Tag Archives: Theatre

Faust bij Het Nationale Toneel

Afgelopen zaterdag Faust I & II gezien bij het Nationale Toneel. Het is min of meer mijn lievelingsboek – ik ben er al vanaf mijn 18e mee bezig, de schuld van mijn leraar Duits die het eerste deel in de les behandelde, en heb het zeker drie keer gelezen, 25 jaar geleden twee keer de beruchte voorstelling van de Appel gezien, vrij kort daarna in Amsterdam naar een uitvoering van de Oerfaust gegaan en ooit de Faust-opera van Gounod gedirigeerd.
Ik had de kaartjes al een tijdje in huis en had me er vreselijk op verheugd. Mijn vrouw zei nog: als het je dan maar niet tegenvalt. Nou dat deed het niet, maar ik heb wel wat kritische nootjes.
Al is er wat mij betreft niets aan te merken op het spel van Stefan de Walle die nog net Guido de Moor niet deed vergeten, maar verder met een consequent volgehouden ironie een grandioze Mefisto speelde; een genot om naar te kijken. Het spel van Jaap Spijkers als Faust was ook in orde, al is het natuurlijk minder een “speelrol” dan de Mefisto, terwijl het in de Volkskrant-recensie geroemde spel van Sophie van Winden (Gretchen/Helena) naar mijn idee iets te veel van die tienermeisjes-maniertjes had, die je tegenwoordig in slecht gespeelde soaps te vaak ziet. Weliswaar niet slecht geacteerd, maar ik erger me nu eenmaal aan een dergelijke speelstijl.
Ik was al een beetje bang voor de vertaling van Jeanine Brogt, zoals ik in mijn aankondiging op mijn Goethe-website al heb geschreven, en die angst bleek helaas vaak terecht. Af en toe geniale vondsten werden te vaak naar mijn smaak afgewisseld met inmiddels al weer versleten mode-woorden en ik vraag me dan ook af, waarom moest er eigenlijk een nieuwe vertaling? Het stuk is inmiddels al zo’n drie keer minstens goed vertaald geworden; waarom niet iets bestaands overnemen en hier en daar verouderde woorden of constructies vervangen? Nu klonk het af en toe als een wat vermoeid op gang komend paard dat zijn cadans maar niet kon vinden.
Zo als bijvoorbeeld het beruchte en in Duitsland tot zegswijze geworden “Das ist also des Pudels Kern”, bij De Appel/C.S. Adama van Scheltema vertaald als “Dat is de kern van deze poedel dus”, maar ja, dat mag kennelijk niet zonder meer overgenomen worden. Dus werd het hier eerst in het Duits gezegd en daarna in het Nederlands. Er werd trouwens wel meer teruggevallen op het Duits – het lied “Meine Ruh ist hin”, een gewoonte die je bij amateur-operettegezelschappen nog wel aantreft – en ook soms op wat Engels. Waarbij ik mij haast te vermelden dat ook De Appel indertijd dit lied in het Duits liet zingen en dat de voorstelling – en natuurlijk ook de vertaling – van HNT zeker niet amateuristisch was, ik had gewoon gehoopt dat het zoveel beter zou zijn.
De metamorfose van poedel naar Mefisto bijvoorbeeld deed mij heimwee voelen naar de geniale vondst van Hans Croiset indertijd, maar we zaten toen nog aan het begin van de voorstelling, dus ik was nog vol blijde verwachting.
Er zaten in de bewerking nog wat rare Querstanden, zoals het Engels zingende gospelkoor (waarom?) bij de Prolog im Himmel en toen Euphorion, de zoon van Faust en Helena, die de poëzie in het algemeen (en volgens een mogelijke interpretatie: de dichter Byron in het bijzonder) voorstelt, hier uitgebeeld werd door een Michael Jackson look-alike, die zich na de Moonwalk met een iets te vrij naar Goethe gevonden one-liner “This Is It” in de afgrond stort. Ik heb niets tegen Michael Jackson, integendeel, maar om hem nu als de belichaming van de poëzie (met op de achtergrond het tweedimensionale decor van Arcadië) op te voeren gaat mij wat ver. Al moet ik natuurlijk toegeven dat het publiek het in ieder geval begreep (of juist niet natuurlijk, maar in ieder geval werden Michael Jackson, zijn moonwalk en “this is it” herkend) en dat was wel prettig, want nu werd er tenminste een beetje gelachen in de zaal.
Daarmee kom ik op mijn volgende kritiekpunt: het was zo akelig netjes en bij tijd en wijle vooral “verheven” dat je je afvraagt of kunst alleen voor droogkokers is; het voorspel in het theater (dat ik trouwens wél sterk vertaald vond) zette de toon al voor het dilemma tussen kunst en kitsch, dat dus voor de theaterdirecteur – de kassa dus – niet altijd even gelukkig wordt opgelost.
Was er ondanks deze kritiekpuntjes in de voorstelling toch voldoende over om respect voor te hebben (ik zou er een klein “achtje” voor willen geven) , echt heel storend vond ik het gedrag van musicus Harry de Wit, die de hele voorstelling voorzag van abstracte klanken die de voorstelling een unheimische sfeer meegaven. Dat was weliswaar prima verzorgd – hooguit soms een beetje veel van hetzelfde – , maar hij was hinderlijk in beeld en vond het ook nodig door zijn artistiekerige bewegingen de aandacht van het publiek voor wat op het toneel gebeurde af te leiden. Eén keer stond hij zelfs gewoon in mijn zichtlijn. Dat had, met alle respect voor zijn kwaliteiten, wel wat minder gekund.
Het blijft natuurlijk een prestatie om Faust integraal te doen en er is zeker moeite gedaan het stuk voor ons, 21ste eeuwers, betekenis te geven. Maar ik denk dat er enerzijds niet genoeg geïnvesteerd is in een grootse aankleding, en dat Goethe’s tekst door hier en daar geforceerd eigentijds te maken geweld is aangedaan, waardoor zowel de kenner als de liefhebber (en ik beschouw mijzelf als behorend bij beide categorieën) enigszins teleurgesteld is.

Radio Corona in Odeon, Zwolle

Zaterdag 9 januari was ik in Zwolle, eigenlijk voor iets anders, maar ik besloot er gelijk een weekendje van te maken. Nu moest ik nog een avondbesteding hebben – het werd de theatershow van “De Coronas” in Odeon. Stand-up pop.
Bij het binnenkomen merkte ik al dat dit geen gewoon concert zou worden: bij de garderobe werd gevraagd de mobiele telefoon aub mee te nemen. Da’s nog eens wat anders dan vragen of je hem aub uit wilt zetten, al dacht ik nog dat het garderobe-personeel gewoon geen zin had om verantwoordelijk te worden gesteld voor je mobiele telefoon.

Het podium zag er ook al gelijk verrassend uit: het rekje gitaren links paste nog wel bij wat ik verwachtte (ik had al begrepen dat het om een band ging), maar de vleugel in metalen kist rechts en de zendcabine middenvoor (met het logo “Radio Corona; het station dat naar jou luistert”) gaf aan dat het meer een theatershow zou worden en nauwelijks een concert. De term “Stand-up pop” lijkt me dan ook uitstekend gekozen.

‘Radio Corona’ in de lucht!
Het is zover, de eerste echte theatertour van De Coronas, ‘Radio Corona’, gaat van start! Onder leiding van Peter Heerschop en met regie van Bart Oomen schreven en repeteerden de band hun Stand-up Pop precies op maat voor een fraaie theateravond. Natuurlijk voeren muzikale verzoekjes van het publiek de boventoon, maar om te weten wat de groep nog meer in zijn mars heeft, moet je echt komen kijken! Op 17 september openen De Coronas het theaterseizoen in De Flint, Amersfoort en op 25 september in De Nieuwe Doelen, Gorinchem. Daarna reizen de heren nog het hele land door met ‘Radio Corona’, dus je hoeft ze niet te missen… Kijk hier in de agenda voor alle data en kies je plek!

Direct bij zijn eerste opkomst legde spreekstalmeester Erik Vorstenbosch uit dat je de mobiele telefoon moest gebruiken om verzoeknummers in te dienen, daarvoor was een gratis 0800 nummer ingesteld. Nu was het niet zo dat de band inderdaad alles kon spelen, maar met 5000 nummers op hun repertoire (volgens hun website) kwamen ze toch een heel eind.

Hiermee tillen De Coronas muzikale interactiviteit naar een hoger plan. Welke andere band heeft er 5000 nummers in de vingers en praat er ook nog over met hun publiek?

De Coronas bestaat uit Rias Baarda, Danny ten Have, Axel Lindelauf, Harold Mingels, Hans Vorstenbosch en Erik Vorstenbosch, allemaal rasmuzikanten, hoewel het zingen het hier en daar vooral van enthousiasme en uitstraling moest hebben. “Wat kan die man drummen” riep Erik Vorstenbosch na de zangsolo van Danny ten Have (met background vocals van de overige bandleden) gekscherend, maar met een kern van waarheid. Het spelen was echter hartstikke goed (ik was vooral onder de indruk van multi-instrumentalist Hans Vorstenbosch en het saxofoonspel van Harold Mingels) en het geheel straalde een hoop plezier en energie uit en dat is toch waarvoor je een avondje uit bent.
Een aanrader dus, deze theatershow.

Amateurs!

Amateurs! – “een tragikomische kroniek over een niet te stuiten toneelgezelschap”, geschreven door Wannie de Wijn is een hilarisch toneelstuk over een amateurtoneelgezelschap dat eens wat hogerop wilde. Dus werd een professionele regisseur aangesteld om een “echt” stuk te schrijven, geen musical, maar “muziektheater”. Het niveau moet omhoog, maar wat gebeurt is dat sommige spelers het niet kunnen bolwerken, dat het stuk te hoog gegrepen is, waardoor iedereen zich afvraagt wat hij eigenlijk aan het spelen is, de spelers er naar het idee van de regisseur niet voldoende voor gaan en de regisseur naar het idee van de spelers teveel artistiek bezig is met zijn stuk zonder rekening te houden met waar het de spelers om te doen is geweest: plezier in toneelspelen. Dit werd in een van de dialogen tussen de spelers en hun regisseur op het eind van het stuk nadrukkelijk uitgesproken. Zaken die gebeuren en waarschijnlijk herkenbaar zijn voor amateurgezelschappen. Waar nog bij komt dat de regisseur met twee leden verhoudingen heeft.  Een extra hilarisch element was dat in het stuk tijdens de eerste repetitie in de grote zaal van de schouwburg de computer een eigen toneelstuk afdraait waardoor er op de verkeerde momenten rekwisieten naar beneden komen, het licht aan- en uitgaat en muziek klinkt die niet hoort te klinken.

Bij een dergelijke uitvoering  lijkt het mij altijd moeilijk om de juiste maat te houden: het lijkt zo makkelijk om een acteur te spelen die niet kan acteren, maar volgens mij schiet je al snel door als je op het effect afgaat. In dit geval wisten de spelers het voortreffelijk te doseren en het stuk was dan ook de hele avond een genot om naar te kijken.

Ik heb dus twee uur lang geboeid zitten kijken naar deze leuke voorstelling. En toch kan ik het niet laten weer kritiek te spuien op een verschijnsel dat inmiddels in ons uitgaansleven ingeburgerd is geraakt: namelijk het uitspelen van een hele voorstelling zonder pauze. Dit stuk duurde 2 uur en hoewel ik mij geen moment verveeld heb, vind ik dat er best een pauze in had gemogen. Je bent toch een avondje uit? Goede toneelschrijvers wisten vroeger dat je voor de pauze naar een hoogtepunt in de verwikkelingen werkte zodat de toeschouwers in de pauze met elkaar konden speculeren over de mogelijke afloop. Enige jaren geleden moest ik bij de Nederlandse Opera zelfs een Wagner opera zonder pauze uitzitten!

Dat je bij de Pathé bioscopen geen pauze meer krijgt en zelfs je popcorn en chips mee de zaal in mag nemen – hoe spijtig ook – heeft alles te maken met het snel willen rouleren van de bezoekers, veel zalen, veel voorstellingen, veel platte, op het effect gerichte films, veel geld voor een toegangskaartje, hoge winst. Maar ik ga nu juist buiten de deur van dit soort zaken genieten omdat ik er dan meer aandacht voor kan hebben dan wanneer ik thuis met een DVD op de bank ga zitten – ik wil daarna helemaal niet “nog iets aan mijn avond hebben”, maar even over het stuk kunnen doormijmeren.

Helaas schijn ik de enige te zijn die vind dat theatergezelschappen die zichzelf serieus nemen niet zouden moeten toegeven aan het fast-foodprincipe.

Bij amateurvoorstellingen zit gek genoeg wel altijd een pauze: amateurs zijn natuurlijk vrij van de drang om hun stukken voor het geld te spelen; zij spelen voor het genoegen van het spelen. Hoe beperkt amateurs – letterlijk “liefhebbers” – wellicht ook zijn in hun mogelijkheden, professionals zouden vaker naar amateurs moeten kijken of op zijn minst met ze moeten praten om weer eens terug te kunnen naar de basis, naar de reden waarom zij op hun achttiende besloten professional te worden – ooit zijn ze tenslotte ook amateur geweest. Als zij iets van amateurs kunnen leren is het wel dat zij de liefde voor hun kunst wellicht vergeten zijn.

Kunst is helaas verworden tot een massa-consumptie artikel; als kunst niet meer wil zijn dan kortstondig vermaak, zonder noodzaak of op zijn minst wil tot reflectie, kunnen we beter gelijk naar een pretpark gaan. Of naar een amateurvoorstelling – zo slecht is dat niet.

Jenny Arean en Louis van Dijk

Jenny Arean en Louis van Dijk, twee rasartiesten die beiden hun sporen ruimschoots verdienden maar nog nooit samen in het theater te zien waren. In deze voorstelling zullen deze twee muzikale werelden voor het eerst samensmelten. Dit levert een zeer gevarieerd programma op waarin, naast bestaand materiaal dat nieuwe glans krijgt, ook speciaal voor deze gelegenheid geschreven repertoire zal worden vertolkt.

De volle warme stem van Jenny Arean en het virtuoze spel van Louis van Dijk staan garant voor een avond gevuld met muzikale hoogtepunten.

Tot zover het officiële persbericht. En er staat geen letter teveel in; bij de combinatie Louis van Dijk en Jenny Arean verwachtte ik een goed concert en ik werd niet teleurgesteld afgelopen zaterdag.
Ik vind Louis van Dijk echt een geweldige pianist, die niet alleen lekker Jazz speelt, maar ook met klassiek goed uit de voeten kan – ik denk daarbij altijd aan een televisie-optreden van hem, al een tijd geleden, waarbij hij het 5e Brandenburgse concert van Bach speelde, met de beruchte klavecimbel-cadens op het eind van het eerste deel.
Bij het optreden in de Haarlemse Stadsschouwburg speelde hij een Mozartaria aanvankelijk “klassiek”, liet dat gaandeweg overlopen in een schitterende jazzy improvisatie (waar je Mozart’s melodie gewoon doorheen kon blijven horen) en daarna weer terug.
Jenny Arean staat altijd garant voor een doorleefde voordracht; ja, ik geloof dat dat haar sterkste kant is. Voorbeeld: in de voorstelling zingt zij het nummer “Schoenen” – eigenlijk een soort opsomming van de stadsplattegrond van de omgeving rond de negen straatjes in Amsterdam. Ik denk dat als ik het nummer zou hebben leren kennen door de bladmuziek te lezen, ik het niets zou hebben gevonden, maar met de manier waarop Jenny Arean het zong werd het een juweeltje.
Ik ga hier niet alle songs één voor één zitten recenseren. Heeft trouwens geen zin – er waren geen dieptepunten. Wel was er nog het geinige duet “Griekenland/Veluwe”, waarbij Louis van Dijk liet horen dat hij ook kan zingen. Hij deed dat zeker niet slecht, hoewel ik niet gelijk hoop dat hij zijn pianistencarriere er voor zal inruilen.
Twee grootheden waar ik ook voor beiden afzonderlijk wel het winterse weer (en het achteraf ietwat onnodige weeralarm) voor getrotseerd zou hebben nu samen voor de prijs van één; dat leverde een prachtige avond op.

West Side Story in Fortis Circustheater

Waren er maar meer goede componisten als Leonard Bernstein die zich niet te goed voelden om een musical te schrijven! Dan werden we niet zo overspoeld met al die ellende die we tegenwoordig dankzij Joop van der Ende te zien krijgen. De makers van de moderne musicals denken alleen op de lege huls van een decorontwerp een publiekstrekker te kunnen maken. Wat in feite ook zo is, want de zalen zitten bij al die voorstellingen tot de nok vol (al zijn daar vaak behoorlijk gulle weggeef-acties voor nodig) en die overproductie is er natuurlijk niet voor niets. Nu Shaffy dood is zal “Shaffy, de Musical” wel de volgende melkkoe zijn. Om het maar niet te hebben over de publieks – “op zoek naar Josef/Evita/Mary Poppins” – audities te hebben; wat een aanfluiting overigens voor Willem Nijholt!

West Side Story is anders. Het is dat er zoveel en zo spetterend in gedanst wordt, anders zou je het bijna een opera gaan noemen. Zondag 10 januari zag ik in het Fortis Circustheater een voorstelling in het kader van het 50 jarig jubileum van de Broadway-productie. Wegens enorm succes, heette het op de posters, was de voorstellingenreeks verlengd. Puur volksbedrog natuurlijk, want ik kocht mijn kaartje met korting en als ik even had gewacht had ik nog meer korting gekregen. De zaal was uiteindelijk iets meer dan halfvol – het grote publiek heeft liever een waterhoofd van Lloyd Webber dan een stuk waarin de inhoud belangrijker is dan de verpakking. Aangezien het verhaal gaat over twee jeugdbendes die elkaar het monopolie op een stukje straat bevechten – met dramatische afloop – was het stuk misschien nog wel ongekend actueel, gezien de gebeurtenissen in Culemborg. Iedereen kent natuurlijk wel “I Feel Pretty” en “America”, maar voor sommige songs moet je aanzienlijk meer moeite doen. Zelf vind ik het ongemakkelijk klinkende slotakkoord altijd weer een aangrijpende afsluiting.
trailer: via musical.blog.nl

Het sobere, maar effectieve decor bewijst dat een goed verhaal, goede muziek en – vooral – een goede uitvoering voldoende kunnen zijn. De dans was adembenemend; de zang zuiver en sterk, soms iets te “strak”, te weinig gevoel in de stem. Het duet tussen Maria en Anita (op het eind) helaas juist iets te veel. Het is ook nooit goed 🙂
Ik heb wellicht de film uit 1961 iets te vaak gezien, dan word je een beetje te kritisch. Dan vallen ook gelijk de verschillen op in tekst en volgorde van de songs. Het wikipedia-artikel over de film somt ze keurig op. Maar als film, als musical of gewoon alleen de muziek op een geluidsdrager: West Side Story verveelt nooit.

Jeugdtheaterschool Rabarber speelt “Sjakie”

Tweede kerstdag was de première van “Sjakie en de Chocoladefabriek” door theaterschool Rabarber. Nu zijn we wat betreft dit leuke verhaal van Roald Dahl enigszins verwend door twee verfilmingen (1971 en 2005), dus het was erg spannend om te kijken wat daar in een theatervoorstelling van overblijft.
Het viel me zeker niet tegen, al zou je me ervan kunnen beschuldigen dat ik bevooroordeeld ben, omdat Roosmarijn erin meespeelt – als Oompa-Loompa. Maar de jeugdige spelers wisten uitstekend raad met hun verschillende rollen en, in het geval van de vertolker van Willie Wonka, flinke lappen tekst. De transformatie van Violet Beauderest in een bosbes was misschien het minst geslaagd, omdat dit gewoon te lang duurde, maar daar stonden talloze leuke vondsten van regisseur Wim Serlie tegenover, zoals de eekhoorntjes-scene.
Met elf voorstellingen tussen 26 en 31 december (twee per dag, behalve oudejaarsdag) en alles in een uitverkocht Spuitheater, heeft Rabarber een gouden greep gedaan met dit stuk.

Wereldband met “Kopmannen”

Vrijdagavond in Theater Warenar in Wassenaar naar de Try-Out van “Kopmannen” geweest, door de Wereldband. Ik hoorde pas voor het eerst van de band op de Parade, afgelopen zomer (30 juni 2009), toen ik ze op het veld het volgende kunstje zag vertonen:

Ieder speelt een instrument dat door een ander wordt vastgehouden, maar wat hij door een of ander handicap zelf niet kan spelen; de lamme helpt de blinde. Wat een stel malloten, dacht ik en kocht een kaartje voor de voorstelling. Zelden zo gelachen. Dus gelijk de speellijst opgezocht voor dit seizoen.
Non-stop humor door zes multi-instrumentalisten die al die instrumenten ook nog eens bekwaam bespelen en ludiek weten om te gaan met zaken waarvan je als musicus nooit gedacht had dat ze ook nog konden, zoals een Slagerij van Kampenachtige compositie voor slagwerk spelen op de onderkant van een ziekenhuisbed. Of een renaissance-chanson op uiterst komische wijze (maar desalniettemin loepzuiver) gezongen – wie zei dat oude muziek saai was? Een Topband, een Wereldband. Weten we gelijk waar de naam vandaan komt.

Alfred Jodocus Kwak

Zondag 4 oktober bij het Residentie-orkest: Herman van Veen’s Alfred Jodocus Kwak. De eerste uitvoering dateert uit 1978, met Herman van Veen. Van Veen zat dit keer in de zaal en zag zijn fabel over de eend die het opnam voor de Zonderwaterlanders en zelfs durfde opstaan tegen de koning dit keer verteld door Max Douw, mmv Gaëtane Bouchez, Boy Ooteman en het Groot Waterlands Symfonieorkest olv Josep Vicent.

De zaal zat vol kinderen, die maar al te zeer bereid waren het “Kwek, kwek, kwek, we zijn wel goed maar we zijn niet gek” voluit mee te zingen. Maar ook voor mij, als oudere jongere, was er genoeg te genieten. Er waren kleine wijzigingen aangebracht, ook hier en daar geactualiseerd, en het Residentieorkest speelde fraai. Echt moeilijk zullen ze het met de noten niet gehad hebben, maar ze moesten wel vanachter uit de zaal – uit het hoofd spelend nog wel – opkomen, en dat zijn toch zaken die je van een klassiek symfonieorkest niet verwacht. Ontzettend goed dus dat het orkest zich ook voor een dergelijk project wil inzetten – daarmee leg je ongetwijfeld een basis om kinderen later de concertzaal in te lokken, of minstens de afstand tussen kunst en popcultuur te verkleinen.
Foto’s en Kwaklog.
Filmpje op YouTube.

Geslacht

In een half lege Rijswijkse schouwburg zag ik afgelopen dinsdag “Geslacht” van Rob de Graaf, een veelbekroond toneelschrijver. Van de website van Het Toneel Speelt:

“Leuk is helemaal dat Het Toneel Speelt een stuk op het repertoire neemt van Rob de Graaf. Zijn werk Geslacht, een paar jaar geleden door het tegendraadse Dood Paard tot klassieker gemaakt, wordt nu gespeeld door Carine Crutzen en Mark Rietman op een groot toneel, geregisseerd door Ger Thijs, een van de aardigste oude knorrepotten van het Nederlandse theater. Moet een topper worden, want Rob de Graaf is goed.”

Moest inderdaad een topper worden zou je denken, maar dat werd het toch niet, althans niet voor mij. Waar het aan lag weet ik ook niet, maar het voelde allemaal niet zo natuurlijk aan, het poetische, soms gezwollen taalgebruik – zo praat je niet tegen elkaar. Hele lappen tekst in het Engels – voor mij geen probleem, maar wat zal het publiek, dat overwegend nog ouder was dan ik, daarvan begrepen hebben – en een flink stuk in het Spaans – voor mij een iets groter probleem. Blijft over het spel van de op zich goede acteurs en de sterke tekst vooral als er eens lekker sarcastisch gedaan werd, zoals wanneer Ralf zijn liefde voor Chra vergelijkt met die van een archeoloog voor een potscherf: “je kijkt naar niets maar weet dat het ooit heel mooi moet zijn geweest”.
Vincent Kouters schreef een recensie waaraan niet zoveel meer is toe te voegen, waarin hij de schuld aan de regisseur geeft. Het zou kunnen.

Dat De Graaf zijn schetsmatige personages in dit stuk op de slachtbank legt en ze zo dwingt hun grootste angsten uit te roepen, dat Geslacht bestaat uit vier door elkaar geweven monologen der wanhoop, waarin allen zich vastklampen aan het leven dat ze verafschuwen, omdat dit het enige is wat hen nog rest, dat is nog maar moeilijk te zien.

. Oh, gaat het daarover 🙂

Dinner for One

Het is sinds 2004 traditie dat de fameuze sketch Dinner for One jaarlijks wordt uitgevoerd onder regie van Guusje Eybers met wisselende acteurs. Dit jaar speelden Kees Prins en Olga Zuiderhoek de sketch, maar van het origineel is niet veel meer overgebleven: het eigenlijke verhaal is nogal aangepast.

Een beroemde zanger van het Amsterdamse levenslied wacht in zijn woning op zijn al even beroemde zingende vriendin. Ze verkeren in de herfst van hun leven. Samen brengen ze de kerst door met muziek en herinneringen over hun carrière en jeugd.

Niet dat het door minder werd: integendeel, het was kostelijk. Vooral omdat er ook in gezongen werd. En goed! De hele setting deed denken aan Johnny Jordaan – en misschien heeft Kees Prins die ook wel in zijn achterhoofd gehad bij het schrijven van de tekst.

Voorafgaand aan de uitvoering was een dinner for four: met vrouw en vrienden kregen we een heerlijke goed-hollandse maaltijd. Absoluut klasse, maar wat het met het stuk te maken had zie ik niet helemaal en het is niet de bedoeling dat dit een culinair blog wordt.

In 1963 maakte de Duitse omroep Norddeutscher Rundfunk een televisieversie van Dinner for One met de Britse acteurs Freddie Frinton en May Warden. Het uitzenden van de televisieversie is met name in Duitsland en Oostenrijk, ingeleid door presentator Heinz Piper, een vast onderdeel geworden van de televisieprogrammering op oudejaarsavond.