Tag Archives: Books

Dan Brown, de nieuwe Hubert Lampo

Een weekje had ik nodig om de 509 pagina’s van Dan Brown’s nieuwste boek, “The Lost Symbol” uit te lezen. Dat is wel iets langer dan de vijf dagen waarin ik mij in de meivakantie van 2004 door “The Da Vinci Code” heenvrat. Dat boek behandelde echter de graal en dat is een onderwerp waar ik door Hubert Lampo in geïnteresseerd ben geraakt. Over Lampo heb ik al eens geschreven, namelijk bij zijn overlijden in 2006. Lampo had, na een aantal echt sterke boeken een sjabloon gevonden waarop hij al zijn latere en steeds dikker wordende boeken modelleerde. Helaas kwam dat dikker worden de kwaliteit van die boeken niet ten goede en op het laatst (De Elfenkoningin, De verdwaalde carnavalsvierder) werden de verhalen ronduit onzinnig, maar zijn laatste boek, “De Geheime Academie” was eindelijk weer eens “een èchte Lampo”, zoals ik op 22 mei 1994 in mijn boekenschriftje noteerde. Aangezien dit boek geïnspireerd was op “The Holy Blood and the Holy Grail” van Michael Baigent e.a. ben ik een half jaartje later ook dit boek gaan lezen en ik herkende de thema’s dan ook onmiddelijk toen ik vijf jaar geleden Brown’s “Da Vinci-code” las. Er is nog even sprake geweest van plagiaat, daar heb ik op een ander weblog van mij over geschreven.

Brown’s boek had echter één nadeel, het thriller-genre spreekt mij niet zo aan. Het leest allemaal soepel weg, tussendoor pik je nog wat feitjes over de graal op (en daar was het me uiteindelijk om begonnen), maar vooral op het laatst werd ik er moe van dat steeds een ander personage de dader bleek te zijn.
Ik had dan ook geen behoefte om de andere boeken van Dan Brown te gaan lezen en was aanvankelijk ook niet van plan “The Lost Symbol” te gaan lezen.
Ik kwam ertoe door lezing van een boek over de vrijmetselarij in Leipzig: “Leipzig und die Freimaurer: Eine Kulturgeschichte van Otto W Förster”. Dit boek las ik in samenhang met mijn belangstelling voor de componist Albert Lortzing en, zo gaat dat bij mij, van het een kwam het ander.
Helaas, zoals met dat ook al eens was opgevallen bij de boeken van Nicci French en, ik moet het ook van mijn held zeggen, ook al bij de latere Hubert Lampo, heeft Dan Brown gewoon hetzelfde boek nog eens geschreven, maar dan met andere namen. Zoals “De Volkskrant” stelt in de recensie van Rolf Bos van 19 september 2009, Dan Brown heeft zichzelf geplagieerd.

Enfin, het is The Da Vinci Code goes to Washington. Brown, die in het verleden van plagiaat werd beschuldigd (hij won een aantal geruchtmakende processen), herhaalt nu zelf het kunstje dat hij zo succesvol tentoonspreidde in de besteller uit 2003. Want Mal’akh is Silas, Peter Solomon is de arme Jacques Saunière, die in het vorige boek naakt in een zaal van het Louvre lag, Katherine Solomon is natuurlijk Sophie Neveu en de vrijmetselarij is de Priorij van Sion.

Er valt wel wat over de “vrijmetselarij te leren in dit boek; de Orde van Vrijmetselaren was dan ook positief over het boek. Jeffrey Tyssens, een in de geschiedenis van de vrijmetselarij gespecialiseerd historicus, vindt echter juist dat Brown de plank volledig misslaat waar het de essentie van de vrijmetselarij betreft. Het zou kunnen.
Op pag.31 van de Engelse uitgave geeft Brown een definitie van de vrijmetselarij:

Masonry is a system of morality, veiled in allegory an illustrated by symbols.

Zoveel was mij uit het boek van Förster ook duidelijk geworden. Blijft over het verhaal.
***SPOILER ALERT***
Dat is in ieder geval zo geschreven dat ik er twee nachten wat uurtjes slaap voor heb ingeleverd. Tijdens het lezen voelde ik mij weer als in de goeie ouwe tijd als ik weer een nieuwe “Lampo” onder handen had. Symboliek, een queeste, een mentor en een sluimerende liefde – het zit er allemaal in.
Alleen voelde ik mij verraden op het eind, toen bleek dat Mal’akh eigenlijk dezelfde persoon was als Zachary Solomon, de zoon van Peter Solomon, terwijl eerder toch gesuggereerd was dat hij diens mede-gevangene was, die hij, nadat hij hem het geheim van de pyramide ontfutseld had, had vermoord. De desbetreffende pagina nog eens nagelezen – pag 222 – 223. Tja, uit niets blijkt “Inmate 37” (de latere Mal’akh) en Zachary Solomon niet één en dezelfde persoon zou kunnen zijn, maar de bedoeling van de schrijver is toch wel heel duidelijk dat je een boek lang op het verkeerde been gezet blijft, tot de onthulling op pag 448 komt. Flauw, vind ik, want Brown speelt verder in het boek de rol van alwetende verteller. Maar dat soort spelletjes is kennelijk eigen aan het genre waarin Brown verder zo succesvol is – en waar ik nu net géén liefhebber van ben. Maar, zoals bij “The Da Vinci Code”, heb ik het Dan Brown vergeven: “The Lost Symbol” is een heerlijk boek, dat je een paar uren laat leven in een andere wereld.

Contrapunt

Gelijk na het lezen van “De wet van Spengler” begon ik in Anna Enquist‘s “Contrapunt””. Een zelfde soort boek vanwege de psychologie van het verwerken van het overlijden van een geliefd familielid (in het geval van “Contrapunt” Enquist’s dochter die in 2001 bij een verkeersongeval om het leven kwam), maar heel anders vormgegeven. Enquist beschrijft herinneringen aan haar dochter aan de hand van Bach’s “Goldbergvariaties”. Bach zelf schijnt die variaties te hebben gecomponeerd om het verlies van zijn zoon Bernhard te kunnen verwerken. Daar had ik nog nooit van gehoord, maar ik neem het op gezag van Anna Enquist graag aan.

Het boek leek mij interessant, niet in de laatste plaats omdat ik zelf musicus ben en erg van Bach’s werk houd. Ik werd niet teleurgesteld.

Enquist heeft ieder hoofdstuk steeds uit drie delen opgebouwd: als eerste beschrijft ze de variatie, waarvan het begin ook in noten staat afgedrukt. Die beschrijvingen zijn soms behoorlijk technisch, o.a. door het gebruik van vaktermen – het schijnt echter dat dat voor de muzikaal ongeschoolde lezer geen bezwaar is; althans dat vond mijn literaire vraagbaak Kees van der Pol op scholieren.com, die schrijft:

De samensteller van dit leesverslag is geen expert op het gebied van muziek, maar dat hinderde niet om van de gehele compositie te genieten.

Hoewel er natuurlijk ook andere meningen zijn, bij voorbeeld die van Janet Luis in de NRC:

(…) het is jammer dat het hoofdstukjes apart blijven met een notenbalk erboven (de eerste drie maten van elk van de 32 onderdelen van de Goldbergvariaties) en soms net iets te veel theorie: de halve secunden, de neerdalende sequensen, de gepuncteerde ritmes, dubbelslagen en voorhoudingen halen de vaart uit het verhaal, zeker als je, om het wat concreter en hoorbaarder te maken, een cd met Goldbergvariaties erbij opzet.

Ja, misschien moet je die CD er niet bij opzetten, maar lekker achteraf beluisteren. Als getraind notenlezer heb ik natuurlijk makkelijk praten, maar ik had voldoende aan die eerste drie maten om mij een voorstelling te maken van de variatie (die ik als luisteraar niet heel erg goed kende) en de bijpassende beschrijving.

Daarna beschrijft Enquist een gebeurtenis uit het gezinsleven met daarin overwegend de dochter als centrale persoon. Niet zelden wordt er een parallel getrokken met de betreffende variatie, waardoor Bach’s werk bijna iets programmatisch krijgt. Laat ik wat citeren uit de NRC recensie:

Een vierstemmige fuga herinnert haar aan de vroegere vierkoppigheid van het gezin. De heldere lijnen van de derde canon doen haar denken aan haar dochter toen ze twaalf was en nog net niet in de puberteit. De onrustige noten in variatie 17 voeren haar naar de Zweedse hooiberg met ritselende muizen, waarin haar dochter ooit sliep met een vriendje.

En tenslotte volgt er vaak een bespreking van Enquist eigen gevecht met Bach’s noten, hoe studeer je zo’n werk in, wat gebeurt er allemaal met je als musicus, zelfs als je een afgestudeerd pianist bent, voor je zo’n stuk kan spelen? Een groot fragment, waarin de pianiste en de psychologe Enquist samenkomen:,

Pianospelen was biologie, fysiologie, neurologie. Je had maar een oppervlakkig idee van wat er in je hersenen gebeurde als je aan het spelen was. Je was aan het inprenten, onthouden, anticiperen. Je was aan het voelen en vormgeven. Dat wist je wel. Onder het schild van cognitieve en emotionele bedrijvigheid vonden andere, geheime processen plaats. Gebeurtenissen, met hun concrete verloop in tijd en ruimte, kon je vatten in taal, omkleden met gedachten en gevoelens. De chemische vertaling ontging je, al speelde die zich af in het centrum van je brein. De vrouw had zich verdiept in de neurochemie van het trauma. Wat zich in het leven voordeed als een ramp, luidde in de hersenen een bombardement in dat geheugencircuits, synapsen en verbindingen voorgoed vernielde. Een catastrofe luxeerde een cortisolwaterval die een destructie zonder weerga teweegbracht. Je voelde dáár niets van. Beetje trillerig misschien. Van slag. Niet alsof iemand met fileermessen in je hoofd tekeerging.

Wat kon je doen? Hoe moest je beginnen om de losgeraakte verbindingen te herstellen? Was het mogelijk om enige orde in de aangerichte chaos te bewerkstelligen?

Spelen. Pianospelen hielp. Door het moeizame, zo oplettend mogelijke, repetitieve studeren weefde de gewonde pianist geduldig aan de verbinding tussen beide hersenhelften. Elke dag weer werden er vezels toegevoegd, diep onder in de hersenen, en groeide de hippocampus, de verborgen brug die door de vloed was weggeslagen. Volledige restauratie was niet haalbaar, was misschien ook niet gewenst. De vernielingen die het trauma had aangericht bleven zichtbaar, als stille getuigen. Door het pianospelen bouwde je een loopbrug, een wankel plankier dat je in elk geval in staat stelde te midden van de verwoestingen rond te lopen en het verkrachte gebied in zicht te krijgen.

Ik heb zelf het meest van deze passages genoten, gek genoeg lees ik daar in de recensies niets over terug. Ik ben het dan ook volstrekt oneens met Alle Lansu, de recensent van Het Parool, die schrijft:

Het is op zichzelf een verdienste dat Enquist de op de loer liggende pathetiek heeft weten te omzeilen.
Maar de manier waarop ze afstand houdt door te spreken van ‘de vrouw’, ‘de moeder’ en ‘de dochter’, komt nogal krampachtig over, en is op den duur irritant afstandelijk.
Vermoedelijk uit angst voor melodrama is Enquist hier in het andere uiterste verzeild. Het levensverhaal van haar dochter blijft steken in een braaf verslag. De beschrijving van haar gevecht met de muziek verzandt in saaie technische verhandelingen.

Deze passages zijn juist ongekend persoonlijk, want Enquist geeft ons hier ruimhartig een blik in de keuken van de pianist, die ze zelf is. Dát, meer dan de muziektheorie, is wellicht voor een buitenstaander (die waarschijnlijk denkt dat musici altijd alles “zomaar” kunnen) niet te begrijpen, en moet de reden zijn dat Lansu er zo negatief over doet.

“Contrapunt” is een prachtig boek; het is trouwens ook prachtig uitgegeven. De voorkant met de hand  en de weerspiegeling daarvan in de vleugel alleen kan al aanleiding zijn tot eindeloos gemijmer over de betekenis. Het symboliseert zeker de titel van het boek (Contrapunt betekent “noot tegen noot”, het is de oude techniek van de polyfonie, waarvan Bach de laatste representant en het absolute hoogtepunt was); het symboliseert ook de weerspiegeling van de moeder in de dochter (of de band tussen die twee?). Het symboliseert wellicht ook (volgens Kees van der Pol) de relatie tussen leven en dood. Het boek zelf is niet eenvoudig samen te vatten, omdat het nogal kaleidoscopisch geschreven is; er is geen chronologie. Ook hier gaat Kees van der Pol mij weer uit de brand helpen met zijn voortreffelijk samenvatting op scholieren.com (die man moet docent van het decennium worden):

Hoofdstuk 1: Aria
De vrouw speelt de Goldbergvariaties van Bach: dit stad had ze ook al ingestudeerd toen ze kleine kinderen had. Dat is bijna dertig jaar geleden. Ze neemt nu het stuk opnieuw ter hand. Het spelen van het stuk heeft ook te maken met het oeroude motief van de relatie tussen heden en toekomst. In de Griekse mythologie komt het voor dat je met de rug naar de toekomst staat.
Zo denkt ze de aria van Bach. De eerste en de laatste aria lijken dezelfde te zijn, maar omdat er 30 variaties tussen zitten, is er toch iets met de componist en de vertolker en de luisteraar gebeurt. Het is zo als met het leven: ook iets wat hetzelfde lijkt, is het niet meer omdat de mens in de tussentijd veranderd is.

Ze heeft gelezen dat alles in het leven twee keer gebeurt: eerst als tragedie dan als klucht. Zo heeft ook de pianist Glen Gould de Goldbergvariaties twee keer uitgebracht: aan het begin en het einde van zijn leven, maar in die tussentijd is er veel gebeurd. (1955 en 1982) Hij wordt in zijn laatste optreden bijna een met Bach en daarnaast spelet wanhoop een rol. De aria van de Goldbergvariaties was ook het “liedje van haar en haar dochter” geweest. De wijze Bach had het lied ooit gemaakt voor zijn volwassen zoon Bernard die ook overleden was. Het stuk is dus een mooie schakel tussen hem, de vrouw en haar dochter, die verongelukt is.

Daarna volgen de hoofdstukken met de 30 variaties.
In elk hoofdstuk worden de muziekvariaties doorgenomen en gekoppeld aan herinneringen van de vrouw aan vooral “de dochter.”
Zo beschrijft ze o.a.:
– in variatie 1 : haar 6 jarige dochter die met een volksdansgroepje gaat meedansen
– in variatie 2 : haar 27-jarige dochter die met een vriend door de stad fietst
– in variatie 3 : d e geboorte van haar dochter die met behulp van een verlostang ter wereld moet komen en de ervaring van de vader die negen maanden later zijn kind leert kennen
– in variatie 4 : de moeite die ouders hebben dat hun afgestudeerde kind met een vriendin alleen op vakantie gaat
– in variatie 5: het gezin wordt uitgebreid met een broertje, voor wie het meisje zich ook verantwoordelijk voelt
– in variatie 6 : hoe de kinderen samen goed kunnen spelen
– in variatie 7: de kinderen wonen een concert van hun vader bij en zijn erg trots: ze roepen naar hem
– in variatie 8: in dit stuk bezoekt de dochter een therapeute die haar moet duidelijk maken hoe ze de taken in haar leven moet ordenen
– in variatie 9: de 12-jarige dochter kiest voor een heel andere school dan haar ouders willen en ze blijkt snel te wennen en vriendinnen te maken
– in variatie 10: de vakanties die ze met vrienden die ook twee kinderen (een jongen en een meisje hebben) de vier kinderen kunnen goed met elkaar opschieten
– in variatie 11: een variatie waar de moeder tegen opziet loopt parallel met een hoofdstuk waarin over sporten wordt gesproken: de zoon gaat voetballen en de dochter wil op roeien, maar vermaak en lok staan boven een gerichte prestatie
– in variatie 12: gaat over de puberteitshouding van de dochter die op school geen Latijn en Grieks maar wiskunde wil, die in d e vrije tijd niet in een verpleeghuis werkt, maar in een restaurant. Kortom, de dochter die haar vrijheid wil bevechten
– in variatie 13 wordt een bezoek aan de specialist beschreven die onderzoekt wat de toestand van de dochters stembanden is. De dochter is dan 24 jaar. Ze heeft een genetische afwijking, waardoor ze beter geen professionele zangeres kan worden; als amateur kan ze best in een band blijven zingen, maar z e moet oppassen voor knobbels op haar stembanden. Na twee jaar legt de dochter zich neer bij de situatie.
– Variatie 14: in deze passage ontmoet de moeder een vriendin van haar dochter die in retrospectief opzicht vertelt hoe populair de dochter op school was. In de voorlaatste klas was ze uit op de knapste jongen van de school en ze wist hem te versieren. Het was aanvankelijk een droompaar, dat later uit elkaar ging.
– Variatie 15 is de eerste Goldbergvariatie in mineur in het stuk. Mooi is dan de parallel te zien die in de inhoud van het leven van de dochter komt. Ze komt voor het eerst met de wrede wereld in aanraking: haar relatie raakt uit; ze hoort van slechts nieuws in haar omgeving van vrienden en vriendinnen, wil iedereen helpen, maar weet niet hoe ze het moet aanpakken. Radeloos is ook de moeder die haar dochter niet kan leren hoe je met dit soort verdriet om moet gaan.
– In Variatie 16 wordt de eerste ouverture in de variaties gegeven. Dan is er ook weer een vergelijking met de inhoud: ouverture is iets nieuws en er komt dan een nieuwe episode in het leven van de dochter: ze gaat het huis uit en gaat het huis met een paar andere meisjes bewonen. De dochter vraagt aan de moeder of ze boos is. De moeder weet dat het een stadium in het leven van elk mens is.
– In variatie 17 gaat de dochter met een vriend terug naar een adres in Zweden, waar ze vroeger met haar ouders kwam: ze logeren in een open hooiberg
– Variatie 18: de dochter heeft schulden gemaakt en de moeder maakt alles weer in orde met de bank
– In variatie 19 mag de dochter een optreden met haar band verzorgen in een concertzaal tijdens een boekenprogramma; de dochter maakt indruk zeker met een solonummer.
– In variatie 20 hoort de moeder van de zoon hoe zijn zus in een gemeenschap in Zweden woont; hij heeft met haar op de kamer geslapen en een leuke tijd meegemaakt
– In variatie 21 denkt de moeder aan haar 26-jarige dochter die soms doelbewust afstand van haar neemt. Ze meent in een andere jonge vrouw haar dochter te zien
– In variatie 22 gaan ze met zijn vieren op jonge leeftijd met de rugzak om trekken tijdens de vakantie
– In variatie 23 viert de moeder met haar tienjarige dochter het feest van het licht, Lucia. Ze bakken luciabroodjes, wat een Zweeds ritueel is.
– In de 24e variatie is het gezin op wintersportvakantie. De dochter valt en breekt haar been. De moeder moet opnieuw afscheid nemen van haar dochter , vlak voor de operatie. De dochter krijgt een pen door de knie en zal drie maanden moeten revalideren
– In variatie 25 verdiept de vrouw zich eerst in de dood van Bach: hij heeft suikerziekte (ouderdoms-) opgelopen, maar het werd in die tijd niet onderkend. Daaraan sterft hij als een Middeleeuwer. In dit hoofdstuk wordt de moeder zelf ook ziek en naar het ziekenhuis gebracht, terwijl de vader in het buitenland werkt. De dochter is zeven en moet op haar broertje passen. Ze worden wel geholpen door de omgeving (buurvrouw, schooljuf)
– In de 26e variatie is de dochter als 22-jarige voor het eerst op vakantie met een vriendin. Bij thuiskomst blijkt dat de twee vriendinnen ruzie om een jongen hebben gekregen. De dochter heeft hem gezoend, wat niet mocht van de vriendin. Het is tot een breuk tussen die twee gekomen.
– In de 27e variatie wordt de laatste canon opgenomen. De vrouw gaat met haar dochter naar de bioscoop. De moeder heeft weer zo’n gevoel van niet willen loslaten.
– Variatie 28: waarin de vrouw nadenkt over de invloed van Bach op zijn navolgers. In het leven van haar dochter en zoon is ook een belangrijk punt: ze studeren beiden af. Daarna is het feest met veel gedans en gezang. De vader en de moeder zijn trots op de kinderen. In de moeder zit reeds een gevoel van paniek.
– In variatie 29 moet de dochter na haar afstuderen nadenken over wat ze wil gaan doen: ze neemt een tijdelijk baantje, een tijdelijke minnaar en gaat daarna met vriendinnen op vakantie. In de muziekvariatie is Bach flink tekeer gegaan alsof hij een woede van een soort trauma moet afreageren. De dochter heeft ontslag genomen en gaat werken als lerares en programmamaakster op de televisie. Ze zal morgen voor de laatste keer op haar racefiets naar haar kantoorbaan fietsen. Uit het rechtbankrapport reconstrueert de moeder de dood van haar dochter: een dodehoek-ongeluk van een vrachtwagen die rechtsaf slaat, waardoor ze hersenletsel oploopt. De moeder is op vakantie op dat moment.
– In variatie 30 denkt de vrouw aan Bach die terwijl hij op reis was (zie variatie 29 voor de parallel) hoort dat zijn eerste vrouw overleden is. Daarna hoort hij dat zijn zoon Bernard ook aan een koortsaanval overleden is. Bach sluit zich op en begint aan de Goldbergvariaties. Die poging moet hem voor krankzinnigheid door zijn verdriet behoeden. De vrouw beseft dat de 30e variant er één van afscheid nemen is.
Het laatste hoofdstuk heet Aria da capo.
De vrouw is klaar met het instuderen. Ze heeft alle aantekeningen op haar muziekpapieren aangebracht: haar potloodje is versleten. Het is haar gelukt ondanks haar trauma om alles voor elkaar te krijgen. Ze moet daarbij ook denken aan de lijst met de laatste dingen die ze moest doen, nadat ze had gehoord dat de dochter dood was. ze moet al afscheid nemen van voorwerpen van haar dochter, de geur van haar is er al niet meer. Alleen in de muziek kan ze het onbeschrijflijk verlies onder woorden” brengen. In taal lukt het niet. In de allerlaatste regels gaat de moeder de laatste klanken spelen: ze gaat het voor de dochter spelen. Ze ziet het kind voor zich. “Het is ons lied”zegt de dochter en de moeder speelt.. Nu speelt ze en altijd speelt de vrouw de aria voor haar dochter.

Nu ik al zoveel bij elkaar gepikt heb voor deze bespreking wil ik graag afsluiten met nog één diefstalletje (het pleit hopelijk voor mij dat ik het steeds eerlijk toegeef): de prachtige prent die Peter van Dongen van Anna Enquist maakte als illustratie voor de NRC-recensie. Ik beschouw het als kunst.

De wet van Spengler

Tijdens mijn geregelde strooptocht door boekhandels zag ik enige tijd geleden alweer “De wet van Spengler” liggen. Het trok onmiddelijk mijn aandacht vanwege de naam “Spengler”, ik associeerde onmiddelijk met Oswald Spengler, de schrijver van het grootse “Der Untergang des Abendlandes”. Dit boek heeft mij geïnspireerd om, als daarom gevraagd wordt, de naam “Spengler” als 2e naam achter mijn internet-alias “Kuehleborn” te plaatsen, bijvoorbeeld in Second Life.
De naam trok mij dus – ja er moet toch iets zijn waarom je naar een boek grijpt. Helaas, er was geen verband, dus ik legde het terug; het boek leek mij niets.

Enige tijd later kreeg ik het voor mijn verjaardag, van vrienden die weten wat goede literatuur is. Inmiddels heb ik het gelezen en het is prachtig.

Voor de inhoud maak ik graag schaamteloos gebruik van het voortreffelijke boekverslag van docent Kees van der Pol op scholieren.com.

Samenvatting van de inhoud
Proloog
In de proloog reist de ik-verteller vanuit Roemenië naar Twente: (per vliegtuig en per trein)
Eigenlijk hoort de proloog achter deel 2. Hij eindigt met een brief van zijn nichtje Louise die graag met de verteller naar Parijs wil: zie deel II.

Deel I Masray, 1970
Dit deel geeft een aantal fragmenten uit het leven van de jonge Frederik Spengler. Hij is nog maar een jongetje van zes/zeven jaar en hij begrijpt een heleboel zaken nog niet. Zo wordt hij van school gehaald om een nieuw broertje of zusje te kunnen begroeten, maar ineens wordt er niet meer over gesproken. Ook wordt verteld over zijn zieke vader Pol (die mogelijk een echte Stradivarius had bezeten) maar hij mag niet in de kamer komen waar hij ligt. Wanneer hij toch een keer in de kamer gaat, ziet hij dat hij leeg is. Dan worden de vier broers door hun moeder op de trein gezet naar Twente, waar de grootouders Dupont hen van de trein halen. Ze hoeven niet naar school en beleven een prachtige tijd bij de steenrijke grootouders. Opnieuw zijn de hoofdstukken wat fragmentarisch: zo voert Frederik de kippen met zijn opa wat hem een leuke herinnering bezorgt ; de gewoonten van de familie Dupont zijn die van de rijke industriëlen met een flinke borrel op zijn tijd.
Opa en oma waren van de generatie die de gewoonte had vanaf vier uur ’s middags whisky’s, gin-tonics of portjes te drinken. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd er gerookt, opa sigaren en pijp, oma Lucky Strikes, en de asbak in de auto stond bol van de peuken en as.’
Frederik mag op jonge leeftijd ook al golfen en wanneer hij een keer met zijn bal een ruit inslaat, vindt zijn opa dat een “nice shot.” Ook is opa enigszins bezeten van de oorlog en hij laat de broers de onderduikkamer zien, waarin alles heel goed georganiseerd was en je de oorlog gemakkelijk ondergedoken kon doorbrengen.
Frederik beseft ook dat je het bloed van de Spenglers altijd in je genen blijft houden, waar je ook over de wereld heentrekt: ‘Ik kon naar de andere kant van de wereld verhuizen, in een holle boom bij de Papoea’s gaan wonen en de rest van mijn leven eiwitrijke wurmen op mijn tong laten smelten, mijn genen en ingesleten hebbelijkheden bleven me verraden’.

Na een tijdje moeten de broers weer naar huis en dan komt er toch een nieuwe baby, het broertje Boris. Daarna wordt vader weer opgenomen in een inrichting en mag Frederik een keer met zijn moeder op bezoek. Ze zijn nauwelijks thuis of vader is dood: hij is formeel van een brancard gevallen, maar gezien het aantal toespelingen van Frederik in deel II op het fenomeen zelfmoord, lijkt het waarschijnlijk aan te nemen dat vader Pol zelfmoord heeft gepleegd, omdat hij depressief was. Frederik krijgt via zijn opa Dupont tekenles van tante Eliane. Hij heeft een leuke tijd met haar en met zijn opa, die op een zeker moment ook dood gaat als gevolg van een auto-ongeluk. Na de begrafenis is de toch wat afstandelijker oma Dupont vol lof over opa. Frederik heeft behalve verdriet om het verlies van zijn opa ook verdriet over het verdwijnen van zijn vriendje Tijn. Het was zijn eerste vriendschap en Tijn moet meeverhuizen met zijn ouders. Een derde groot verdriet is het sterven van een duif van Frederik. Daarmee wordt deel I afgesloten.

Deel II begint in 2006 in Roemenië, waarnaar Frederik met zijn vrouw Gabriella is verhuisd. Julius de oudste broer komt op bezoek en alles staat in het teken van de jacht, een hobby en een tijdverdrijf waar de Spenglers zich met gretigheid aan over geven. Maar Julius voelt zich niet lekker: hij heeft steeds koppijn en van de afgesproken jachtpartij bij één van zijn zakenrelaties komt weinig terecht.
Gabriella is de dochter van een rijke, maar door het regime verdreven familie. Waar in Nederland de verhoudingen tussen baas en knecht zijn verdwenen, is die relatie in Roemenië nog steeds geldig.
Julius is bang voor een hersentumor en die vrees wordt bewaarheid. Hij wordt snel na het ontdekken ervan geopereerd en wil weer alles gaan doen. Maar de hersentumor lijkt niet de primaire tumor en die moet natuurlijk ook worden opgespoord. Frederik en Balthazar bezoeken Julius ’s nachts in het ziekenhuis: hij zegt dat hij niet bang is voor de dood en dat hij een mooi leven heeft gehad. Hij heeft een vrouw en drie kinderen. Acht weken na de operatie bezoekt
Frederik opnieuw zijn oudste broer: hij nodigt hem uit voor een jachtpartij in Roemenië, maar Julius heeft er niet meer de energie voor. Er komen steeds meer uitzaaiingen (nieren,lever, longen en hersenen) en Julius voert een ongelijke strijd tegen de kanker. Frederik wordt ook de man die moet doorgeven wie er wel en wie niet op visite mogen komen. In maart 2007 wordt Julius 50 jaar en de broers steken paasvuren af. Hij vraagt Frederik om de hoofdspeech op de begrafenis te houden. Verder wil hij wat zaken regelen rondom de erfenis en hij vraagt Frederik met zijn dochters mee te gaan naar Parijs om hen het duurste hotel en de duurste winkels te laten zien. Als teken van afscheid geeft hij zijn broer een kus en Julius doet hetzelfde. Dat was heel ongebruikelijk in de familie van de Spenglers. De mannen moeten zich altijd heel stoer gedragen. Zo is er een flashback waarin het verblijf van de broers op het Schotse eiland Kintra wordt beschreven: hier bedrijven de mannen de hertenjacht.
Frederik gaat terug naar Roemenië en wacht op een telefoontje van zijn moeder. Na haar noodoproep wil hij meteen terug naar Nederland, maar onderweg naar het vliegveld hoort hij dat zijn broer al overleden is. Wanner hij met Tine naar het mortuarium gaat om het lijk te bekijken, beseft hij pas goed dat zijn broer dood is. Hij gaat zijn speech voorbreiden, waarin hij vooral moet gedenken dat Julius heel gelukkig is geweest met zijn vrouw en kinderen. Op de dag van de crematie brengen de vier broers een eresaluut aan het lijk van Julius, waneer de lijkauto de familie komt ophalen. In moeilijke tijden staan de vier broers pal achter hun familie: de wet van Spengler.

Voorin het boek staan twee motto’s, die iets toelichten over de wet van Spengler, die aangeven dat het boek nog een diepere, filosofische laag heeft dan alleen de psychologie tussen twee broers waarvan er één aan kanker sterft. Daarvan spreekt vooral de tweede mij aan: het is vrij lang, dus ik citeer alleen het stuk waar het mij om gaat:

The Dadaïst should be a man who has fully understood that one is entitled to have ideas only if one can transform them into life – the completely active type, who lives only through action because it holds the possibility of his achieving knowledge. (Richard Huelsenbeck, En avant Dada

De filosofie zit ook in het boekje van Epiktetus waaruit Fredrik voorleest aan Tine, inmiddels de weduwe van Julius:

Niet de dingen zelf maken de mensen van streek, maar hun denkbeelden daarover. (…) Daarom moeten we wanneer we gedwarsboomd, verontrust of gekwetst worden, nooit anderen de schuld geven maar alleen onszelf, dat wil zeggen: onze opvattingen daarover. (p. 242)

De wet van Spengler lijkt te zijn dat een familie in moeilijke tijden als één blok achter elkaar staat. Dat blijkt bijvoorbeeld heel mooi bij de crematie van Julius als de overgebleven broers een eresaluut brengen aan het lijk van Julius – schitterend en ontroerend beschreven. Maar wellicht is er ook een wet van Dupont: de familienaam van de moeder die met haar wilskracht de jongens een sterk karakter heeft meegegeven:

Oma Dupont had haar zonen to hockeyen en tennissen aangespoord, mama had vechtsporten geëntameerd. (…)Mama vertrouwde niet al te veel op de medemens, zij had ervaren hoe weinig ruggengraat aanwezig was bij al die gezellige sherrydrinkers. Verder denk ik dat zij het, bij afwezigheid van een vader, wel praktisch vond dat de manlijke agressie gedisciplineerd raakte.
(…)
Iedereen die gehockeyd heeft weet dat je positie voornamelijk wordt bepaald door de moeders die op zaterdag bardienst draaien of op dinsdagavond het clubblaadje nieten.(p. 147)

Hoe zwaarder de tijden, hoe rechter mama liep. Mama had zelf altijd nadrukkelijk op eigen benen gestaan en verwachtte van ons hetzelfde. Ze zou eerder een plee schrobben dan haar ziel verkopen. Haar trots verbood haar bij wie dan ook voor hulp aan te kloppen. Wat niet wegnam dat zij ons leerde hoe we een mes en vork moesten vasthouden. Als we in het weekend of in de vakantie bij onze grootouders in de afbrokkelende wereld der grootindustriëlen belandden, hoefden we haar niet te schande te maken. (p. 150)

Toen Balthazar op het atheneum eens iets had uitgevroten, werd mama bij de rector geroepen. Ze werd binnengelaten, maar kreeg geen stoel aangeboden. De rector zat achter z’n bureau en deed uit de doeken hoe Balthazar zich had misdragen. Mama was gedwongen als een schoolmeisje voor het bureau te staan. Ze was ziedend. Een school die door zo’n ongelikte beer werd geleid kon niks zijn. De volgende dag nam ze al haar zonen van school.
Met de wilskracht van mama en de koppigheid van de Spenglers meenden wij dat wij ons lot enigszins konden vormen. (p. 152-53)

De wet van Spengler gaat daarmee ook over levensstijl, integriteit, trots, volharding. En dat alles in een boek dat heerlijk wegleest en je naar de strot grijpt door de zuivere manier waarop emoties beschreven worden.

De basisbibliotheek

Ik weet het, het mag eigenlijk niet. En ik doe het toch – zie het maar als een eerbetoon: de schitterende prent die Peter van Dongen tekende voor het NRC-artikel over de digitale basisbibliotheek. Hier is-t-ie:

Zo’n prent inspireert mij. Peter van Dongen: ik geniet iedere week van je tekeningen, maar deze is uitzonderlijk mooi!.

Zo, nu ter zake: de digitale basisbibliotheek: 1000 Nederlandse teksten komen online, soms met de orignelen ingescand ernaast. Op dit moment zijn pas zo’n 600 teksten klaar, maar het is een goed project. Alleen: wil ik zo’n digitaal boek. Ik houd ontzettend van boeken en ook van computers. Maar alles op zijn tijd: voor een goed boek zet ik mijn computer uit. En voor degenen die mij kennen: dat wil wat zeggen.

Toevallig had ik deze week een rondleiding in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Een schitterend gebouw, waar iedereen wordt uitgenodigd zo lang mogelijk binnen te blijven en een boek ter hand te nemen. Voor mij als boekenliefhebber een paradijs – en tegelijk een oefening in zelfbeheersing. Die ruimte, de thematisch geordende indeling, het uitzicht, de “launchplekjes” om echt voor je ontspanning te lezen, 2600 tijdschriften, een theater, een voorleeszaal, een café. En natuurlijk: ontzettend veel boeken. Maar ook: veel DVD’s en 600 computers met permanente internetverbinding. Allemaal grateloos, ook voor niet-leden.

En daar zit dan de zwakke plek. Want eigenlijk is de OBA een groot internetcafé, waar je, als alle computers bezet zijn, ook even een boek ter hand kunt nemen. Alle computers waren bezet, maar ik zag nauwelijks mensen lezen. Zal er in de toekomst nog veel gelezen worden? En is dat eigenlijk erg?

Boeken gaan waarschijnlijk steeds meer digitaal en ik ben daar, als het gaat om moeilijk verkrijgbare lectuur wel blij om, via Google books en het Gutenberg project heb ik al heel wat teksten binnen gekregen en kunnen lezen die ik anders in een bibliotheek uit een depot had moeten laten halen en dan ter plekke had moeten doorlezen.

De basisbibliotheek volgt dit goede voorbeeld kennelijk ook, maar die duizend titels zijn eigenlijk slechts een allereerste begin.

Hoe ziet de toekomst van het lezen eruit? Digibooks, E-books, Audiobooks en, hopelijk voor romantici als ik, gewoon lekker archaïsch, “Treeware”-books.

Cryptonomicon

That is a good book which is opened with expectation, and closed with delight and profit. – Amos Bronson Alcott, teacher and author (1799-1888)

Eind 1999, de Nederlandse vertaling was er volgens mij nog niet, kocht ik Neal Stephenson’s “Cryptonomicon”. Twee jaar later, op 26 augustus 2002 begon ik vol goede voornemens het vuistdikke boek te lezen. Het lukte mij het eerste hoofdstuk uit te lezen.

Op 5 januari 2006 deed ik een tweede poging. Ik besloot hoe dan ook door te zetten, al las ik tussendoor 43 andere boeken, fictie en non-fictie. En gisteren, 8 januari 2008, ruim twee jaar later, mocht ik het boek dichtslaan, met “delight and profit”.

Het is geen eenvoudige kost, dit boek. Maar het loonde de moeite; het zit vol ideeën. Nadeel van het boek vind ik dat er heel wat verhaallijnen inzitten die als in een televisiesoap steeds hoofdstuk voor hoofdstuk worden voortgeborduurd. Ik kreeg de smaak van het boek pas vanaf pagina 500 te pakken – dat was begin december 2007. Ik besloot nu alles op alles te zetten en even flink door te lezen. Een hele kerstvakantie met Cryptonomicon op de bank – het was het waard.

“Neal Stephenson is het soort genie dat op elke pagina met een schokkend idee komt”,

schrijft prof. Pawley in MIT Media Lab. Dat is wat overdreven, maar er staan ontzettend veel ideeën in dit boek. Zo wordt uitgelegd hoe cryptologie werkt aan de hand van de kansberekening dat een fietsketting van het tandwiel afloopt. De problematiek van het stemmen van kerkorgels wordt uitgebreid behandeld, de achtergrond van de Griekse Mythologie, m.n. die van de goding Athena (een idee dat Stephenson ook al in Snowcrash toepaste) en de invloed van de mannelijke libido – om niet te zeggen: geilheid – op het concentratievermogen in een wiskundige formule gevangen. En hoe je met een kaartspel je tekst handmatig kunt versleutelen en ontcijferen, al is dit laatste eigenlijk een idee van Bruce Schneier. Historische figuren worden vermengd met fictieve personen en dit alles in het prachtige gespierde taalgebruik dat maakt dat ik blij ben dat ik het boek in het Engels gelezen heb, al had ik me waarschijnlijk een hoop tijd kunnen besparen door het werk in vertaling te lezen.

Na het voltooien van het boek even op Wikipedia gekeken of ik alles wel goed begrepen had. En wat blijkt:

Portions of Cryptonomicon are notably complex and may be considered somewhat difficult by the non-technical reader. Several pages are spent explaining in detail some of the concepts behind cryptography and data storage security, including a description of van Eck phreaking, as an example.

Kortom: ik ben niet de enige die het boek een taaie kluif vond, maar kennelijk heb ik het toch allemaal wel begrepen. Bij de passages die zich afspelen op Qwghlm stelde ik mij de Hebriden voor – waar ik ooit een fantastische vakantie beleefd heb – en hoewel de eilandengroep eigenlijk volkomen fictief is, blijk ik er niet zover naast te hebben gezeten. Het nalezen van de Wikipedia-pagina’s over Cryptonomicon gaf nog meer verrassingen: Qwghlm blijkt voor te komen op de xkcd’s kaart met Online Communities, waar ik op een ander weblog van mij weleens naar verwezen heb (helemaal rechts bovenin).

Het is een bijzondere schrijver, die Neal Stephenson. Eerder las ik van hem “The Diamond Age” en “Snowcrash” “- het laatste boek stond model voor “Second Life“. Stephenson’s opvolger van “Cryptonomicon” is een trilogie: The Baroque Cycle, bestaande uit: “Quicksilver” (2003), “The Confusion”(2004) en “The System of the World” (2004). Ik wil ze graag lezen.

Maar nu even niet – eerst maar weer iets anders.

Ira Levin's "Dag der Dagen".

Er is geen boek dat ik zo vaak herlezen heb als Ira Levin’s “This Perfect Day”, door J.F. Niessen-Hossele in het Nederlands vertaald als “De dag der dagen”.

Ik maakte kennis met het boek door mijn godsdienstleraar (N.B.!) in de 3e klas van het VWO, dat zal zo 1974 geweest zijn. In drie lessen behandelde hij het boek en las er stukjes uit voor. Ik verheugde me drie weken lang op zijn lessen en was zo weg van het boek dat ik het gelijk daarop voor mijn eerstvolgende verjaardag vroeg. Ik kreeg het en las het dezelfde dag helemaal uit. Daarna las ik het zeker nog twee keer, waarvan één keer in het Engels omdat ik het dan gelijk op mijn boekenlijst kon zetten. Later heb ik het boek zeker nog een keer herlezen.

Ook leende ik het graag uit: ik had echt een missie met het boek want ik leen niet graag mijn boeken uit. Mijn wiskundeleraar verweet mij, toen hij het terug gaf dat hij er twee achtereenvolgende avonden te laat van naar zijn bed was gegaan omdat hij het niet kon wegleggen. Ook anderen waren altijd enthousiast. Het boek staat nog steeds in mijn boekenkast, in redelijk goede staat, maar ik zoek eigenlijk naar een tweedehandsexemplaar van de Engelse editie.

Ik heb van Levin ook “Rosemary’s Baby” gelezen. Absoluut goed, maar één keer was genoeg. En “A Kiss Before Dying”. Ook goed, zoals er zoveel goede boeken zijn. Maar “De dag der dagen” is voor mij lange tijd het “Boek der Boeken” geweest, hoewel ik inmiddels wel een beetje over dat dweperige enthousiasme heen ben.

Vandaag moest ik weer even denken aan hoe dat boek mij jarenlang heeft beziggehouden en beïnvloed heeft in mijn politieke denken.

Schrijver Ira Levin overleden:

Schrijver Ira Levin overleden Uitgegeven: 14 november 2007 05:52 NEW YORK – In zijn woonplaats New York is maandag (12 november) de Amerikaanse bestsellerauteur Ira Levin overleden. Zijn zoon heeft dat dinsdag bevestigd tegen The New York Times.

In het artikel op nu.nl worden Levin’s verdiensten opgesomd, maar “Het Boek” wordt niet genoemd. Ook in de necrologie van NRC komt alles langs, maar niet “mijn” boek. Verdorie.

Waarom ook. Levin zelf had zich, blijkens een interview dat ik van hem las kort na het verschijnen van het “Sliver” (1991) van het boek afgekeerd, ik weet niet meer waarom.

Het boek beschrijft een totalitaire maatschappij die geregeerd wordt door een computer. Vanzelfsprekend zitten er echte mensen achter die computer, die de touwtjes stevig in handen houden.

De held van het verhaal is Chip, eigenlijk Li RM35MM4419, maar door zijn grootvader “Chip” genoemd, naar “A Chip off the old block” – een aardje naar zijn vaartje. Chip heeft namelijk nog een kleine genetische afwijking, hij heeft één groen oog. Dat is natuurlijk slechts uiterlijk, maar Chip heeft daarmee ook iets dat hem niet helemaal vatbaar maakt voor de verdoving die iedereen sinds de Unificatie maandelijks krijgt en die maakt dat mensen tevreden zijn en ergens op hun 62ste doodgaan.

Uiteindelijk zal Chip de computers vernietigen.

Het is weer eens iets anders dan “Brave New World” of “1984”. In ieder geval vond ik het verhaal een stuk spannender om te lezen, maar dat hoeft natuurlijk niet iedereen met mij eens te zijn.

Goed, een paar citaatjes dan:

Chip ontmoet een groepje anderen die zich af en toe aan hun “behandeling” onttrekken. Zij genieten een klein beetje extra vrijheid. Chip slaagt erin een paar Franse boeken van vóór de Unficatie te ontcijferen en vertelt de anderen wat hij daarin gelezen heeft over de vroegere (= onze huidige) maatschappij:

“Er was misdaad, geweld, domheid en honger. Er zat op iedere deur een slot. Vlaggen waren belangrijk en de grenzen van gebieden. Kinderen wachtten op de dood van hun ouders om hun geld te kunnen erven. De verspilling van arbeid en materiaal was onvoorstelbaar”. Hij keek naar Lilac en glimlachte haar troostend toe; haar lang begeerde geschenk ging kapot. “Maar met dit alles”, zei hij, “schenen de leden zich sterker en gelukkiger te hebben gevoeld dan wij. Zij gingen waarheen zij wilden, deden wat zijn wilden, “vedienden” dingen, “bezaten” dingen, kozen, kozen altijd – dat maakte hen op de een of andere manier levender dan de leden nu”.
(p. 85/86)

“Bob”, zei Chip, “wij zijn niet vrij. Niemand van ons. Niet één lid van de Familie”.
“Hoe kan ik luisteren alsof je gezond bent”, zei Bob, “als je zoiets zegt? Natuurlijk zijn we vrij. Wij zijn vrij van oorlog en gebrek en honger, vrij van misdaad, geweld, agressie, zel –
“Ja, ja, we zijn vrij ván dingen”, zei Chip, “maar we zijn niet vrij om dingen te dóen. Zie je dat dan niet, Bob? ‘Vrij van’ iets zijn heeft gewoon helemaal niets met vrij te maken.”
(p.108)

Wijze woorden, nog steeds van belang. Het is nog niet te laat, zou ik zeggen.

Carice van Houten wint prijs Beste Luisterboek

Carice van Houten wint prijs Beste Luisterboek:

AMSTERDAM – De Prijs voor het Beste Luisterboek is dit jaar toegekend aan actrice Carice van Houten. Zij krijgt de onderscheiding voor haar voordracht van Het Achterhuis van Anne Frank.

Het gaat goed met Carice van Houten. Wat mij betreft zien we haar misschien iets te vaak. Inmiddels heeft ze zich ook op het fenomeen luisterboek gestort. Ik lees graag, maar tijd heb je nooit genoeg. Het luisterboek is daarom een ideaal medium, vooral omdat voor in de auto, waar ik niet graag muziek luister – heb de neiging mijn snelheid aan het tempo van de muziek aan te passen.

Ik heb op die manier “Annie” van Kees van Kooten beluisterd, voorgelezen door de auteur zelf, “Het zwijgen van Maria Zachea”, gelezen door Hanneke Groenteman, nog wat Engelstalig spul en “Het Achterhuis” tijdens mijn laatste vakantie.

Het lijkt me niet eenvoudig dat boek voor te lezen, het zijn nu eenmaal dagboekaantekeningen. Of het nou het boek was (dat ik – schande! – nog nooit gelezen had) of Van Houten’s nét iets te hoge voorleestempo weet ik niet, maar het heeft me niet echt geboeid.

Ik gun haar de prijs hoor, maar zou zo graag willen weten wat nou precies het criterium is.

Volgens de jury onder leiding van televisiepresentatrice Noraly Beyer doet Van Houten meer dan voorlezen of voordragen: zij laat Anne Frank leven.

Aha. Dat dus.

Pascal Mercier – Nachttrein naar Lissabon

Mercier’s “Nachttrein naar Lissabon” werd mij op een dag door twee mensen aangeraden. Later las ik een interview met hem in de NRC van 14 september naar aanleiding van zijn nieuwste boek: “Perlmanns zwijgen”. Dat sprak mij aan:

In de tegenwoordigheid leven betekent datgene doen, voelen en zeggen wat met je eigen emotionele identiteit te maken heeft. Het is authentiek leven, dicht bij jezelf blijven. Bij Perlmann is het tegendeel het geval: hij leeft in de blik van anderen, hij is vervreemd van zichzelf. Iemand die in de tegenwoordigheid leeft is innerlijk vrij, kent geen dwang. Hoe groter de innerlijke vrijheid, hoe groter de tegenwoordigheid.

En, over taal:

De meeste mensen hebben een pragmatische verhouding tot taal, ze leren alleen wat ze nodig hebben om zich uit te drukken. Dat een woord op zich iets moois, toverachtigs, iets magisch is, dat weten alleen dichters.

En, helemaal uit mijn hart gegrepen:

Steeds komt Mercier terug op het belang van taal. Iedere ervaring wordt erdoor gekleurd. In zijn aantekeningen schrijft Perlmann over linguistic waste. Linguistic waste is een fenomeen dat ons denken belemmert, het is taalpuin dat ons vergiftigt. We horen alleen nog maar verstarde metaforen, idiote Amerikaanse frasen, iedereen kletst elkaar na. We geloven dat we iets denken, terwijl we in werkelijkheid niet meer doen dan ons naar gangbare vormen schikken. In de krant, op de televisie, nooit lees of hoor je oorspronkelijk taalgebruik. Tegen mijn studenten zeg ik altijd dat ze het woordenboek moeten lezen. Internet is pas echt linguistic waste. (…) We worden allemaal vergiftigd door taalpuin, door verstarde metaforen

“Nachttrein naar Lissabon” is in de eerste plaats een boek over de keuzes die je in je leven kunt maken; je hebt maar één leven. De trein is symbool voor het leven:

Ik woon nu in mijzelf als in een rijdende trein. Ik ben niet vrijwillig ingestapt, had geen keus en weet niet waar we heen gaan…Ik kan de spoorbaan en de richting niet veranderen. Ik bepaal niet het tempo. Ik zie de locomotief niet en weet ook niet of de machinist te vertrouwen is…Wat kan ik doen tijdens de reis? De coupé opruimen. De dingen vastzetten, zodat ze niet meer rammelen…De reis duurt lang. Er zijn dagen waarop ik hoop dat de reis eindeloos zal zijn. Dat zijn zeldzame, kostbare dagen. Er zijn andere dagen waarop ik blij ben met de wetenschap dat er een laatste tunnel zal zijn waarin de trein voor altijd tot stilstand komt.

Gregorius, docent klassieke talen, loopt midden in een les de klas uit, om er niet meer terug te keren. Hij gaat een boekwinkel in en vindt – bij toeval, of is het synchroniciteit? – een boekje van de Portugese arts Amadeu Prado: Um ourives das palavras; “een goudsmit van woorden”. Met hulp van de boekhandelaar vertaalt hij:

Als het zo is dat wij slechts één klein deel kunnen leven van wat er in ons zit – wat gebeurt er dan met de rest?

Gregorius koopt het boek en een cursus Portugees en vertrekt naar Lissabon op zoek naar Prado. Hij neemt de nachttrein, een metafoor voor de donkere staat waarin zijn ziel zich bevindt. Niet alleen ontmoet Gregorius al vrij snel na aankomst alle belangrijke personen uit Prado’s leven, maar ook komt hij al snel terecht bij een arts die hem vol begrip aan een nieuwe bril helpt – een metafoor voor zijn nieuwe kijk op het leven. Dat ligt er allemaal nogal onbevredigend dik bovenop en lijkt in de eerste plaats een kapstok om Mercier’s (of eigenlijk: Peter Bieri’s) filosofische ideeën aan de man te brengen. Authentiek leven, dat is waar het Mercier om te doen is. In dat verband wordt een citaat van uit de Overpeinzingen van Marcus Aurelius aangehaald:

Zondig gerust, zondig tegen jezelf en doe jezelf geweld aan, mijn ziel; maar later zul je niet meer de tijd hebben om jezelf te achten en te respecteren. Want één leven slechts, een enkel leven heeft eenieder. Voor jou is het bijna afgelopen en je hebt in je leven jezelf niet ontzien maar je hebt gedaan alsof het bij je geluk om de andere zielen ging…Degenene evenwel die de bewegingen van de eigen ziel niet oplettend volgen, zijn noodgedwongen ongelukkig.

Uiterst mooi vind ik persoonlijk:

Het gloeiende gif van de ergernis:

Als de anderen ons aanleiding geven ons aan hen te ergeren – aan hun driestheid, hun onrechtvaardigheid, hun egoïsme – dan oefenen ze macht ove ons uit, ze zitten ons dwars en knagen aan onze ziel, want ergernis is als een gleoiend gif dat alle zachte, nobele en evenwichtige gevoelens vernietigt en ons van onze slaap berooft. (…) We kunnen er zeker van zijn dat we op ons sterfbe, als deel van de laatste balans – en dat deel zal bitter smaken als cyanide – zullen vaststellen dat we veel, veel te veel energie en tijd hebben verkwist met ons te ergeren en het de ander in een machteloos schijntheater betaald te zetten, terwijl enkel en alleen wijzelf, die er zo zwaar onder geleden hebben, dat weten.

Leuk het schaakcitaat, kennelijk niet van Mercier zelf:

Tartakover werd een keer gevraagd wie hij als de grootste schaker beschouwde. Hij zei: “als schaak een gevecht is – Lasker; als het wetenschap is – Capablaca; als het kunst is – Aljechin”.

Vol verwachting ben ik aan “Nachttrein” begonnen, maar het slappe gefilosofeer viel me nogal tegen; het is vooral New-age-erig. Door het prachtige taalgebruik staat het boek weliswaar hoger dan “De Celestijnse belofte” of Coelho’s “De Zahir”, maar het haalt het niet bij “De schaduw van de wind“, waarin eveneens een zoektocht naar een bijzondere schrijver wordt ondernomen. Er zitten wel mooie passages in, maar het verhaal is nogal onzinnig en de filosofie lees ik liever in een boek over filosofie. Ik zou zeggen: een zeventje.

Vakantielezen

De zomervakantie ligt alweer enige weken achter mij, maar ik kan het niet laten met terugwerkende kracht te reflecteren op de boeken die ik in die periode gelezen heb. Kort, want al die boeken zijn al ruimschoots gerecenseerd; ik geloof niet dat ik daar nog veel aan toe te voegen heb.

Ik ben al een behoorlijke tijd bezig met Cryptonomicon van Neil Stephenson. Een geweldig boek, maar zo’n pittige 900 pagina’s dik. Zo af en toe wil ik weleens iets anders, en vooral iets dat ik ook uit kan lezen! Dus begon ik aan “Sonny Boy” van Annejet van Zijl. Prachtig boek. Meer een stukje kleine geschiedenis, maar werkelijk mooi geschreven. Een 8 zou ik er voor willen geven.

Na weer enige pagina’s in Cryptonomicon kwam “De Engelenmaker” van Stefan Brijs beschikbaar – mijn vrouw was er nog inbezig en al die tijd moest ik jaloers haar enthousiaste verhalen aanhoren. Inderdaad, een erg goed boek. In het begin misschien iets te soepeltjes geschreven, maar de climax op het einde is niet mis. Het verslag van Kees van der Pol op scholieren.com geeft een goede samenvatting van de inhoud. Een dikke 9. Voor het boek dan. 🙂

Inmiddels kreeg ik ook de smaak van Cryptonomicon behoorlijk te pakken en ik schoot in korte tijd zo’n 200 pagina’s op. Maar ja, “Joe Speedboot” van Tommy Wierenga lag ook al naar me te lonken. Voor een uitgebreide bespreking van dit boek kon ik weer terecht bij Kees van der Pol, die als docent op scholieren.com kennelijk zijn leerlingen aan boekverslagen zit te helpen (en daarmee het gras onder de voeten van zijn collega’s wegmaait). Over de thematiek van “Joe Speeboot””merkt hij op:

Joe Speedboot zou je heel goed de “roman van de desillusie” kunnen noemen.

Hm. Dat geldt eigenlijk ook voor mijn leeservaring. Het boek had een vliegende start en sleurde mij in hoog tempo door de pagina’s heen – ik voelde mij een beetje schuldig tegenover Neil Stephenson – maar het eind viel me een beetje tegen. Een 7,5 dus voor dit veelgeprezen boek.

Ik verdiepte mij weer voor enige honderden pagina’s in Cryptonomicon voor ik aan “Lucifer” van Connie Palmen begon. Aan dit boek kan ik, als musicus, natuurlijk niet voorbij daar het boek een sleutelroman is over de componist Peter Schat. Talloze discussies in de NRC had ik al gelezen. En natuurlijk verwijs ik nog eén keer naar Kees van der Pol, die dit boek wel bijzonder uitgebreid bespreekt.

Het leuke van Lucifer is het raden naar de personen die verder optreden. Lucas Loos is natuurlijk Peter Schat, Aaron Keller is Harry Mulisch (“Het Boek” is De ontdekking van de hemel) en Otto Griffioen is de schaker Jan Hein Donner. Maar wie is Puck? Annemarie Grewel (volgens van der Pol) of – volgens Max Pam – Connie Palmen zelf:

Voor zichzelf heeft Connie Palmen overigens het bijrolletje bedacht als de dwerg Puck Baal (“nog geen 1,30 meter hoog”), die allerlei nuchtere, maar tevens diepzinnige opmerkingen maakt. Zij is de koboldachtige nar, die al die de hysterische gekken ontleedt in hun streven naar macht en onsterfelijkheid.

Het is aardig te lezen over al het gekissebis van die kunstenaars (of het nou karaktermoord is of niet), maar als roman vond ik het toch niet zo sterk – een mager zesje. Als ik het onderwerp niet zo interessant had gevonden, zou ik het boek al na pagina 10 hebben weggelegd, en dat doe ik toch niet snel. Ik lees een boek altijd uit. Zelfs Cryptonomicon.

Al gaat dat nog even duren.

Teh Holiez Bibul

Ik had het weleens gezien, maar me nooit gerealiseerd dat het een internet-trend was: Kitty Pidgin, de taal van LOLCats. Wat links:

  1. Icanhascheezburger
  2. Cats can has grammar. Een analyse van de verschillende dialecten.
  3. Kitty Pidgin and asymmetrical tail-wags. Een analyse van deze analyse.

Eigenlijk geen onderwerp voor op dit cultuurblog, ware het niet dat het boek der boeken (AKA “De Bijbel”) nu in Kitty Pidgin vertaald gaat worden.

Toegegeven:  De Bijbel staat in mijn boekenkast (Willibrord vertaling),  maar er zijn inmiddels vele jaren verstreken zonder dat ik erin gelezen heb. En ik ben niet de enige die de dagelijkse bijbellezing voor het slapengaan overslaat:

The Bible is boring, let’s face it. Try to spruce it up quite a bit, put as much wrath and anger in it as you can, just like God Ceiling Cat intended!

Een WIKI is opgezet om de omzetting niet al te lang te laten duren. De eerste aanzet – uit Genesis – is er al:

1. Oh hai. In teh beginnin Ceiling Cat waz invisible, & he maded the skiez & da earths, but he did not eated it.

2. The earths wus witout shapez & wus dark & scary & stufs, & he rode invisible bike over teh waterz.

3. & Ceiling Cat sayz, i can has light? & light wuz.

4. & Ceiling Cat sawed teh light, to sees stufs, & speraratered the light form dark & stufs but taht wuz ok cuz cats can seez in teh dark & not tripz ovr nethin.

5. & Ceiling Cat sayed light Day & dark no Day. Teh evning & morning was teh first day.

6. & Ceiling Cat sayed, i can has teh ceilingz of waterz, with waterz up & waterz down. & he maded hole in teh Ceiling.

(…)
18. & Ceiling Cat sawed it wus the goodz, so wai.

(…)

30. For evry createded stufs tehre are the foodz, to the burdies, teh creepiez, & teh mooes, so tehre.

31. & Ceiling Cat sayed, Beholdt, teh good enouf for releaze as version 0.8a. kthx bai.

Nu nog met plaatjes…