. Nu verandert een mens wel eens van smaak, maar hier is ergens iets goed misgegaan tussen Greenaway en mij: ik vond het zo’n ongelooflijk saaie film, dat ik mij steeds afvroeg wanneer ik zou hebben weggezapt als ik de film op TV zou hebben zitten bekijken. Zeker is dat als ik de film niet in het respectabele Haagse Filmhuis zou hebben gezien maar tussen de popcorn-vretende menigte in een Pathé-bioscoop, ik na uiterlijk een half uur het voor gezien zou hebben gehouden en was vertrokken.

De beelden zijn – als vanouds – mooi, maar daarmee red je het niet. Het verhaal – als dat er al is – is compleet onzinnig en wordt hoofdzakelijk aan de hand van monologen die Martin Freeman in de persoon van Rembrandt de camera inspreekt tot ons gebracht.

En dan is er nog de Engelse uitspraak van oudhollandse namen, waar je keer op keer van moet gruwen en die de film nog gekunstelder maakt. Mijn laatste hoop was een fatsoenlijk stukje filmmuziek op de achtergrond, maar de door Wlodzimierz Pawlik bij elkaar gecomponeerde schrille vioolklanken gingen al snel irriteren, ook al omdat het steeds hetzelfde thema was dat je terughoorde. Hoewel dat ook wel weer zijn voordelen had volgens Johno-21 die op de IMDB-pagina schrijft:

This is also a very noisy film where there may be a scene with a large cast of actors on stage and instead of those talking in the background heard as soft murmur or not at all, they are amplified and almost drown out the main conversation critical to the story. To top off this cacophony of chatter there is often a violin playing at a feverish tempo in high notes that is nerve wracking but at least it helps keep you awake during this dreary Dutch drama.

Loes Luca – Vijfvoudig moordwijf

Loes Luca is een topartiest, dat is duidelijk. Ik genoot erg van haar Zuster Cliviavertolking, en van haar aandeel in “In de ban van Bannink”, nu zag ik haar in “Moordwijven”, Jules Deelder’s vertaling van “Bombshells” door Joanna Murray-Smith.

In een aantal prikkelende scènes speelt de veelzijdige Loes Luca uiteenlopende vrouwen die in meer of mindere mate te kampen hebben met de stress van hun hedendaagse levens. Van een door schuld verscheurde, neurotische moeder die aan alle hoge eisen van het moderne moederschap probeert te voldoen tot een cactussenfan die in haar liefdesbetuiging aan de cactussen verslag doet van haar persoonlijke relaas. Een jong meisje dat aan een talentenjacht meedoet – en tot haar schrik ontdekt dat haar grootste rivale hetzelfde nummer zingt. Over een weduwe die een blinde jonge god voorleest en een bruid die in paniek raakt.
De vrouwen hebben gemeen dat ze praten, zingen en dansen op een vulkaan.

(Bron: Kikproductions).

Een leuk onderdeel van de show was dat de scenewisselingen  gewoon zichtbaar waren; terwijl Loes Luca achterin het podium zich terugtrok om zich op te maken voor de volgende scene, zetten twee toneelmeesters de nieuwe decorstukken klaar. Dit zag er soms uit als een choreografie en gaf daardoor iets extra’s aan de voorstelling.

Ik vond de scene met de weduwe het sterkst en die slotscene met de bruid die in paniek raakt het zwakst. Maar niemand hoeft dat met mij eens te zijn natuurlijk. Bovendien: wat doet het ertoe?  Loes Luca heeft een geweldige show neergezet:

Uit de Volkskrantrecensie: …uiteenlopende vrouwen, gespeeld door die ene, unieke.”

In de Ban van Bannink

Harry Bannink (1929 – 1999) is de grote man achter de liedjes van “Ja Zuster, Nee Zuster”, Foxtrot, De Stratemaker op zeeshow en nog heel wat meer moois. Musicals of losse liedjes,vaak geschreven voor gebruik op radio en TV. Gebruiksmuziek dus, maar, zoals ik gisteren in Alkmaar in Theater de Veste mocht constateren, uiterst vakkundig geschreven gebruiksmuziek, neigend naar Kunst. En wat is daar mis mee?

Hollands Symfonia bracht een hommage aan Bannink en liet Bob Zimmermann de liedjes meesterlijk arrangeren voor groot orkest. Nu nog vier solisten: Loes Luca, Henny Vrienten, Nynke Laverman en Frans van Deursen. Zij zongen Banninks werk met veel liefde, hoewel Vrienten – helaas – de zwakste schakel was. Hij gaf aan door griep te zijn getroffen en dat zou best eens kunnen. Frans van Deursen en vooral Loes Luca waren groots. Van Nynke Laverman moet ik zeggen dat ze fraai zong, maar naar mijn smaak ietwat overspeelde , hoewel mij dit in het deel na de pauze aanzienlijk minder stoorde. Ze zong toen ook een paar zeer mooie songs, waaronder “Spuit”.

Tot mijn genoegen was er voor gekozen het feest der herkenning te combineren met de schok van de ontdekking: er waren heel wat minder bekende liedjes te horen en zelfs een premiere: het onvoltooide balletproject van Bannink “Paultje in Posteland”. Wellicht dat Bannink hier zijn talent wat overvraagd heeft, want de door Bob Zimmermann afgeronde en georkestreerde suite deed me in de eerste plaats aan Prokoffief en in de tweede plaats aan een medley op zichzelf staande leuke deuntjes denken.

Dat deed wat mij betreft echter niets af aan het succes van deze avond. Te bedenken dat Bannink, evenals iemand als Joop Stokkermans, uit een tijd komt dat op het conservatorium geen aandacht werd gegeven aan “lichte muziek” maakt de bewondering voor de man die een bron bleek van een stroom liedjes van vrijwel constante kwaliteit alleen maar groter. Grote vraag is dan ook: waarom is dit programma slechts vier keer uitgevoerd?

Cryptonomicon

That is a good book which is opened with expectation, and closed with delight and profit. – Amos Bronson Alcott, teacher and author (1799-1888)

Eind 1999, de Nederlandse vertaling was er volgens mij nog niet, kocht ik Neal Stephenson’s “Cryptonomicon”. Twee jaar later, op 26 augustus 2002 begon ik vol goede voornemens het vuistdikke boek te lezen. Het lukte mij het eerste hoofdstuk uit te lezen.

Op 5 januari 2006 deed ik een tweede poging. Ik besloot hoe dan ook door te zetten, al las ik tussendoor 43 andere boeken, fictie en non-fictie. En gisteren, 8 januari 2008, ruim twee jaar later, mocht ik het boek dichtslaan, met “delight and profit”.

Het is geen eenvoudige kost, dit boek. Maar het loonde de moeite; het zit vol ideeën. Nadeel van het boek vind ik dat er heel wat verhaallijnen inzitten die als in een televisiesoap steeds hoofdstuk voor hoofdstuk worden voortgeborduurd. Ik kreeg de smaak van het boek pas vanaf pagina 500 te pakken – dat was begin december 2007. Ik besloot nu alles op alles te zetten en even flink door te lezen. Een hele kerstvakantie met Cryptonomicon op de bank – het was het waard.

“Neal Stephenson is het soort genie dat op elke pagina met een schokkend idee komt”,

schrijft prof. Pawley in MIT Media Lab. Dat is wat overdreven, maar er staan ontzettend veel ideeën in dit boek. Zo wordt uitgelegd hoe cryptologie werkt aan de hand van de kansberekening dat een fietsketting van het tandwiel afloopt. De problematiek van het stemmen van kerkorgels wordt uitgebreid behandeld, de achtergrond van de Griekse Mythologie, m.n. die van de goding Athena (een idee dat Stephenson ook al in Snowcrash toepaste) en de invloed van de mannelijke libido – om niet te zeggen: geilheid – op het concentratievermogen in een wiskundige formule gevangen. En hoe je met een kaartspel je tekst handmatig kunt versleutelen en ontcijferen, al is dit laatste eigenlijk een idee van Bruce Schneier. Historische figuren worden vermengd met fictieve personen en dit alles in het prachtige gespierde taalgebruik dat maakt dat ik blij ben dat ik het boek in het Engels gelezen heb, al had ik me waarschijnlijk een hoop tijd kunnen besparen door het werk in vertaling te lezen.

Na het voltooien van het boek even op Wikipedia gekeken of ik alles wel goed begrepen had. En wat blijkt:

Portions of Cryptonomicon are notably complex and may be considered somewhat difficult by the non-technical reader. Several pages are spent explaining in detail some of the concepts behind cryptography and data storage security, including a description of van Eck phreaking, as an example.

Kortom: ik ben niet de enige die het boek een taaie kluif vond, maar kennelijk heb ik het toch allemaal wel begrepen. Bij de passages die zich afspelen op Qwghlm stelde ik mij de Hebriden voor – waar ik ooit een fantastische vakantie beleefd heb – en hoewel de eilandengroep eigenlijk volkomen fictief is, blijk ik er niet zover naast te hebben gezeten. Het nalezen van de Wikipedia-pagina’s over Cryptonomicon gaf nog meer verrassingen: Qwghlm blijkt voor te komen op de xkcd’s kaart met Online Communities, waar ik op een ander weblog van mij weleens naar verwezen heb (helemaal rechts bovenin).

Het is een bijzondere schrijver, die Neal Stephenson. Eerder las ik van hem “The Diamond Age” en “Snowcrash” “- het laatste boek stond model voor “Second Life“. Stephenson’s opvolger van “Cryptonomicon” is een trilogie: The Baroque Cycle, bestaande uit: “Quicksilver” (2003), “The Confusion”(2004) en “The System of the World” (2004). Ik wil ze graag lezen.

Maar nu even niet – eerst maar weer iets anders.

Nadine

Eerst maar een citaatje uit de recensie van Peter de Bruijn in de NRC van 24 oktober 2007

Wat regisseur Erik de Bruyn met de camera voor elkaar krijgt, verdient bewondering Uit elk beeld van de film spreekt zoveel plezier en levenslust, dat je Nadine veel, zo niet alles vergeeft. Op de tweede film van regisseur Erik de Bruyn, de langverwachte opvolger van zijn veelgeprezen debuut Wilde mossels, valt het nodige aan te merken, maar toch is de film moeilijk te weerstaan.

Het zal wel. Ik vond de film erg tegenvallen. Er zitten nogal wat rare kronkels in. Zo lijkt de film te beginnen in een supermarkt in Frankrijk, alle artikelen zijn duidelijk in het Frans aangeprijst. Maar als Daniel merkt dat zijn kind gestolen is en hij in paniek raakt, komt de toch duidelijk Nederlands sprekende beveiliging hem tot rust brengen.

Er is gekozen voor drie verschillende actrices om de drie fases uit het leven van Nadine weer te geven. De keus voor Halina Reijn (“One not too attractive brunette” volgens een commentaar op de IMDB pagina) als de jongste versie kan ik nog wel begrijpen, maar Sanneke Bos is zo’n ander type dat het ronduit ongeloofwaardig wordt.

Met drie hoofdrolspeelsters voor één rol, is de kijker zich meer dan gewoonlijk bewust dat hij naar de schepping van een actrice kijkt – en niet naar een personage dat echt zou kunnen bestaan.

Ja, zo kun je het ook zien.

Ondanks de zware thematiek bruist de film van leven, èn van passie voor de filmkunst van een geboren regisseur.

Die er zeven jaar over heeft gedaan om dit gedrocht in elkaar te zetten. Het commentaar op de imdb van een zekere kip70 geeft een klein overzicht van gekunsteldheden, om niet te zeggen: fouten. Aan de voice-over – bekritiseerd in de NRC – heb ik mij niet zo geërgerd. En wat is het doel van dit alles? Volgens De Bruijn is de film een ode aan de actrice:

Niet voor niets is er een muur in de film te zien die is vol geplakt met plaatjes van beroemde filmdivas uit het verleden, van Greta Garbo tot Monica Vitti. Als eerbetoon aan de magie van actrices werkt Nadine het best.

Aan de actrices heeft het niet gelegen. Ik zou ze graag een beter script hebben gegund.

Michiel de Regt – Pontiac Hotel

Gasthuis theater:

PONTIAC HOTEL Michiel de Regt Een vrouw is overrompeld door de wereld om haar heen. Ooit boekte ze een kamer voor de nacht in Hotel Pontiac. Sindsdien is ze er gebleven. Niet vanwege het hotel, maar vanwege alles daarbuiten. Pontiac Hotel is een monoloog opgebouwd uit verschillende bestaande teksten, waarvoor Michiel de Regt (ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Arnhem, Opleiding Theatermaker) de Ton Lutz Prijs 2007 voor het grootste regietalent ontving. De voorstelling is nog maar weinig te zien geweest, vandaar dat Gasthuis nu een herkansing biedt.

Ik zag deze voorstelling in 16 november het Gasthuis in Amsterdam. In de kleine zaal van het Gasthuis Theater speelde Anna Schoen met eenvoudige middelen een voortreffelijke solo-voorstelling. Het stuk is gebaseerd op een collage van teksten van Alessandro Baricco, Esther Gerritsen, Ko van den Bosch, Martin Crimp, Michiel de Regt. Al die teksten passen prima bij elkaar; alleen het laatste, als min of meer onthuld wordt waarom ze alsmaar in dat Hotel is gebleven, werkte voor mij een beetje als anti-climax.

Ik hoorde na afloop Michiel de Regt vertellen dat er zes weken lang vijf dagen per week aan gewerkt is. Wat zijn rol als regisseur is bij een dergelijk solo-theater, daar kan ik me als leek geen voorstelling van maken, maar hij heeft in ieder geval iets originels gemaakt waarvoor hij de Ton Lutz Prijs 2007 gekregen heeft.

De jury van de Ton Lutz Prijs 2007:
‘Michiel de Regt verzamelde een prachtige collage aan teksten bij elkaar en weet daar ook een goed verhaal van te maken. Op geen enkel moment valt een van de gekozen teksten uit de toon. Actrice Anna Schoen speelt prachtig in deze surrealistische, Dalí-achtige voorstelling waar droom en werkelijkheid in elkaar schuiven. De actrice speelt eerlijk, met veel emotie en vol overgave. Naast de voortreffelijke inhoud en spelregie wordt het stuk ook doorspekt met mooie regievondsten.’

Ira Levin's "Dag der Dagen".

Er is geen boek dat ik zo vaak herlezen heb als Ira Levin’s “This Perfect Day”, door J.F. Niessen-Hossele in het Nederlands vertaald als “De dag der dagen”.

Ik maakte kennis met het boek door mijn godsdienstleraar (N.B.!) in de 3e klas van het VWO, dat zal zo 1974 geweest zijn. In drie lessen behandelde hij het boek en las er stukjes uit voor. Ik verheugde me drie weken lang op zijn lessen en was zo weg van het boek dat ik het gelijk daarop voor mijn eerstvolgende verjaardag vroeg. Ik kreeg het en las het dezelfde dag helemaal uit. Daarna las ik het zeker nog twee keer, waarvan één keer in het Engels omdat ik het dan gelijk op mijn boekenlijst kon zetten. Later heb ik het boek zeker nog een keer herlezen.

Ook leende ik het graag uit: ik had echt een missie met het boek want ik leen niet graag mijn boeken uit. Mijn wiskundeleraar verweet mij, toen hij het terug gaf dat hij er twee achtereenvolgende avonden te laat van naar zijn bed was gegaan omdat hij het niet kon wegleggen. Ook anderen waren altijd enthousiast. Het boek staat nog steeds in mijn boekenkast, in redelijk goede staat, maar ik zoek eigenlijk naar een tweedehandsexemplaar van de Engelse editie.

Ik heb van Levin ook “Rosemary’s Baby” gelezen. Absoluut goed, maar één keer was genoeg. En “A Kiss Before Dying”. Ook goed, zoals er zoveel goede boeken zijn. Maar “De dag der dagen” is voor mij lange tijd het “Boek der Boeken” geweest, hoewel ik inmiddels wel een beetje over dat dweperige enthousiasme heen ben.

Vandaag moest ik weer even denken aan hoe dat boek mij jarenlang heeft beziggehouden en beïnvloed heeft in mijn politieke denken.

Schrijver Ira Levin overleden:

Schrijver Ira Levin overleden Uitgegeven: 14 november 2007 05:52 NEW YORK – In zijn woonplaats New York is maandag (12 november) de Amerikaanse bestsellerauteur Ira Levin overleden. Zijn zoon heeft dat dinsdag bevestigd tegen The New York Times.

In het artikel op nu.nl worden Levin’s verdiensten opgesomd, maar “Het Boek” wordt niet genoemd. Ook in de necrologie van NRC komt alles langs, maar niet “mijn” boek. Verdorie.

Waarom ook. Levin zelf had zich, blijkens een interview dat ik van hem las kort na het verschijnen van het “Sliver” (1991) van het boek afgekeerd, ik weet niet meer waarom.

Het boek beschrijft een totalitaire maatschappij die geregeerd wordt door een computer. Vanzelfsprekend zitten er echte mensen achter die computer, die de touwtjes stevig in handen houden.

De held van het verhaal is Chip, eigenlijk Li RM35MM4419, maar door zijn grootvader “Chip” genoemd, naar “A Chip off the old block” – een aardje naar zijn vaartje. Chip heeft namelijk nog een kleine genetische afwijking, hij heeft één groen oog. Dat is natuurlijk slechts uiterlijk, maar Chip heeft daarmee ook iets dat hem niet helemaal vatbaar maakt voor de verdoving die iedereen sinds de Unificatie maandelijks krijgt en die maakt dat mensen tevreden zijn en ergens op hun 62ste doodgaan.

Uiteindelijk zal Chip de computers vernietigen.

Het is weer eens iets anders dan “Brave New World” of “1984”. In ieder geval vond ik het verhaal een stuk spannender om te lezen, maar dat hoeft natuurlijk niet iedereen met mij eens te zijn.

Goed, een paar citaatjes dan:

Chip ontmoet een groepje anderen die zich af en toe aan hun “behandeling” onttrekken. Zij genieten een klein beetje extra vrijheid. Chip slaagt erin een paar Franse boeken van vóór de Unficatie te ontcijferen en vertelt de anderen wat hij daarin gelezen heeft over de vroegere (= onze huidige) maatschappij:

“Er was misdaad, geweld, domheid en honger. Er zat op iedere deur een slot. Vlaggen waren belangrijk en de grenzen van gebieden. Kinderen wachtten op de dood van hun ouders om hun geld te kunnen erven. De verspilling van arbeid en materiaal was onvoorstelbaar”. Hij keek naar Lilac en glimlachte haar troostend toe; haar lang begeerde geschenk ging kapot. “Maar met dit alles”, zei hij, “schenen de leden zich sterker en gelukkiger te hebben gevoeld dan wij. Zij gingen waarheen zij wilden, deden wat zijn wilden, “vedienden” dingen, “bezaten” dingen, kozen, kozen altijd – dat maakte hen op de een of andere manier levender dan de leden nu”.
(p. 85/86)

“Bob”, zei Chip, “wij zijn niet vrij. Niemand van ons. Niet één lid van de Familie”.
“Hoe kan ik luisteren alsof je gezond bent”, zei Bob, “als je zoiets zegt? Natuurlijk zijn we vrij. Wij zijn vrij van oorlog en gebrek en honger, vrij van misdaad, geweld, agressie, zel –
“Ja, ja, we zijn vrij ván dingen”, zei Chip, “maar we zijn niet vrij om dingen te dóen. Zie je dat dan niet, Bob? ‘Vrij van’ iets zijn heeft gewoon helemaal niets met vrij te maken.”
(p.108)

Wijze woorden, nog steeds van belang. Het is nog niet te laat, zou ik zeggen.

Carice van Houten wint prijs Beste Luisterboek

Carice van Houten wint prijs Beste Luisterboek:

AMSTERDAM – De Prijs voor het Beste Luisterboek is dit jaar toegekend aan actrice Carice van Houten. Zij krijgt de onderscheiding voor haar voordracht van Het Achterhuis van Anne Frank.

Het gaat goed met Carice van Houten. Wat mij betreft zien we haar misschien iets te vaak. Inmiddels heeft ze zich ook op het fenomeen luisterboek gestort. Ik lees graag, maar tijd heb je nooit genoeg. Het luisterboek is daarom een ideaal medium, vooral omdat voor in de auto, waar ik niet graag muziek luister – heb de neiging mijn snelheid aan het tempo van de muziek aan te passen.

Ik heb op die manier “Annie” van Kees van Kooten beluisterd, voorgelezen door de auteur zelf, “Het zwijgen van Maria Zachea”, gelezen door Hanneke Groenteman, nog wat Engelstalig spul en “Het Achterhuis” tijdens mijn laatste vakantie.

Het lijkt me niet eenvoudig dat boek voor te lezen, het zijn nu eenmaal dagboekaantekeningen. Of het nou het boek was (dat ik – schande! – nog nooit gelezen had) of Van Houten’s nét iets te hoge voorleestempo weet ik niet, maar het heeft me niet echt geboeid.

Ik gun haar de prijs hoor, maar zou zo graag willen weten wat nou precies het criterium is.

Volgens de jury onder leiding van televisiepresentatrice Noraly Beyer doet Van Houten meer dan voorlezen of voordragen: zij laat Anne Frank leven.

Aha. Dat dus.

Pascal Mercier – Nachttrein naar Lissabon

Mercier’s “Nachttrein naar Lissabon” werd mij op een dag door twee mensen aangeraden. Later las ik een interview met hem in de NRC van 14 september naar aanleiding van zijn nieuwste boek: “Perlmanns zwijgen”. Dat sprak mij aan:

In de tegenwoordigheid leven betekent datgene doen, voelen en zeggen wat met je eigen emotionele identiteit te maken heeft. Het is authentiek leven, dicht bij jezelf blijven. Bij Perlmann is het tegendeel het geval: hij leeft in de blik van anderen, hij is vervreemd van zichzelf. Iemand die in de tegenwoordigheid leeft is innerlijk vrij, kent geen dwang. Hoe groter de innerlijke vrijheid, hoe groter de tegenwoordigheid.

En, over taal:

De meeste mensen hebben een pragmatische verhouding tot taal, ze leren alleen wat ze nodig hebben om zich uit te drukken. Dat een woord op zich iets moois, toverachtigs, iets magisch is, dat weten alleen dichters.

En, helemaal uit mijn hart gegrepen:

Steeds komt Mercier terug op het belang van taal. Iedere ervaring wordt erdoor gekleurd. In zijn aantekeningen schrijft Perlmann over linguistic waste. Linguistic waste is een fenomeen dat ons denken belemmert, het is taalpuin dat ons vergiftigt. We horen alleen nog maar verstarde metaforen, idiote Amerikaanse frasen, iedereen kletst elkaar na. We geloven dat we iets denken, terwijl we in werkelijkheid niet meer doen dan ons naar gangbare vormen schikken. In de krant, op de televisie, nooit lees of hoor je oorspronkelijk taalgebruik. Tegen mijn studenten zeg ik altijd dat ze het woordenboek moeten lezen. Internet is pas echt linguistic waste. (…) We worden allemaal vergiftigd door taalpuin, door verstarde metaforen

“Nachttrein naar Lissabon” is in de eerste plaats een boek over de keuzes die je in je leven kunt maken; je hebt maar één leven. De trein is symbool voor het leven:

Ik woon nu in mijzelf als in een rijdende trein. Ik ben niet vrijwillig ingestapt, had geen keus en weet niet waar we heen gaan…Ik kan de spoorbaan en de richting niet veranderen. Ik bepaal niet het tempo. Ik zie de locomotief niet en weet ook niet of de machinist te vertrouwen is…Wat kan ik doen tijdens de reis? De coupé opruimen. De dingen vastzetten, zodat ze niet meer rammelen…De reis duurt lang. Er zijn dagen waarop ik hoop dat de reis eindeloos zal zijn. Dat zijn zeldzame, kostbare dagen. Er zijn andere dagen waarop ik blij ben met de wetenschap dat er een laatste tunnel zal zijn waarin de trein voor altijd tot stilstand komt.

Gregorius, docent klassieke talen, loopt midden in een les de klas uit, om er niet meer terug te keren. Hij gaat een boekwinkel in en vindt – bij toeval, of is het synchroniciteit? – een boekje van de Portugese arts Amadeu Prado: Um ourives das palavras; “een goudsmit van woorden”. Met hulp van de boekhandelaar vertaalt hij:

Als het zo is dat wij slechts één klein deel kunnen leven van wat er in ons zit – wat gebeurt er dan met de rest?

Gregorius koopt het boek en een cursus Portugees en vertrekt naar Lissabon op zoek naar Prado. Hij neemt de nachttrein, een metafoor voor de donkere staat waarin zijn ziel zich bevindt. Niet alleen ontmoet Gregorius al vrij snel na aankomst alle belangrijke personen uit Prado’s leven, maar ook komt hij al snel terecht bij een arts die hem vol begrip aan een nieuwe bril helpt – een metafoor voor zijn nieuwe kijk op het leven. Dat ligt er allemaal nogal onbevredigend dik bovenop en lijkt in de eerste plaats een kapstok om Mercier’s (of eigenlijk: Peter Bieri’s) filosofische ideeën aan de man te brengen. Authentiek leven, dat is waar het Mercier om te doen is. In dat verband wordt een citaat van uit de Overpeinzingen van Marcus Aurelius aangehaald:

Zondig gerust, zondig tegen jezelf en doe jezelf geweld aan, mijn ziel; maar later zul je niet meer de tijd hebben om jezelf te achten en te respecteren. Want één leven slechts, een enkel leven heeft eenieder. Voor jou is het bijna afgelopen en je hebt in je leven jezelf niet ontzien maar je hebt gedaan alsof het bij je geluk om de andere zielen ging…Degenene evenwel die de bewegingen van de eigen ziel niet oplettend volgen, zijn noodgedwongen ongelukkig.

Uiterst mooi vind ik persoonlijk:

Het gloeiende gif van de ergernis:

Als de anderen ons aanleiding geven ons aan hen te ergeren – aan hun driestheid, hun onrechtvaardigheid, hun egoïsme – dan oefenen ze macht ove ons uit, ze zitten ons dwars en knagen aan onze ziel, want ergernis is als een gleoiend gif dat alle zachte, nobele en evenwichtige gevoelens vernietigt en ons van onze slaap berooft. (…) We kunnen er zeker van zijn dat we op ons sterfbe, als deel van de laatste balans – en dat deel zal bitter smaken als cyanide – zullen vaststellen dat we veel, veel te veel energie en tijd hebben verkwist met ons te ergeren en het de ander in een machteloos schijntheater betaald te zetten, terwijl enkel en alleen wijzelf, die er zo zwaar onder geleden hebben, dat weten.

Leuk het schaakcitaat, kennelijk niet van Mercier zelf:

Tartakover werd een keer gevraagd wie hij als de grootste schaker beschouwde. Hij zei: “als schaak een gevecht is – Lasker; als het wetenschap is – Capablaca; als het kunst is – Aljechin”.

Vol verwachting ben ik aan “Nachttrein” begonnen, maar het slappe gefilosofeer viel me nogal tegen; het is vooral New-age-erig. Door het prachtige taalgebruik staat het boek weliswaar hoger dan “De Celestijnse belofte” of Coelho’s “De Zahir”, maar het haalt het niet bij “De schaduw van de wind“, waarin eveneens een zoektocht naar een bijzondere schrijver wordt ondernomen. Er zitten wel mooie passages in, maar het verhaal is nogal onzinnig en de filosofie lees ik liever in een boek over filosofie. Ik zou zeggen: een zeventje.