Tag Archives: Music

Radio Corona in Odeon, Zwolle

Zaterdag 9 januari was ik in Zwolle, eigenlijk voor iets anders, maar ik besloot er gelijk een weekendje van te maken. Nu moest ik nog een avondbesteding hebben – het werd de theatershow van “De Coronas” in Odeon. Stand-up pop.
Bij het binnenkomen merkte ik al dat dit geen gewoon concert zou worden: bij de garderobe werd gevraagd de mobiele telefoon aub mee te nemen. Da’s nog eens wat anders dan vragen of je hem aub uit wilt zetten, al dacht ik nog dat het garderobe-personeel gewoon geen zin had om verantwoordelijk te worden gesteld voor je mobiele telefoon.

Het podium zag er ook al gelijk verrassend uit: het rekje gitaren links paste nog wel bij wat ik verwachtte (ik had al begrepen dat het om een band ging), maar de vleugel in metalen kist rechts en de zendcabine middenvoor (met het logo “Radio Corona; het station dat naar jou luistert”) gaf aan dat het meer een theatershow zou worden en nauwelijks een concert. De term “Stand-up pop” lijkt me dan ook uitstekend gekozen.

‘Radio Corona’ in de lucht!
Het is zover, de eerste echte theatertour van De Coronas, ‘Radio Corona’, gaat van start! Onder leiding van Peter Heerschop en met regie van Bart Oomen schreven en repeteerden de band hun Stand-up Pop precies op maat voor een fraaie theateravond. Natuurlijk voeren muzikale verzoekjes van het publiek de boventoon, maar om te weten wat de groep nog meer in zijn mars heeft, moet je echt komen kijken! Op 17 september openen De Coronas het theaterseizoen in De Flint, Amersfoort en op 25 september in De Nieuwe Doelen, Gorinchem. Daarna reizen de heren nog het hele land door met ‘Radio Corona’, dus je hoeft ze niet te missen… Kijk hier in de agenda voor alle data en kies je plek!

Direct bij zijn eerste opkomst legde spreekstalmeester Erik Vorstenbosch uit dat je de mobiele telefoon moest gebruiken om verzoeknummers in te dienen, daarvoor was een gratis 0800 nummer ingesteld. Nu was het niet zo dat de band inderdaad alles kon spelen, maar met 5000 nummers op hun repertoire (volgens hun website) kwamen ze toch een heel eind.

Hiermee tillen De Coronas muzikale interactiviteit naar een hoger plan. Welke andere band heeft er 5000 nummers in de vingers en praat er ook nog over met hun publiek?

De Coronas bestaat uit Rias Baarda, Danny ten Have, Axel Lindelauf, Harold Mingels, Hans Vorstenbosch en Erik Vorstenbosch, allemaal rasmuzikanten, hoewel het zingen het hier en daar vooral van enthousiasme en uitstraling moest hebben. “Wat kan die man drummen” riep Erik Vorstenbosch na de zangsolo van Danny ten Have (met background vocals van de overige bandleden) gekscherend, maar met een kern van waarheid. Het spelen was echter hartstikke goed (ik was vooral onder de indruk van multi-instrumentalist Hans Vorstenbosch en het saxofoonspel van Harold Mingels) en het geheel straalde een hoop plezier en energie uit en dat is toch waarvoor je een avondje uit bent.
Een aanrader dus, deze theatershow.

Jenny Arean en Louis van Dijk

Jenny Arean en Louis van Dijk, twee rasartiesten die beiden hun sporen ruimschoots verdienden maar nog nooit samen in het theater te zien waren. In deze voorstelling zullen deze twee muzikale werelden voor het eerst samensmelten. Dit levert een zeer gevarieerd programma op waarin, naast bestaand materiaal dat nieuwe glans krijgt, ook speciaal voor deze gelegenheid geschreven repertoire zal worden vertolkt.

De volle warme stem van Jenny Arean en het virtuoze spel van Louis van Dijk staan garant voor een avond gevuld met muzikale hoogtepunten.

Tot zover het officiële persbericht. En er staat geen letter teveel in; bij de combinatie Louis van Dijk en Jenny Arean verwachtte ik een goed concert en ik werd niet teleurgesteld afgelopen zaterdag.
Ik vind Louis van Dijk echt een geweldige pianist, die niet alleen lekker Jazz speelt, maar ook met klassiek goed uit de voeten kan – ik denk daarbij altijd aan een televisie-optreden van hem, al een tijd geleden, waarbij hij het 5e Brandenburgse concert van Bach speelde, met de beruchte klavecimbel-cadens op het eind van het eerste deel.
Bij het optreden in de Haarlemse Stadsschouwburg speelde hij een Mozartaria aanvankelijk “klassiek”, liet dat gaandeweg overlopen in een schitterende jazzy improvisatie (waar je Mozart’s melodie gewoon doorheen kon blijven horen) en daarna weer terug.
Jenny Arean staat altijd garant voor een doorleefde voordracht; ja, ik geloof dat dat haar sterkste kant is. Voorbeeld: in de voorstelling zingt zij het nummer “Schoenen” – eigenlijk een soort opsomming van de stadsplattegrond van de omgeving rond de negen straatjes in Amsterdam. Ik denk dat als ik het nummer zou hebben leren kennen door de bladmuziek te lezen, ik het niets zou hebben gevonden, maar met de manier waarop Jenny Arean het zong werd het een juweeltje.
Ik ga hier niet alle songs één voor één zitten recenseren. Heeft trouwens geen zin – er waren geen dieptepunten. Wel was er nog het geinige duet “Griekenland/Veluwe”, waarbij Louis van Dijk liet horen dat hij ook kan zingen. Hij deed dat zeker niet slecht, hoewel ik niet gelijk hoop dat hij zijn pianistencarriere er voor zal inruilen.
Twee grootheden waar ik ook voor beiden afzonderlijk wel het winterse weer (en het achteraf ietwat onnodige weeralarm) voor getrotseerd zou hebben nu samen voor de prijs van één; dat leverde een prachtige avond op.

Wereldband met “Kopmannen”

Vrijdagavond in Theater Warenar in Wassenaar naar de Try-Out van “Kopmannen” geweest, door de Wereldband. Ik hoorde pas voor het eerst van de band op de Parade, afgelopen zomer (30 juni 2009), toen ik ze op het veld het volgende kunstje zag vertonen:

Ieder speelt een instrument dat door een ander wordt vastgehouden, maar wat hij door een of ander handicap zelf niet kan spelen; de lamme helpt de blinde. Wat een stel malloten, dacht ik en kocht een kaartje voor de voorstelling. Zelden zo gelachen. Dus gelijk de speellijst opgezocht voor dit seizoen.
Non-stop humor door zes multi-instrumentalisten die al die instrumenten ook nog eens bekwaam bespelen en ludiek weten om te gaan met zaken waarvan je als musicus nooit gedacht had dat ze ook nog konden, zoals een Slagerij van Kampenachtige compositie voor slagwerk spelen op de onderkant van een ziekenhuisbed. Of een renaissance-chanson op uiterst komische wijze (maar desalniettemin loepzuiver) gezongen – wie zei dat oude muziek saai was? Een Topband, een Wereldband. Weten we gelijk waar de naam vandaan komt.

Elton John in Ahoy

Elton John is zo’n zanger waar ik weliswaar geen “fan” van ben, maar waar ik de muziek graag en vaak van beluister. Ik maakte kennis met zijn muziek via de beruchte “Alle 13 Goed” serie, waar “Your Song” en de “Border Song” op stonden. Heerlijke songs, die ik vaak als losse track beluisterde (ipv de hele kant verzamelbagger af te luisteren). Mijn waardering groeide toen ik als dirigent/pianist met een koor “Candle in the Wind” uitvoerde, in de versie die we bij de uitvaartdienst voor lady Diana konden beluisteren. Een op het oog en oor technisch eenvoudige piano-partij, die echter net die “touch” vraagt die Elton John als vanzelfsprekend heeft – daar kom je pas achter als je het zelf probeert te spelen. Respect voor die man!

Elton John’s “Red Piano” concert kreeg ik dit jaar als verjaardagscadeau van mijn vrouw. Het verhaal achter de Red Piano is flinterdun: “de tour heet ‘red piano’ omdat het over liefde gaat ennuh…omdat de piano rood is” expliceert Elton John ergens in het concert. Ook de toelichtingen bij sommige songs sloegen nergens op, om van de soft-erotische video-clips op de achtergrond nog maar te zwijgen. Het decor, met opblaasbare bananen bij het nummer “I’m Still Standing”, gaf een hilariteit die niet op zijn plaats was.
Gelukkig heeft hij meer verstand van muziek.
Hij zong hoofdzakelijk zijn oude hits en dat deed hij goed. De stem is wat minder hoog geworden, maar dat liet hij slim hier en daar overnemen door de leden van zijn band – op de keyboardspeler na, allemaal oude Rockers met afgeleefde koppen. Maar dat deed niets af aan het bruisende karakter van de muziek. Elton’s pianospel is gewoon solide en bij nummers als “Nikita”, waar hij min of meer alleen speelde (terwijl het origineel een vollere bandbezetting heeft) weet hij in zijn eentje de hele begeleiding in te vullen. Ook schitterend pianospel bij zijn, wat mij betreft “ex aequo”, mooiste song, “Sorry Seems to be the Hardest Word” – damn, zat zó geconcentreerd te luisteren dat ik wéér de cam te laat heb aangezet.

En natuurlijk: “Your Song” als laatste. Ooit heb ik hem dat op TV live zien afraffelen – begrijpelijk, hoe vaak zal hij dat gezongen hebben, want van zo’n hit kom je nooit meer af. Nu deed hij dat met een concentratie alsof hij het net gisteren gecomponeerd had:

Je zou eigenlijk hopen dat hij dat in een kleiner zaaltje met een intiemere sfeer zou doen. Elton unplugged – dat zou wel eens hoge kunst kunnen zijn.

Alfred Jodocus Kwak

Zondag 4 oktober bij het Residentie-orkest: Herman van Veen’s Alfred Jodocus Kwak. De eerste uitvoering dateert uit 1978, met Herman van Veen. Van Veen zat dit keer in de zaal en zag zijn fabel over de eend die het opnam voor de Zonderwaterlanders en zelfs durfde opstaan tegen de koning dit keer verteld door Max Douw, mmv Gaëtane Bouchez, Boy Ooteman en het Groot Waterlands Symfonieorkest olv Josep Vicent.

De zaal zat vol kinderen, die maar al te zeer bereid waren het “Kwek, kwek, kwek, we zijn wel goed maar we zijn niet gek” voluit mee te zingen. Maar ook voor mij, als oudere jongere, was er genoeg te genieten. Er waren kleine wijzigingen aangebracht, ook hier en daar geactualiseerd, en het Residentieorkest speelde fraai. Echt moeilijk zullen ze het met de noten niet gehad hebben, maar ze moesten wel vanachter uit de zaal – uit het hoofd spelend nog wel – opkomen, en dat zijn toch zaken die je van een klassiek symfonieorkest niet verwacht. Ontzettend goed dus dat het orkest zich ook voor een dergelijk project wil inzetten – daarmee leg je ongetwijfeld een basis om kinderen later de concertzaal in te lokken, of minstens de afstand tussen kunst en popcultuur te verkleinen.
Foto’s en Kwaklog.
Filmpje op YouTube.

10cc in concert

18 Maart naar het concert van 10cc geweest in Theater De Veste in Delft. Het enige minpuntje was het theater, niet omdat het niet mooi is, maar het is wellicht niet zo’n zaal voor een popconcert. Aan de andere kant: de zaal was gevuld met mensen van mijn leeftijd, oudere jongeren dus, die groot zijn gegroeid met de muziek van 10cc. Om die mensen nou de hele avond te laten staan 🙂

Ik herinner me nog dat ik in de tweede klas van het atheneum zat toen “Donna” voor het eerst in TopPop was gezongen. Dat stomme falset-stemmetje hadden wij nog nooit gehoord, dus daar werd de volgende dag uitgebreid op school over gepraat. Achteraf is “Donna” niet het sterkste nummer van de groep, die bestond uit twee sterke songwriter-teams.

Two strong song-writing teams, a commercial team and an artistic team, injected sharp wit to lyrically-dextrous songs. The commercial team (Eric Stewart and Graham Gouldman) were straight pop-song-writers, who created the band’s most accessible songs; the artistic team (Godley and Creme) were the experimental half of 10cc, featuring an Art School sensibility and cinematic writing. Each man was a multi-instrumentalist, singer, writer, and producer, and each could perform as the lead singer. Bron: wikipedia.

Van die oorspronkelijke bezetting is alleen Graham Gouldman nog over. Dat heeft bij sommige mense die ik ken twijfel opgeleverd of ze wel naar het concert zouden gaan: een gemiste kans. 10CC is geweldig goed op het moment, waarin vooral zanger Mick Wilson de show wist te stelen. Niets ten nadele van de rest overigens.

Wat mij vooral opviel was dat het hele concert door enthousiast gemusiceerd werd en zonder ook maar één muzikale steek te laten vallen; het is me althans niet opgevallen. Het geluid was, als gebruikelijk, hard, maar heeft de balans in ieder geval niet verstoord. Een topconcert van een topband.

Distler's "Totentanz" bij Haarlems Kleinkoor


Distler’s Totentanz werd op 1 februari door het Haarlems Kleinkoor uitgevoerd. Daar moest ik naar toe: Hugo Distler is wellicht in het pantheon van componisten een “Kleinmeister”; voor koren heeft hij prachtige muziek geschreven. Behalve dit werk voerde het Kleinkoor ook de Musikalische Exequien van Heinrich Schütz (1585-1672)uit mmv vocale solisten en instrumentalisten.
Voor de Totentanz had het koor een beroep gedaan op de medewerking van studenten van theateropleiding DNA om de verbindende teksten te spelen. Op de CD die een aantal jaar geleden door het Nederlands Kamerkoor is uitgebracht zijn die teksten overgenomen uit een radio-opname van Radio Bremen uit 1967. Met de acteurs, die de teksten bovendien in vertaling brachten, kreeg het werk een heel andere dimensie.
Het Haarlems Kleinkoor heeft zich grondig in het werk verdiept, zoals blijkt uit de schitterende website vol achtergrondinformatie. Het resultaat mocht er zijn: een koor met een schitterende klank (waaraan de mooie akoestiek van de Haarlemse Oosterkerk nog eens een extra steentje bijdroeg) en alles loepzuiver gezongen.

Bach's Weihnachtsoratorium

De Nederlandse Bachvereniging voerde olv Jos van veldhoven de eerste drie cantates uit van het Weihnachtsoratorium (BWV 248), de verzameling van zes afzonderlijke cantates die Bach als cantor van de Thomaskirche in Leipzig schreef voor de kerstdagen van 1734/1735.

Alle zes cantates in één concert uitvoeren is een vrijwel onmogelijke opgave, al wordt het ongetwijfeld wel eens gedaan. Ooit hoorde ik er vier op één avond – een hele zit. Tenslotte wordt Bach’s muziek buiten de oorspronkelijke context uitgevoerd – er werd immers één cantate per dag tijdens de liturgie gezongen.

Niet alleen had de Bachvereniging een verstandig besluit genomen door er slechts drie te doen, een goede vondst was het om de cantates af te wisselen met andere (kerst-)muziek, in dit geval “Fröhlich soll mein Herze springen” van Johann Crüger (1598-1662) en “Pastorale” in A gr.t. van Johann David Heinichen (1683-1729). Het laatste vond ik persoonlijk nogal een onbenullig werkje, maar des te imponerender kwam daarna de opening van de derde cantate weer tot zijn recht: hier sprak de meester zelf! Dit effect zou bij achter elkaar uitvoeren van de drie (of meerdere!) delen ongetwijfeld verloren zijn gegaan; er treedt toch een soort gewenning op.

Onder leiding van Van Veldhoven werd alles met vuur uitgevoerd. Soms vond ik de tempi aan de ietwat hoge kant, maar dat zal wel komen omdat ik deze muziek toch hoofdzakelijk van enigszins verouderde opnamen ken. De zeer kleine bezetting en de authentieke instrumenten gaven een prachtige rustige klank en alles klonk loepzuiver – een merkwaardig onzuivere laatste toon bij de fluiten, vlak voor de pauze, niet meegerekend. Dit mochten we ook nog eens constateren bij het toegiftje, “Es ist ein Ros entsprungen” van Praetorius: schitterend!

Bij dit alles past natuurlijk ook nog wat kritisch gezeur: had er nou niet een wat sfeervollere omgeving geregeld kunnen worden dan de akoestisch goede maar qua inrichting uiterst kille Anton Philipszaal? Aan de overkant van het Spui is de Nieuwe Kerk; voordat de Philipszaal gebouwd was speelde het Residentieorkest daar zijn concerten, om maar niet in de vreselijke Willem-Alexanderzaal van het voormalige Congresgebouw te hoeven spelen. Het geaarzel van het publiek of er nu wel of niet geapplaudiseerd mocht worden na een cantate was wat mij betreft dan ook vreselijk misplaatst: we zaten – helaas! – niet in een kerk!

Barok-mafia

Tjongejonge, eindelijk mocht Bernard Haïtink Bach’s Matthäus Passion dirigeren. Daar moest hij eerst 79 jaar voor worden.

Er is dus nog hoop voor me, want, zelf koordirigent, ik heb ook nog nooit de Mattheus Passie gedirigeerd. Behalve dan de Christus-recitatieven, dat is verplichte lesstof voor koordirigenten in opleiding en het slotkoor “Wir setzen uns mit Tränen nieder”. Dat laatste had Haïtink ook wel eens mogen doen, in 1959 bij de herdenking van Eduard van Beinum.

Zo moeilijk is de Mattheus niet om te dirigeren – ik heb voor hetere vuren gestaan en Haïtink zeer zeker ook – maar het is nu eenmaal, sinds Harnoncourt met zijn authentieke uitvoeringen begon, iets waar je niet zomaar meer aan mag komen. Je moet iedere noot tien keer omgekeerd hebben voordat je hem laat spelen. En je moet alles van rhetorica weten, om van de getallensymboliek en authentieke instrumenten maar te zwijgen. Ik had er geen problemen mee: er is meer mooie muziek en Haïtink, ach die hoeft zich over zijn werkgelegenheid al helemaal geen zorgen te maken.

Nu lijken we terug bij af: in Amsterdam mocht Colin Davis – een schitterende dirigent en vooral, in tegenstelling tot barokspecialisten als Harnoncourt en Brüggen: een echte dirigent – komen opdraven en in Boston werd het dus Haïtink. Het moet schitterend zijn geweest. Niet dat ik de authentieke uitvoeringen niet mooi vind,  het is ook zeker goed dat de authentieke uitvoeringspraktijk er geweest is om vastgeroeste zaken van een ander perspectief te kunnen bekijken, maar nu is het welletjes:  er werden de laatste jaren steeds gekkere experimenten gedaan.

Kennelijk is er nu een kentering: er is weer ruimte voor de Mattheus zoals wij 21ste eeuwse muziekliefhebbers hem graag willen horen – en Bach hem misschien graag zou hebben willen horen als hij er de middelen voor had gehad.

In de Ban van Bannink

Harry Bannink (1929 – 1999) is de grote man achter de liedjes van “Ja Zuster, Nee Zuster”, Foxtrot, De Stratemaker op zeeshow en nog heel wat meer moois. Musicals of losse liedjes,vaak geschreven voor gebruik op radio en TV. Gebruiksmuziek dus, maar, zoals ik gisteren in Alkmaar in Theater de Veste mocht constateren, uiterst vakkundig geschreven gebruiksmuziek, neigend naar Kunst. En wat is daar mis mee?

Hollands Symfonia bracht een hommage aan Bannink en liet Bob Zimmermann de liedjes meesterlijk arrangeren voor groot orkest. Nu nog vier solisten: Loes Luca, Henny Vrienten, Nynke Laverman en Frans van Deursen. Zij zongen Banninks werk met veel liefde, hoewel Vrienten – helaas – de zwakste schakel was. Hij gaf aan door griep te zijn getroffen en dat zou best eens kunnen. Frans van Deursen en vooral Loes Luca waren groots. Van Nynke Laverman moet ik zeggen dat ze fraai zong, maar naar mijn smaak ietwat overspeelde , hoewel mij dit in het deel na de pauze aanzienlijk minder stoorde. Ze zong toen ook een paar zeer mooie songs, waaronder “Spuit”.

Tot mijn genoegen was er voor gekozen het feest der herkenning te combineren met de schok van de ontdekking: er waren heel wat minder bekende liedjes te horen en zelfs een premiere: het onvoltooide balletproject van Bannink “Paultje in Posteland”. Wellicht dat Bannink hier zijn talent wat overvraagd heeft, want de door Bob Zimmermann afgeronde en georkestreerde suite deed me in de eerste plaats aan Prokoffief en in de tweede plaats aan een medley op zichzelf staande leuke deuntjes denken.

Dat deed wat mij betreft echter niets af aan het succes van deze avond. Te bedenken dat Bannink, evenals iemand als Joop Stokkermans, uit een tijd komt dat op het conservatorium geen aandacht werd gegeven aan “lichte muziek” maakt de bewondering voor de man die een bron bleek van een stroom liedjes van vrijwel constante kwaliteit alleen maar groter. Grote vraag is dan ook: waarom is dit programma slechts vier keer uitgevoerd?