Tag Archives: Books

Famous Poems Rewritten as Limericks.

Wie kent ‘um niet: “Er was eens een meisje in Londen”? Kun je wellicht ook maar beter niet kennen, want zo leuk is-ie nou ook weer niet. Maar het blijft een populair genre, de Limerick. Al is het maar omdat ze meestal een beetje schunnig zijn, vooral het meisje uit Epe (had van het voltooid deelwoord niets begrepen)  en de “Young Fellow named Dave”, waarvan ik alleen de eerste zin citeer, de rest is meer voor in de kroeg dan voor op mijn blog.

Erg leuk, ook omdat hij bestaat als een canon met een geraffineerd chromatisch loopje in de derde en vierde zin, vind ik zelf The Young Woman of Ryde:

There was a young woman of Ryde,
who ate too many apples and died,
the apples fermented
inside the lamented
and made cider inside her inside.

Let ook nog even op de laatste zin, echt een toppertje (om mij ook maar eens op het modieuze taalgebruik te storten).

De volgende link geeft een aantal beroemde gedichten, herschreven als limerick:

Famous Poems Rewritten as Limericks:
Niet allemaal echte limericks, als de regel dat de eerste zin moet eindigen op een plaatsnaam of een persoonsnaam letterlijk genomen wordt, maar toch leuk.

En daar gaat het om…

De volgende link is voor een dagelijks verse limerick.

Nick Hornby: High Fidelity

Nick Hornby’s “High Fidelity” is het derde boek dat ik van deze Britse schrijver heb gelezen. Eerder las ik “A Long Way Down” en “About a Boy”.

Al Hornby’s boeken zijn in een vlotte stijl geschreven en wat dat betreft lezen ze heerlijk weg, maar je vraagt je op een gegeven moment wel af waar ze nou eigenlijk over gaan. Okay, ze beschrijven typisch mannelijke obsessies en zwakke plekken, maar qua verhaallijn gebeurt er niet zoveel en dat laat me, ondanks een aantal grappige scenes, toch wat onbevredigd achter.

Hornby zelf overigens geeft dit eerlijk toe:

“Nothing happens in the books… I’m creating a person who’s a lot like the person who’s reading the books.” (Guardian Unlimited Special Report)

“High Fidelity” gaat over Rob Fleming, eigenaar van een niet al te best lopende platenzaak “Championship Vinyl”, die zojuist verlaten is door zijn grote liefde Laura. Hij probeert er wanhopig achter te komen waarom al zijn vriendinnen hem uiteindelijk verlaten en begint een zoektocht langs zijn ex-en. Dat levert hem niet veel op. Beter is het te zoeken bij zijn grote obsessie: muziek. Rob, die eerst DJ is geweest, heeft de neiging iedereen te beoordelen op zijn muzikale smaak. Zijn twee werknemers, Barry en Dick, steunen hem hierin:

(…)Dick and Barry and I agreed that what really matters is what you like, not what you are like. (p.90)

De collega’s zijn het erover eens dat je eigenlijk een potentiele nieuwe relatie een vragenlijst zou moeten voorleggen met vragen over voorkeuren op het gebied van muziek, film, boeken en TV-programma’s!

It was intended a) to dispense with awkward conversation, and b) to prevent a chap from leaping into bed with someone who might, at a later date, turn out to have every Julio Iglesias record ever made.

Het plan werd nooit uitgevoerd, maar ondertussen deinst Barry er niet voor terug om een klant die het lef heeft te vagen naar “I Just Called To Say I Love You” van Stevie Wonder de winkel uit te jagen.

(…). “Because it’s sentimental, tacky crap, (…). Now, be of with you and don’t waste our time”.

Vervolgens, als Rob vindt dat Barry te ver is gegaan:

“What harm has he ever done you?” – “You know what harm he’s done me. He offended me with his terrible taste”. – “It wasn’t even his terrible taste. It was his daughter’s”. – You’re going soft in your old age, Rob. There was a time when you’d chased him out the shop and up the road”.(p.43)

Daar zit dan ook het keerpuntje. Als Dick een vriendin krijgt die een fan is van de Simple Minds, de

(…)number one in our Top Five Bands Or Musicians Who Will Have To Be Shot Come The Musical Revolution. (Michael Bolton, U2, Bryan Adams, and, surprise surprise, Genesis were tucked in behind them) (…) (p. 124)

houdt Rob zijn commentaar voor zich en gunt Dick zijn geluk.

Alles komt goed tussen Rob en Laura, en wel op een heel onverwachte manier. En als ze samen bij vrienden van Laura op bezoek zijn komt de test: Rob mag een kijkje nemen in de platencollectie van het stel.

(…) sure enough, it’s a disaster area, the sort of CD collection that is so poisonously awful that it should be put in a steel case and shipped off to some Third World waste dump. They’re all there: Tina Turner, Billy Joel, Kate Bush, Pink Floyd, Simply Red, the Beatles, of course, Mike Oldfield (Tubular Bells I and II)….(p. 214)

Er blijft niet veel over wat je met enig zelfrespect in je platencollectie mag hebben 🙂 Dat geeft Paul, de man van het stel, ook toe en stelt dat Rob hem maar eens moet bijpraten. Rob doorstaat de test echter glansrijk:

“Each to his own, I say”.

en, achteraf,

(…)it’s not what you like, but what you’re like that’s important. (p.214)

Met een zetje van Laura kan Rob nu ook zijn carrière als DJ weer oppakken en regelt ze een fraaie promotie voor zijn winkel, die daardoor voor het eerst sinds tijden weer een behoorlijke omzet draait. Eind goed, al goed, zoals ook hoort in een  “Feel-Good” boek. Absoluut prettig leesvoer, niet meer en niet minder.

To Sail Beyond The Sunset

Heinlein’s boek “To sail beyond the sunset” met als ondertitel “the life and loves of Maureen Johnson (being the memoirs of a somewhat irregular lady” is het laatste deel uit de “History of the Future”-serie bestaande uit “Methusalah’s Children”, “Time enough For Love”, “The Number Of The Beast”, “The Cat Who Walks Through Walls” en als laatste dus “To Sail Beyond The Sunset”.

Eigenlijk is dit boek een herschrijving van een passage uit “Time Enough For Love”, maar dan vanuit het perspectief van Maureen Johnson in plaats van Lazarus Long. De titel van het boek is ontleend aan het gedicht Ulysses van Alfred Lord Tennyson (1809-1892) waarvan een deel het motto van het boek vormt:

Come, my friends,

T is not too late to seek a newer world.

Push off, and sitting well in order smite

The sounding furrows; for my purpose holds

To sail beyond the sunset, and the baths Of all the western stars, until I die.

Heinlein’s boeken zijn als sciencefiction wellicht een beetje passé. De libertarische ideeën zijn hier en daar wel interessant, maar eigenlijk hoef je daar alleen “The Moon Is A Harsh Mistress” voor te lezen. In de History of the future-serie gaat Heinlein vooral uit van een groep mensen die genetisch zo bevoorrecht zijn dat ze extreem lang kunnen leven, zo’n honderd jaar. Deze groep is georganiseerd in de “Howard Foundation” en stimuleert dan ook de genetische zuiverheid van de familie. Trouwen en kinderen verwekken buiten de eigen clan is wel toegestaan, maar volbloed “Howard-kinderen” kunnen rekenen op een forse subsidie. Een ander interessant fenomeen in de serie boeken is het tijdreizen. De techniek hierachter wordt uitgelegd in “The Number Of The Beast”. Het leidt tot merkwaardige paradoxen, zoals wanneer Lazarus terugkeert naar de tijd van zijn eigen jeugd, verliefd wordt op zijn eigen moeder, maar deze liefde niet lichamelijk kan consumeren omdat, op het moment dat dee gelegenheid zich voordoet, hij zelf als klein jongetje op de achterbank van de auto zit! Dat hij ook de afloop van de oorlog en de beurscrash kan voor spellen is duidelijk.

Sowieso is “To Sail Beyond The Sunset” niet echt een verhaal, maar meer een gigantische flashback van Maureen Johnson op haar leven, waarin Heinlein zich eigenlijk afzet tegen een aantal normen uit de traditionele burgermaatschappij. Dat is hier en daar even schrikken, want Heinlein preekt openlijk over partnerruil, polygamie en zelfs incest. Tegelijkertijd toont hij zich conservatief door bijvoorbeeld vaderlandsliefde en de plicht om voor het vaderland te vechten in tijden van oorlog te adverteren. Ook de wekelijkse kerkgang schijnt Heinlein de normaalste zaak van de wereld te vinden.

Wat ik eigenlijk mis in vooral dit boek is wat Lazarus Long en zijn clan in de toekomst op de planeet Tertius nou eigenlijk de hele dag uitvoeren. Zoals gezegd: het hele verhaal is eigenlijk flinterdun en dialogen in het algemeen veel te lang, hoewel niet zonder humor en citaten die de moeite van het onthouden waar zijn. Zoals deze:

Free will is a fact, while you are living it. and predestination is a fact, when you look at any sequence from outside.

In dit verband schreef Heinlein in “The Number of the Beast”:

Random numbers are to a computer what free will is to a human being.

In dit soort observaties is Heinlein sterk en dat maakt het de moeite waard hem te lezen.

 

 

LibraryThing

Als jongetje was ik al zo gek op mijn boeken dat ik er zelf bibliotheekkaartjes in stak om ze te classificeren. Niet dat iemand er naar keek, en zelf wist ik natuurlijk verdomd goed wat voor vlees ik in de kuip had, maar toch. Een heel enkele keer kom ik zo’n kaartje nog wel eens tegen. Toen de computer zijn intrede deed ging ik natuurlijk mijn zaken in een bestandje bijhouden, op zijn minst wat ik gelezen had. Het aantal boeken dat ik bezit is helaas vele malen groter dan wat ik gelezen heb. Dankzij Yvette’s Inner Geek Blog ontdekte ik vandaag LibraryThing! Wow! Nu kan ik mijn hele bibliotheek online zetten. En van alles bijhouden, plus zien welke gekken er wereldwijd nog meer geïnteresseerd zijn in het soort boeken dat ik lees. Dat houdt me wel weer even van de straat!

Paulo Coelho – De Zahir

Laat ik maar met de deur in huis vallen: de lovende kritieken op dit boek snap ik niet. Het is, na “De Celestijnse belofte” het saaiste boek dat ik ooit gelezen heb. Het zal wel te maken hebben met de spirituele zoektocht die in het boek beschreven wordt.

Een internationaal beroemde schrijver is zo druk doende met zijn literaire werk en de plichtplegingen die dat met zich meebrengt, dat hij niet in de gaten heeft dat hij zich langzaam van zijn vrouw, Esther, verwijdert. Zij was de vrouw die hem zover gekregen had datgene te doen wat hij werkelijk wilde: een boek schrijven.

Dat boek, over een pelgrimstocht naar Santiago, beleefde een stille triomf over de wereld en werd gevolgd door een mondiale bestseller over eenjongen die op zoek gaat naar een schat. Op het toppunt van zijn roem, wanneer zij in Parijs bij hem is ingetrokken, neemt Esther het besluit oorlogscorrespondente te worden. Ze wil weten waarom de mensen niet gelukkig zijn en denkt daar achter te komen in een oorlogssituatie.

Het laatst wordt zij in Parijs gezien met een man met Mongoolse trekken. Dan is ze ineens verdwenen en verdenkt men in eerste instantie de schrijver hiermee iets van doen te hebben. Wat volgt is een lange tocht waarin hij naar zijn verdwenen geliefde op zoek is – een odyssee die hem de ruimte geeft na te denken over zijn relatie met Esther, over de liefde en over verdwijnende culturen waarin liefde een centrale plaats heeft.

Overgenomen van de website van de Noord Nederlandse Boekhandel.

Die Odyssee wordt eigenlijk al afdoende beschreven in het prachtige gedicht “Ithaka” van Kavafis, een gedicht dat ik  jaren geleden eens las, maar toen niet begreep. Nu wel en eigenlijk was het daarmee wel voldoende. Ik hoef daar niet ook nog eens zo’n 300 zweverige pagina’s voor te lezen.

Zo vraag ik mij bijvoorbeeld af: Wat is het nu dat de verteller geleerd heeft waardoor hij zijn vrouw Esther weer waardig is geworden? En waarom is het eigenlijk al goed genoeg voor haar dat hij haar achterna is gereist? Moet er niet gepraat worden ofzo? ( de reden dat ze wegging was dat er bijna niet meer gepraat werd). En de Italiaanse actrice waarmee de verteller in de tussentijd samenwoont en die toch al die tijd een geweldige partner voor hem is geweest? Wat is haar rol? Ze nemen gewoon afscheid, zonder emoties lijkt het wel. Hoeveel ze van hem houdt, ze begrijpt hem dat hij zijn “Zahir” achterna blijft jagen. Bestaan zulke onbaatzuchtige relaties? En wat is het nut van het diner waar iedereen openhartig is over zijn inkomen?

Irritant in boeken die dergelijke new-agerige filosofieën verkondigen vind ik het vage gebruik van woorden als “energie” en “liefde”.  We hebben het hierbij niet over liefde tussen man en vrouw of ouders en kinderen, maar een soort alomvattende en allesvergevende wereldliefde; we moeten van iedereen evenveel houden. De “energie” is in ieder geval niet meetbaar, alleen uitverkorenen kunnen het voelen. Dat maakt het ook zo moeilijk je er negatief over uit te spreken – je verklaart er immers mee dat je niet uitverkoren bent.  Je moet dus gewoon geloven dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij kunnen waarnemen. Maar het is Coelho’s geloof, niet het mijne. Helaas geloof ik  maar tot op zeer zekere hoogte. 🙂

Opvallend bij dergelijke blabla – maar misschien is hier sprake van een oorzaak en gevolg-verhouding –  is het gemak waarmee dergelijke schrijvers  verzuimen zich een beetje behoorlijk te documenteren. Zo wordt de “vrouwe” vergeleken met de verschijning van een “meisje” (in plaats van Maria) aan Bernadette in Lourdes. Vervolgens wordt op pag 177 een link gelegd met de onbevlekte ontvangenis van Maria – de “zwangerschap zonder seks” volgens velen en Coelho schrijft het ze na. Dit dogma uit 1854 stelt dat Maria als enige mens (na Adam en Eva) zonder erfzonde ter wereld is gekomen (het zou anders moeilijk hebben gelegen dat zij de moeder van de verlosser was). Over dit dogma zelf geen woord; men moet op zijn minst katholiek zijn geweest om gegrepen te worden door de haarkloverijen die ermee gepaard zijn gegaan. Maar een schrijver die zich uitspreekt over de spiritualiteit van de kerk en vervolgens de faut ingaat met iets wat zonder al te veel moeite te verifiëren is, is voor mij per definitie verdacht.

Het verhaal zelf kabbelt vrolijk door. Ik heb geen structuur kunnen herkennen en me met geen der personages kunnen identificeren. Maar tot nu toe hoor en lees ik alleen maar enthousiaste geluiden dus het zal wel aan mij liggen.

Kazuo Ishiguro – Never let me go

 

Ishiguro’s roman “Never Let Me Go” (genomineerd voor de Man Booker Prize 2005, vertaald in het Nederlands door Bartho Kriek als “Laat me nooit alleen”) lijkt een roman te zijn over klonen. Kathy H., Tommy D. en Ruth zijn drie leerlingen van de elite kostschool Hailsham. Tijdens hun opleiding worden ze gestimuleerd zoveel mogelijk aan kunst (poezie en tekenen) te doen. Hun producten worden onderling verhandeld, maar ook worden jaarlijks de “topstukken” weggehaald door “Madame” (Marie-Claude) die ze, naar de leerlingen denken, verzamelt voor haar Gallerie. Dat is maar een deel van de waarheid: de leerlingen zijn kloenen, voorbestemd om in doorgaans vier ronden hun organen af te staan tot ze uitgedoneerd (“completed”) zijn. De kunstwerken moeten de “echte” mensen eraan herinneren dat de klonen ook een ziel hebben.

In een hartverscheurend relaas probeert Ishiguro hiermee wellicht een bijdrage te leveren aan de discussie over klonen, maar alszodanig is de roman wat mij betreft mislukt: Ishiguro houdt zich nauwelijks bezig met de technologie achter (therapeutisch) klonen en details over welke organen er precies gedoneerd worden (en hoe de donors daarna verder kunnen leven) worden niet verstrekt.

Wel is de roman een prachtig verhaal over vriendschap, liefde, het langzamerhand ontdekken van je lotsbestemming en vragen over het doel van je/het leven. Zoals M John Harrison het in The Guardian uitdrukt:

By the final, grotesque revelation of what really lies ahead for Kathy and Tommy and Ruth, readers may find themselves full of an energy they don’t understand and aren’t quite sure how to deploy. Never Let Me Go makes you want to have sex, take drugs, run a marathon, dance – anything to convince yourself that you’re more alive, more determined, more conscious, more dangerous than any of these characters.

This extraordinary and, in the end, rather frighteningly clever novel isn’t about cloning, or being a clone, at all. It’s about why we don’t explode, why we don’t just wake up one day and go sobbing and crying down the street, kicking everything to pieces out of the raw, infuriating, completely personal sense of our lives never having been what they could have been.

Links:

Hubert Lampo overleden.

Op 12 juli 2006 overleed in Essen (België) Hubert Lampo op 85-jarige leeftijd. In mijn boekenkast is een plank gereserveerd voor het complete oeuvre van Lampo; zijn romans, zijn essays (alleen de Ring van Möbius deel I ontbreekt nog, wie het heeft en er vanaf wil kan zich bij mij melden) en werk van anderen dat op de een of andere manier met Lampo’s ideeënwereld te maken heeft.

Laat ik hier maar voorbijgaan aan “De komst van Joachim Stiller”, daar is, ook naar aanleiding van Lampo’s dood, alweer zoveel over gezegd en het is zeker niet zijn enige boek dat de moeite waard is. Mijn favoriet is misschien wel “Terugkeer naar Atlantis”. Maar ook “Zeg maar Judith”, waarin een opvallende theorie over Shakespeare het thema is (waarover Lampo dan weer een essay schreef in “De neus van Cleopatra”) en “De geheime academie”, zijn laatste werk, staan hoog genoteerd op mijn lijstje van boeken die ik ooit wil herlezen.

Ik doe niet aan heldenverering, maar als ik het zou doen, zou Hubert Lampo een van mijn helden zijn. Via hem heb ik mijn belangstelling voor het graal-thema, waarover hij uitputtend schreef in “De zwanen van Stonehenge” opgedaan. Mijn “helden” zijn helaas ook altijd “losers”, misschien wel een van de redenen dat ik mijn helden niet graag noem. Lampo was op een bepaalde manier ook zo’n loser. Hij kon slecht tegen kritiek en journalisten die het aandurfden hem te bekritiseren kregen er dan ook flink van langs. Zelfs hoogleraar Keltologie Maartje Draak moest het ontgelden toen zij Lampo – waarschijnlijk terecht – amateurisme verweten had naar aanleiding van zijn publicatie “Kroniek van Madoc”. En laten we eerlijk zijn: zijn korte verhalen, met name de bundel “Schemertijdmuziek”, en ook zijn latere romans, waren uitermate slecht. Critici lieten Lampo dan ook steeds meer links liggen; zijn laatste boeken verschenen zonder dat de pers er maar een letter over schreef – en niet geheel ten onrechte.

De NRC van vandaag noemde in de Lampo-necrologie van Kester Freriks “Wijlen Sarah Silbermann” Lampo’s laatste boek. Een enorme blunder van zo’n topkrant, die toch goed geïnformeerd zou moeten zijn. Na “Sarah Silbermann” schreef Lampo nog het reeds genoemde “Zeg maar Judith” en daarna de boeken “De Elfenkoningin”, “De verdwaalde carnavalsvierder” en “De man die van nergens kwam”, stuk voor stuk boeken met een ongeloofwaardig plot en zo’n 300 pagina’s te lang. Maar ik herinner me dat er in “De Elfenkoningin” toch een scene zat waarbij ik mijn adem inhield tijdens het lezen; Lampo kon het nog steeds, maar hij was denk ik te eigenwijs om naar een goede redacteur te luisteren.

Lampo’s laatste boek verdient een bijzonder vermelding: “De geheime academie”. In dit boek bracht Lampo een groot aantal personages uit de vier vorige boeken bij elkaar in een wat mij betreft magistrale Tour de Force. Een vergelijking met Bach’s “Kunst der Fuge” gaat uiteraard niet op, maar Lampo leverde hier eindelijk weer een goed verhaal af dat bovendien, helaas onopgemerkt gebleven, een verwerking was van het thema uit “Holy Blood, Holy Grail”, het boek over de Prieuré de Sion, waar Dan Brown zich ook door heeft laten inspireren bij het schrijven van de “Da Vinci Code”.

Daarna heb ik nog geregeld in de boekhandel gekeken of er nog nieuw werk was uitgekomen, tot het mij duidelijk werd dat Lampo een punt achter zijn schrijversloopbaan had gezet.

null

About A Boy

Na “A Long Way Down” heb ik nu ook Nick Hornby’s “About A Boy” uit 1998 gelezen. De jongen is Marcus, een wereldvreemd en eigenlijk te vroeg volwassen geworden jongen van 12, die dan ook flink gepest wordt op school. De andere “jongen” is Will Lightman, 36 jaar oud en eigenlijk nog een kind in zijn doen en denken. Onbezorgd over zijn inkomsten door de royalties die hij nog steeds ontvangt van een song die zijn vader ooit schreef, kan hij zijn dagen slijten met het kijken naar TV-quizzes en een beetje rondrijden in zijn auto, het laatste vooral om zonder zijn buren te hinderen naar zijn favoriete muziek – Nirvana – te kunnen luisteren. Om zijn verlangen naar ongecompliceerde relaties met jonge vrouwen te kunnen stillen schrijft hij zich in bij SPAT – Single Parents Alone Together, waar hij zich met een verzonnen zoon Ned en een verzonnen ex als enige alleenstaande vader inschrijft, in de hoop in cotact te komen met wanhopige alleenstaande moeders. Dit brengt uiteindelijk Marcus in zijn leven en dat is waar hij Marcus tips kan geven over waar hij zich als 12-jarige eigenlijk mee bezig zou moeten houden – Kirk O’Bane is geen voetballer van Manchester, maar de zanger Kurt Cobain van Nirvana – terwijl hijzelf ondertussen leert dat hechtere relaties ook heel bevredigend kunnen zijn. Hornby heeft een prettige eigentijdse stijl van schrijven. Hoewel het boek ietwat oppervlakkig is, vond ik dit geen moment hinderlijk; de humor en sterke dialogen houden het boek op de rails.

Nick Hornby: A Long Way Down.

De Britse schrijver Nick Hornby (1957) is op dit moment razend populair. Zijn laatste boek “A Long Way Down” is genomineerd voor de Whitbread-award. Mede door al die berichten heb ik me maar eens aan dit boek gewaagd, maar het schijnt niet zijn allerbeste boek te zijn. Er is inderdaad nogal wat ongeloofwaardigs in het verhaal over vier willekeurige personen (Martin, Jess, Maureen en JJ) die toevallig alle vier op oudejaarsavond van het dak van een Londense torenflat willen springen, maar die dan besluiten dat een half uurtje uitstel om de pizza’s die JJ niet heeft bezorgd eerst op te eten geen kwaad kan. Het leidt ertoe dat ze afspreken elkaar in de gaten te houden en steeds een nieuwe termijn af te spreken. Omdat de karakters nogal verschilend zijn, maar de vier tot elkaar veroordeeld zijn leidt dit af en toe tot komische dialogen. Ik vind de truc om verhalen vanuit het wisselende perspectief van steeds een van de vier hoofdpersonen te vertellen zo langzamerhand vervelend worden en ook houd ik er niet van dat belangrijke feiten (zoals wanneer ineens blijkt dat de vader van Jess minister is) laat en min of meer toevallig geïntroduceerd worden. Hier overheen stappend heeft Hornby wel een prettige stijl van schrijven; het is een ongecompliceerd, in eigentijdse taal geschreven boek. Voor de diepgang hier een mooi citaat

“>(…) I read an interview with a man who’d survived after jumping off the Golden Gate Bridge in San Francisco. He said that two seconds after jumping, he realized that there was nothing in his life he couldn’t deal with, no problem he couldn’t solve – apart from the problem he’d ust given himself by jumping off the bridge. (p.186)

De jury van de Whitbread-prijs moest bij het lezen van het boek schudden van het lachten, naar verluidt. Helaas voor Hornby ging Ali Smith met “The Accidental” met de eer strijken. Hornby’s boeken schijnen zeer goed te verfilmen te zijn; voor “A Long Way Down” heeft Johnny Depp al de filmrechten verworven, nog voor het boek verscheen.

Links:

Carlos Ruiz Zafon – De schaduw van de wind.

Wat een boek! Helaas is er al weer zoveel over gezegd dat ik hier overbodig ben. Eerst maar wat citaten. Op boekgrrls.nl schrijft een zekere Eisjen:

Een boek om de tijd voor te nemen en alles langzaam tot je door te laten dringen. Je moet het genot van het lezen ondervinden: “Het aftasten van deuren die zich in je ziel openen, je verliezen in de verbeelding, de schoonheid en het mysterie van de schijn en de taal.

Iets faut gedaan, dus. Ik kon het boek niet wegleggen en heb mijn nachtrust opgeofferd om het in zo’n vier dagen uit te lezen. De inhoud:

In het oude centrum van Barcelona ligt het Kerkhof der Vergeten Boeken. Hoofdpersoon Daniel Sempere wordt door zijn vader, weduwnaar en boekhandelaar, meegenomen naar deze geheimzinnige, verborgen wereld van verhalen. Vanaf dat moment neemt Daniels leven een wending die hij niet had kunnen voorzien. Hij mag een boek uitzoeken en kiest De schaduw van de wind, geschreven door een zekere Julián Carax. Het boek laat hem niet meer los, ook al schudt de wereld tijdens het grauwe Franco-regime om hem heen op zijn grondvesten. Hij wil alles weten over het boek en de schrijver. En merkwaardigerwijs lijken alle mensen die hij ontmoet, ook de vrouwen op wie hij verliefd wordt, deel uit te maken van het grote spel waarvan het boek het middelpunt vormt.

Het verhaal deed mij erg denken aan het werk van Hubert Lampo, in zijn goede tijd wel te verstaan. Van Lampo heb ik zo’n beetje alles gelezen. Ook bij hem tref je vaak een queeste aan. Boekhandelaars en de typische “Lampo-vrouw” zijn de vaste ingrediënten, evenals een beschermer, een mentor, de archtypische oude wijze. Als het mysterie is opgelost is de hoofdpersoon heel wat wijzer en een vrouw rijker. Bij Carlos Ruiz Zafon wordt de rol van wijze gespeeld door de zwerver Fermin Romero de Torres, die een aantal prachtige zinnen in de mond gelegd krijgt. Het viel mij vooral op dat Daniel en Fermin om het mysterie rond Julian Carax op te lossen nogal eens wat mensen moeten interviewen. Langzaamaan wordt de lezer hierdoor duidelijk wat zich allemaal heeft afgespeeld in het verleden en waarom de boeken van Carax van de aardbodem verdwenen lijken. Maar Zafon draaft nogal eens door en beschrijft gevoelens en gebeurtenissen van Carax en zijn geliefde Penelope waar zijn generatiegenoten nooit getuige van kunnen zijn geweest. Door de fout krijgt het boek toch iets kunstmatigs. Het verhaal en de sfeer zijn echter zo mooi dat ik me hier maar niets van aangetrokken heb en het boek na lezing met een dankbaar gevoel in mijn boekenkast heb teruggezet, vlakbij mijn Lampo-collectie.

Links: