Tag Archives: Theatre

Marc-Marie Huijbregts: "Opdat ik niet vergeet"

Op zijn website opent Marc-Marie Huijbregts het bericht over zijn show “Opdat ik niet vergeet” met de volgende woorden:

Een man die breekbaar durft te zijn
“Als je niet weet waar je vandaan komt, hoe kun je dan weten wie je bent?”

Wadend door de moerassen van zijn herinnering haalt hij af en toe iets naar boven. Met het publiek, want laten we eerlijk zijn: waar zou hij zijn zonder publiek?
Dus samen met u.

Laten we samen niet vergeten.

Waar die show nou eigenlijk over ging weet ik ook niet zo precies. Feit is dat het een gezellig avondje was, gewoon een soort gesprek van Huijbregts met zijn publiek. Ik heb veel en hard gelachen en realiseerde me achteraf dat Huijbregts erin geslaagd was een aantal behoorlijk zware onderwerpen aan te snijden, zonder als moraalridder over te komen. Een rasartiest.

Les Miserables

Afgelopen zaterdag ging ik in het Nieuwe Luxor naar “Les Miserables“. Les Miserables (“Les Mis“) is de musical die in Nederland de musicalgekte op gang bracht. Ik moet altijd denken aan toen ik deze musical indertijd voor het eerst zag – was het 15 jaar geleden? – in het Amsterdamse Carré. Het was echt iets totaal anders: waren de musicals tot dan toe toneelstukken met hier en daar een liedje, nu was het één doorgecomponeerd geheel en het tempo waarin het verhaal werd ontwikkeld lag zo hoog, dat ik het gevoel had dat ik mijn veiligheidsgordels moest omdoen om rustig in mijn stoel te kunnen blijven zitten.

Over de overproductie aan musicals die daarna op gang is gekomen en met name de kwalijke gevolgen voor de kwaliteit van de musicals heb ik al een paar keer eerder op dit blog geschreven, maar dat doet natuurlijk niets af aan de kwaliteit van Les Mis zelf. Dus ik wilde het nog wel eens zien.

Ook nu weer had ik het gevoel mijn veiligheidsgordels om te moeten doen, maar vooral omdat ik alleen nog maar een plaatsje hoog bovenin het Luxor theater kon bemachtigen en een beetje met mijn hoogtevrees  moest zien om te gaan. Aan het veel hogere tempo ben ik inmiddels wel gewend.

“Les Miserables” is eigenlijk een Franse musical, maar in Frankrijk is het werk geheel geflopt. Merkwaardig. Uit de tijd van de cassetteband – het lijkt een eeuwigheid geleden – heb ik nog een opname van de (veel kortere) Franstalige versie. Daarop hoor je dat de muziek geschreven is voor de typische Franse zanger met een veel slankere stem. René van Kooten moest in “Bring Him Home” (“Breng hem thuis”) behoorlijk met zijn kopstem werken om de hoge tonen te halen. Erg geloofwaardig kwam dat toch niet over voor het sterke karakter dat hij in het stuk moet neerzetten. René van Kooten valt hier niets te verwijten: idiomatisch schrijven voor de stem is bij veel musicalcomponisten, die in de eerste plaats vanachter de piano hun “catchy tunes” bedenken, het zwakke punt.

Een zwak punt van deze voorstelling vond ik de verstaanbaarheid van de tekst. Waarom vertalen als je het toch niet kunt verstaan? Doe het dan in de originele taal en geeft boventiteling, zoals in de opera.

Verfrissend vond ik dat dit keer de mannenrollen opvallend sterk bezet waren. De vrouwen waren, met uitzondering van Nurlaila Karim die Fantine zong, helaas minder – vooral minder fraai, want met de zuiverheid van de noten was (op één merkwaardige uitzondering na) niks mis. Het geforceerde “belten” dat in de musicalzang standaard is geworden is een kwelling voor mijn gehoor en het irritante gekir van Eponine (Céline Purcell, die me enige jaren geleden bij “Mama Mia” ook al in negatieve zin was opgevallen) is vooral geschikt om “brand, brand!” mee te roepen. Het decor was eigenlijk opvallend simpel maar effectief: alleen een draaischijf die snelle scene-wisselingen mogelijk maakte.

Een laatste woord van lof voor het orkest, dat prima speelde. Vijftien jaar geleden was het orkest vooral een goed geprogrammeerde machine die, ondanks een waardeloos dirigerende dirigente alle overgangen moeiteloss, maar levenloos nam. De dirigent die het nu leidde (Thomas M?) had meer grip op het geheel en wist het orkest echt te laten begeleiden, om niet te zeggen: musiceren. En zhoort het ook.

Familie Avenier lijdt aan lengte

In de Amsterdamse Stadsschouwburg zag ik zaterdag 1 november 2008 de (voorlopig?) één na laatste voorstelling van Maria Goos’ “Familie Avenier” – vier delen in één marathon-voorstelling.

DE GESCHIEDENIS VAN DE FAMILIE AVENIER
Een vierdelig feuilleton over een middenstandsfamilie in het Brabant van de twintigste eeuw.

De Tweede Wereldoorlog is pas tien jaar geleden geëindigd. De opbouw van Nederland is begonnen. We zitten diep in de Jaren Vijftig. De ontdekking van de wereld (deel 1) speelt tijdens Oud en Nieuw. We zien de familie op de dag en de avond dat het jaar 1955 zal overgaan in het jaar 1956. In de voorkamer liggen opa en oma in een groot bed. Te sterven? Of hebben ze gewoon geen zin om op te staan? In de winkel moet Jan van zijn vrouw op deze laatste dag van het jaar alle openstaande rekeningen innen. Aan de overkant van de straat zijn in het café – dat uitgebaat wordt door de dochter van de familie en haar man – jazzmuzikanten komen binnenwaaien. Op weg naar Parijs maar gestrand door autopech. Als de klok twaalf uur slaat, zingt de familie het Wilhelmus. Voor het eerst worden ze begeleid door een grammofoonplaat. De plaat blijft hangen. Iemand valt uit bed op de grond.

Het tweede deel, De ontdekking van de ziel, speelt vijftien jaar later. Er is veel gebeurd in de familie en de Nederlandse samenleving is compleet veranderd. In Rotterdam is in navolging van Woodstock het legendarische popfestival Kralingen aan de gang. De meeste buurtkruideniers hebben het verloren van de grote supermarkten. Steeds meer mensen kopen een wasmachine. De gastarbeiders komen massaal. De NVSH (Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming) geeft druk bezochte cursussen in vrijen en partnerruil is iets wat je ten minste één keertje moet hebben geprobeerd. Er schijnt zelfs zoiets te bestaan als een zelf, dat wat je echt bent en daarnaar is iedereen naarstig op zoek. Naar zelfverwerkelijking. De samenleving emancipeert en polariseert. En de familie Avenier probeert het spoor niet kwijt te raken.

Het is 1985. In deel 3 IK woont de familie niet meer in dezelfde straat of om de hoek. Maar op de camping heeft een aantal familieleden een vaste standplaats met daarop een caravan. Mohammed is teruggegaan naar Marokko, Bert werkt in de politiek en Janus heeft de handel in aandelen ontdekt. Anneke is getrouwd met de oom van Mohammed. Ze hebben net een baby gekregen. Het gaat de familie financieel voor de wind. Maar er klopt iets niet.

Het slot van de familiegeschiedenis WIJ, speelt in het jaar 2000. Rita zit in het verpleegtehuis. De familie komt op nieuwjaarsdag langs. Zij verkeert voor het grootste deel van de tijd in haar eigen wereld. Soms verwart ze tijden en mensen. De geschiedenis van de familie Avenier wordt opnieuw geschreven.

De stukken van Maria Goos kunnen in het algemeen op een goede pers rekenen. Simon van den Berg rekent in het Parool van  17 maart jl de stukken van Goos tot “de kwalitatieve top van het ‘Nieuw Burgerlijk Toneel’: goed geschreven stukken over herkenbare personages in herkenbare situaties met wie je kunt meevoelen en om wie je kunt lachen.

Tja, ik ken aardig wat stukken van Goos en ik heb er altijd wel van genoten. Ik ging dan ook vol verwachting naar de marathon toe. Teleurgesteld? Ja, eigenlijk wel. Deel 1 en 2 waren redelijk tot goed, deel 3, volgens Van den Berg “verreweg het beste deel van de serie” vond ik persoonlijk iets te kluchtig.

Eigenlijk vond ik Goos op haar best in het prachtige vierde deel. Rita Avenier, de “mater familias” neemt afscheid van har leven en alle belangrijke personen komen nog eens langs om afscheid te nemen. Vooral in het begin zitten hier prachtige dialogen. Helaas overspeelde Goos daar haar hand door het veel te lang te maken: behalve de belangrijke personen kwamen ook de onbelangrijke personen langs – echt alle draden die in het stuk waren uitgezet moesten in deel vier afgestikt worden. Dat betekende dat je toch een beetje op je klokje ging zitten kijken. In de zaal uitte het zich doordat steeds meer mensen hinderlijk begonnen te kuchen.

De acteurs Carine Crutzen, Marisa van Eyle, Tjitske Reidinga, Peter Blok, Marcel Hensema, Gijs Scholten van Aschat, Sarah Jonker, Guy Clemens, Nasrdin Dchar, Fockeline Ouwerkerk, Thomas Cammaert, Khaldoun Elmecky (min of meer de vaste kern om Maria Goos) zetten onder de regie van Jaap Spijkers een voortreffelijke prestatie neer, hoewel ook zij niet in staat waren de bovengenoemde zwakke punten in het stuk weg te acteren. Geniaal vond ik Tjitske Reidinga, die in deel 3 te horen krijgt dat haar broek trekt in haar kruis. Terwijl de handeling van het stuk ergens anders op het toneel doorgaat, zie je Reidinga een kleine one-woman show opvoeren waarin ze zichzelf lichtelijk beteuterd in de ruit van een caravan spiegelt om te kijken of het echt zo ernstig is als zonet gezegd is. Werkelijk zeer komisch.

Met zo’n geweldige cast grote acteurs en de geweldige toneelschrijfster die Maria Goos is zou er van dit Burgerlijk Epos een geweldige toneelmiddag en -avond moeten zijn gemaakt. Wat mij betreft had Maria Goos bij het schrijven van dit stuk helaas meer ambitie dan goed voor haar is – of op zijn minst goed is voor het burgerlijke publiek, waartoe ik mijzelf ook reken. Een uurtje minder tekst, vooral in het laatste deel, zou de spanning beter hebben vastgehouden.

Hera – een goddelijke musical

Twee weken na “Odysseus” van De Appel zat ik weer in klassieke sferen, dit keer voor het stuk “Hera”, een “goddelijke musical” gemaakt naar een idee van tekstschrijver Flip Broekman, met liedteksten van Jan Boerstoel. Voor de muziek tekende componist Martin van Dijk. Gisterenavond zag ik de première in het Delftse Theater de Veste.

Stel u voor: u betreedt de zaal en u krijgt te horen dat u op weg naar het theater bent omgekomen… Gelukkig krijgt u de kans om in een nieuwe lichaam terug te keren, want u bent gearriveerd in de gezellige reïncarnatiekliniek van Hera. Hera, ooit de machtigste godin van het Griekse rijk, raakte in vergetelheid . Deze kliniek betekent haar come back en het lijkt een hit te gaan worden. Maar net als U zich klaar maakt voor uw volgende leven ontstaat er groot tumult. Zeus is er met een aardse vrouw vandoor gegaan en laat Hera na drieduizend jaar huwelijk alleen, eenzaam en verbitterd achter. Plotseling bent u getuige van een ruzie tussen de goden. Want laat Hera het hierbij zitten? En wie is die mysterieuze jongeman, die vervolgens opduikt om haar de liefde te verklaren. Aan haar…de Oppergodin! En hoe moet het nu met uw volgende leven?

Hera, muziektheater vol hartstocht, vriendschap en drieduizend jaar liefde en bedrog. van de website van Hummelinck Stuurman Theaterbureau

De hoofdrol van Fabio wordt gespeeld door Arjan Ederveen en dat schept al de verwachting dat het niet saai zal worden. De rol van Hera wordt gespeeld door Vera Mann, die Loes Luca na het plostselinge overlijden van haar man moest vervangen en Rob van de Meeberg speelde Zeus. Een uitstekende casting wat mij betreft, al blijft het natuurlijk altijd de vraag wat Loes Luca ervan gemaakt zou hebben. Ook Waldemar Torenstra was uitstekend als Casper (zoon van Zeus en Alkmene), terwijl de nimfen Esther Kuiper, Francesca Pichel, Marjet Spook en Jennifer van Brenk, de laatste vooral als Alkmene en na de pauze als Wannie, vriendin van Casper, vooral prachtig zongen en dansten.

Wat Jacques Offenbach met “La Belle Hélène” deed voor de operette, beleefden we hier in de musical. Parodie, satire, humor ging wel degelijk samen met diepgang. Interactie met de zaal, die ten dele medespeler in het geheel was (en wel in de reïncarnatiekliniek van Hera en Zeus, onder leiding van Hera mochten we enige “ontaardings”-oefeningen doen en we kregen in de pauze koffie met een plakje cake, als bij een echte begrafenis), prachtige, soms humorvolle songs, alles perfect uitgevoerd gingen vrijwel onmerkbaar over in kleine steekjes onder water. “Weet je waarvan Hera de godin is?” vraagt Fabio aan Casper. “Van de liefde?” “Van het huwelijk, dat is precies het tegenovergestelde”. Mag deze grap nog oer-burgerlijk genoemd worden, er werd ook nog even geschimpt op “Idols” (bewuste vondst?)en op de ietwat overdreven dierenliefde van sommige goedbedoelende Groenen, terwijl de niet mis te verstane song van Zeus over de goden als gemaakt naar des mensen “beeld en gelijkenis” de godsdienstwaanzin op de korrel nam: (de goden zijn) “uit nood geboren, uit angst bedacht”.

Om al die verwijzingen naar de Oudheid te kunnen begrijpen moet je natuurlijk iets van mythologie afweten. Het zou jammer zijn als dat alleen aan gymnasiasten is voorbehouden, en dat is dan ook waarom ik nog terug wil komen op mijn kritiek op de Appelvoorstelling: theater moet ons waarheid en schoonheid tonen, maar “Just a spoonful of sugar helps the medicine go down”. Na het zien van “Hera” wist ik weer dat er nog leven in die oude goden en legenden zit.

Wagneriaanse Odysseus bij "De Appel"

Eindelijk was het zover: gisterenavond kon ik de marathonvoorstelling “Odysseus” van “Toneelgroep De Appel” bijwonen. Ik had de kaartjes al lang in huis en had ook slechts kans op kaartjes door de extra voorstellingen die De Appel gaf van dit succesvolle project.
Was het het waard? Om eerlijk te zijn: ik was nogal teleurgesteld.
Misschien had ik te hoge verwachtingen, maar mag dat niet? Het project is immers met veel bombarie aangekondigd. Wekenlang artikelen in de NRC onder de kop “Op weg naar Odysseus”, een soort journaal met de belevenissen van regisseur Aus Greidanus en zijn spelers.
En dan het verhaal zelf: ik ben geen gymnasiast, maar ik herinner mij hoe ik als brugklasser aan de lippen van mijn geschiedenislerares “hing” toen zij het verhaal vertelde. Later zag ik op de BBC de verfilming van het verhaal – vooral de scene waarin Odysseus zich laat vastbinden aan de mast en zijn mannen gebiedt was in hun oren te stoppen zodat ze zonder gevaar te lopen langs het eiland van de Sirenen kunnen varen is mij bijgebleven. De waanzin waaraan Odysseus ten prooi valt als hij hun gezang hoort en zijn mannen die geen krimp geven.
Dit alles moesten wij gisterenavond bij De Appel ontberen. Het verhaal werd vooral in de verleden tijd in monologen en dialogen verteld. “Verteltheater” noemde NRC-recensent Wilfred Takken het. Maar daarvoor ga ik eigenlijk niet naar een toneelvoorstelling: dan wil ik het verhaal vormgegeven zien.
Het begon goed: de openingsscene ging vergezeld met uiterst spannende muziek en we konden ons gelijk vergapen aan een prachtig decor. Tevreden zakte ik onderuit: dit wordt een geweldige middag. Deze scene was echter gelijk het hoogtepunt – erg jammer om je kruit zo snel te verschieten. Het hele eerste deel was overigens nog relatief boeiend, maar daarna was het vooral erg veel tekst. Het schitterende decor dat eerst dienst deed als badzaal, werd later slaapzaal op Aia, Hades, Olympos, weer een paleiszaal (Scheria) en daarna nog een paleiszaal,dit keer die van Odysseus zelf. Het is natuurlijk wel een uitdaging dat er nog wat aan je eigen verbeelding werd overgelaten, maar dit ging wat ver.
De gevaarlijke tocht tussen Scylla en Charibdis bijvoorbeeld werd zeker twee keer verteld, maar je zag ‘um niet. Bij de scene in Hades zag je drie mannen,oud en der dagen zat, een beetje leuteren over een al dan niet terecht aan Odysseus gegeven wapenrusting. Kan de Appel dat nou niet beter? Natuurlijk wel , bij de 6 uur durende “Faust”, alweer behoorlijk wat jaartjes geleden, wisten ze een duivelse hel neer te zetten en een helse Walpurgisnacht. En wat zou Peter Greenaway van de Hadesscene gemaakt hebben? Zijn verfilming van Dantes Hel staat me nog haarscherp voor ogen. Het moet een bewuste keuze zijn geweest van Greidanus.
“Laten we ook iets leuks doen”, moet hij vervolgens gedacht hebben. Het werd de Olympusscene, waarin de Goden allemaal een karikatuur neerzetten van (o.a.) Pavarotti, Liz Taylor en Paris Hilton. Dat was weer wat meer dan ik om zou hebben durven vragen, maar het publiek amuseerde zich kostelijk. “En laten we ook eens geëngageerd doen”, dus werd de gastvrijheid van de Faiaken van Scheria gebruikt om Echeneos (Jules Terlingen) een Geert Wildersachtig verhaal te laten afsteken, dat ook op veel herkenning door het publiek mocht rekenen.
Ja, de oude mythen hebben ons nog steeds iets te vertellen.
Best grappig was ook de opkomst van Demodokos, de blinde zanger van de Faiaken. Alleen: het lied dat hij zong en dat Odysseus tot tranen toe moet hebben geroerd kregen we niet te horen.
Het deed me denken aan Wagner’s “Parsifal” waar je ook drie kwartier moet luisteren naar Gurnemanz’ monoloog – de handeling vindt ergens achter de coulissen plaats. De muziek maakt daar echter nog een hoop goed, als je tenminste van Wagner’s muziek houdt en er door het in volume gestaag toenemende gesnurk van het afhakende publiek nog iets van kunt horen.
Ben ik nou oppervlakkig? Wellicht en het kan me niet schelen! De snobs mogen mij uitleggen wat zo boeiend aan deze voorstelling was en waarom een mens met “Bildung” deze voorstelling gezien moet hebben. Wat mij betreft hoort Odysseus bij de canon van de cultuur, maar een beetje meer theatraal vuurwerk zou hier niet misstaan hebben. En Als De Appel het niet kan, wie dan wel? Je moet er toch niet aan denken dat we straks van Joop van der Ende’s “Odysseus, the musical” afhankelijk zijn om het verhaal in onze cultuur levend te houden.

Naar Schotland

In de Haarlemse Toneelschuur zag ik op 19 april de laatste voorstelling van “Naar Schotland”. Een intrigerend stuk van de dertigjarige Thibaud Delpeut. Gespeeld door Het Nationale Toneel, met acteurs: Anne Prakke, Jappe Claes, Sarah Marie Eweg en Saskia Temmink.

Met zijn studie klinische psychologie heeft Delpeut kennelijk voldoende basis om een stuk te schrijven over mensen die hun wereld bij elkaar liegen om overeind te blijven en wat er gebeurt als ze de werkelijkheid onder ogen moeten zien. Dat leidt dan onder andere tot de mooie zin van Jean “Ik wil een verhaal zijn: een begin, midden, niet alleen maar een eind.”

Vanaf het begin staat de hysterie van Christine wel vast, maar de problematiek van Jean wordt veel later onthuld. De technische middelen die gebruikt worden, zoals de camera’s waarmee de acteurs tijdens hun spel gefilmd worden zijn origineel. Opvallend is ook dat het stuk eigenlijk al begonnen lijkt als het publiek binnenkomt. En de grappige “Life and Cooking”-scene als Christine haar Quiche Loraine staat te maken. Die overigens mislukt, wat ook erg grappig is.

Voor alle recensenten stond vast dat de situatie gebasseerd is op Who is afraid of Virginia Woolf van Albee. Het is op het oog in alle opzichten heviger. Het oudere echtpaar brengt het jongere paar aan de bedelstaf en brengt ook bijna het dochtertje in gevaar. De leugens tuimelen over elkaar heen. Een gezamenlijke zelfmoord van het oudere echtpaar lijkt dus logisch, te logisch misschien. Christine bekent dat zij ook in de nacht van hun huwelijk, in Schotland, er al over heeft gedacht een meer in te lopen. Maar op de een of andere manier loopt nu het water hun huis binnen. Een mooi effect, terwijl zelfmoord technisch verantwoord met injectiespuiten plaatsvindt.

(recensie Max Arian, Groene Amsterdammer 14-03-2008)

Dat water dat de huiskamer binnenloopt was er in de Toneelschuur helaas niet bij. Wel kon ik, vanaf de plaats waar ik zat, meekijken naar de televisie van het stel, waarop prachtige beelden van Schotland (mijn favoriete vakantieland) te zien waren, met op de achtergrond een fraaie koorbewerking van het Schotse volksliedje “Loch Lomond”. Ik vraag me af of het deel van het publiek dat vanuit een andere hoek meekeek deze beelden ook ergens geprojecteerd kreeg. Als “Naar Schotland” gaan een metafoor is voor zelfmoord plegen (Max Arian), is Loch Lomond de plaats waar ze elkaar weer zullen ontmoeten.

Thibaud Delpeut geldt als een wonderkind in het theater. Hij is nog geen dertig jaar oud, is nog geen twee jaar van de theaterschool en wordt al ingelijfd door het Nationale Toneel in Den Haag en Toneelgroep Amsterdam. Hij heeft in drie jaar drie toneelteksten geschreven, die door het Nationale Toneel in een keurig boekje zijn uitgegeven. Terecht, want zijn stukken zijn zowel klassiek als eigentijds. (Max Arian).

Ja, dat vind ik ook. Dertig jaar oud en dan zo’n stuk schrijven, regisseren en de muziek erbij maken – hoewel het meeste bestond uit reeds bestaande muziek, maar de twee tonen die steeds op dreigende momenten te horen waren hadden een buitengewoon onheilspellend effect. Toch had ik af en toe het gevoel dat de spelers even geen raad wisten met hun tekst, alsof er zwakkere plekken waren die minder goed uit de verf kwamen.

Naar Schotland is een caleidoscopische, multimediale vertelling over het failliet van een ogenschijnlijk geslaagd bestaan en stelt de vraag waarom sommige mensen alleen zonder waarheid kunnen leven.

De Rijzenspelers spelen "Per seconde wijzer".

Amateurkunst blijft een belangrijk onderdeel van ons kunstaanbod. Sterker nog: als er geen amateurkunst zou zijn, zou er waarschijnlijk ook geen professionele kunstbeoefening zijn, ergens moet toch de basis gelegd worden. En zo ben ik – want donateur – minstens twee keer per jaar bij De Rijzenspelers aanwezig. Uit Rijsenhout, vandaar de naam. Maar ik mis geen voorstelling, want het gezelschap is een aantal toegewijde amateur-acteurs rijk en speelt vaak gedurfde stukken. Zoals “Het terras” van Jean-Claude Carrière, “Een huis vol dromen” van Benny Braem en “Adel Blank” van Alex van Warmerdam.

Met het laatste stuk greep het gezelschap iets te hoog voor het publiek. Erg jammer, want het was een goed stuk waarmee het gezelschap kon laten zien wat het allemaal in huis had. Maar ja, als je publiek gaat mopperen, kom je als amateurgzelschap niet ver, dus werd er dit jaar gekozen voor de komedie “Per seconde wijzer” “van Frank Vickery.

Het stuk gaat over een plaatselijke musicalvereniging. Wat gebeurt er binnen een gewone amateurvereniging als de rollen worden verdeeld? Welk stuk heeft regisseur Nick van de plaatselijke musicalvereniging dit keer gekozen om te spelen? Weet iedereen wel dat het met die club financieel niet zo heel erg goed gaat? Tijdens de traditionele jaarlijkse barbecue zal Nick bekendmaken welk stuk er op de planken gebracht gaat worden. Ieder speler acht zichzelf groot en kundig genoeg om minstens de hoofdrol te spelen. We hebben te maken met Joyce, bekwaam en talentvol, maar aan lager wal geraakt. En ook Teddy heeft zijn belangen nu hij ouder wordt en realiseert dat zijn roem een hoogtepunt gehad heeft. Waarom is Derek eigenlijk uitgenodigd? Roz, de vrouw van Nick, heeft hem als aimabele gastvrouw uitgenodigd. Maar Derek is geen speler van de club. Nick houdt de spanning er lang in en weet iedereen enige tijd om de tuin te leiden. Echter, Nick heeft ook zijn belangen om te dalen, zeker nu er een nieuw lid zich heeft aangemeld bij de vereniging. Er volgt een gedenkwaardige avond vol wendingen, chantage en gekonkel. Iedereen heeft zijn belangen om er bij te zijn, al leidt het allemaal niet tot de keuze van een andere show dan Nick eigenlijk al besloten heeft. Het geeft je als kijker van minuut tot minuut wel meer inzicht in wat er bij al deze mensen onder het oppervlak verborgen zit.

Uit het leven gegrepen, dit verhaal. Want het gaat in werkelijkheid heel vaak zo bij amateur toneel-, musical- of operettegezelschappen. Of het ook bij de Rijzenspelers zo gegaan is bij de verdeling van de rollen weet ik niet, maar vast staat dat de juiste mensen voor de juiste rollen gecast waren, met wat mij betreft vooral een goede partij voor Remco Brandt als Derek.

Zeker zal bij de keuze van dit stuk het publiek een rol gespeeld hebben. Want hoewel het stuk eigenlijk een beetje flauw was, hoorde ik na afloop om mij heen zeggen: “het leukste stuk sinds tijden”. En ja, wie ben ik dan om het daar niet mee eens te zijn.

De goede dood

De voorstelling De Goede Dood, een tragikomisch toneelstuk over een vrijwillig levenseinde, met Will van Kralingen, Huub Stapel, Peter Tuinman, Wilbert Gieske, Hans Thissen en Saskia Bonarius, is genomineerd voor de Toneel Publieksprijs 2007-2008. De Goede Dood is geschreven en geregisseerd door Wannie de Wijn die met dit stuk koos voor één van de meest complexe thema’s van deze tijd: euthanasie. De Goede Dood is een productie van Wallis Theaterproducties. De Goede Dood genomineerd voor Toneel Publieksprijs:

Ik zag “De goede dood” donderdag 27 maart in De Koninklijke Schouwburg. Een voorstelling met humor én diepgang. Die combinatie zie je zelden, de Volkskrant had daar dan ook onmiddelijk kritiek op:

“Te vrolijk toneel over euthanasie raakt realiteit niet”

Tja, dat kan je natuurlijk vinden. Maar misschien gaat het stuk wel helemaal niet, of in ieder geval niet alléén, over euthanasie; daar hoeven we in Nederland toch geen lans meer voor te breken? Ik denk dat het minstens ook ging over emoties die vrijkomen als dingen ongezegd zijn. Zoals bijvoorbeeld de patjepeeërige broer of dochter Sammy die de avond voor het sterven van haar vader nog zegt dat “ze nog zoveel had willen zeggen”. Waarop vader antwoordt dat een heel leven niet genoeg zou zijn om elkaar alles te zeggen. “Het is goed zo”. De goede dood.

De recensie van Cultuurnet weet volgens mij beter de eigenlijke betekenis van het stuk te treffen:

Hoe kan een mens leven met de wetenschap dat een naaste er morgen om dezelfde tijd niet meer zal zijn? Met dit moeilijke gegeven worstelt de familie Keller. De oudste broer is terminaal en heeft gekozen voor een vrijwillig levenseinde. De middelste broer, de zakenman, blijkt steeds minder onkwetsbaar dan gedacht. De jongste toont zijn emoties pas als hij achter de vleugel zit. De ex-vrouw van de zakenman is inmiddels de geliefde van de terminale oudste broer geworden. De dochter kan de zelfgekozen dood van haar vader niet aan. De huisarts tenslotte, al jaren de huisvriend van de familie, worstelt met een groot dilemma.

Waartegenover Vokskrantrecensent Hein Jansen schampert:

Een voorbeeldige terminale zieke dus, die alleen af en toe een kuchje laat horen. Om hem heen cirkelt een vrij uitbundige groep getrouwen: zijn dochter, vriendin, broers en de trouwe huisarts. Allemaal hebben ze het naar hun zin. Er wordt gedanst, er worden liedjes gezongen (Foxy Foxtrot van Nico Haak), drank vloeit rijkelijk en er wordt lekker Chinees gegeten.

En tja, dan gaat de volgende ochtend de man dus gewoon dood.

Zo gewoon gaat-ie niet. Bij alle vrolijkheid die er inderdaad in het stuk is, is het eigenlijke sterven aangrijpend gespeeld. De voortdurend irritant tikkende klok, een door machtsstrijd tussen de twee broers verkregen erfstuk waar niemand blij mee is, geeft een schril contrapunt met de stilte van de familieleden. En ruim een minuut nadat de dood is ingetreden staat de klok stil – de vervulling van de belofte van Ben aan zijn dochter dat hij, als het kon, een teken zou geven dat hij aan gene zijde is aangekomen?

Eigenlijk heb ik maar één kritiekpuntje: het beleid om steeds vaker stukken zonder pauze te laten spelen. Twee uur lang zitten was weliswaar voor deze goed gespeelde voorstelling best uit te houden, maar het valt me op dat, in navolging van veel bioscopen, het gevoel van “uitgaan”  er kennelijk niet meer mag zijn; het in de pauze, die natuurlijk valt op het dramatisch hoogtepunt van het stuk met elkaar speculeren over hoe het verder zal gaan of wat je dan ook in je pauze wilt doen.

Als zelfs theaterbezoek een snack wordt en geen tijd meer biedt voor bezinking, kan ik me voorstellen dat het iemand als Hein Jansen ontgaan is dat de voorstelling meer diepgang heeft dan hij in eerste instantie dacht.

Annette Speelt: Malpensa

Op 7 maart zag ik de try-out van Ilja Leonard Pfeijffer’s (dichter, schrijver, columnist NRC next) “Malpensa” in het Theater aan het Spui in Den Haag. “Malpensa” ging op 8 maart 2008 in première met acteurs Michel Sluysmans en Thijs Römer. De regie is in handen van Gerardjan Rijnders.

Een modern drama in uitgeklede taal, over twee mannen, vrienden wellicht, die een daad willen stellen die groter is dan henzelf.

Uitgeklede taal zou ik het niet willen noemen. De GVD’s vliegen je om de oren, vooral in het begin, en ook op ander gebied laat het gespierde taalgebruik niets aan duidelijkheid te wensen over, met als hoogtepunt het ping-pong spelletje “borsten benoemen”, waarin de borsten van een passerende vrouw in elkaar steeds overtreffende trappen van platvloersheid benoemd worden. Plat, maar wel functioneel voor de opbouw naar de verrassende afwikkeling van het stuk.

Michel Sluysmans en Thijs Römer spelen het stuk met zeer weinig middelen, maar uiterst effectief. In het begin heb ik erg genoten van het prachtige contrapunt in de staccato opsomming van een reeks data over grootte en capaciteit van het vliegveld Malpensa – een opsomming die mij overigens deed denken aan een vergelijkbare opsomming van op het oog overbodige details in het boek “Elementaire deeltjes” van Michel Houellebecq – die met fabelachtige ritmische precisie werd uitgevoerd.

Op zo’n vijftige minuten na aanvang stortte het stuk qua vaart een beetje in. Dit kan komen door het groepje baldadige scholieren dat, ondanks de aanwezigheid van hun docent, naar de mening van Thijs Römer te veel zat te gniffelen. Voor velen in het publiek onverwacht (het leek zelfs eerst of het erbij hoorde) sprong hij op en stuurde de groep weg. Terecht, naar mijn idee. En weer een bewijs dat verplicht kunstbezoek door scholieren, hoe goed bedoeld ook, niet altijd wenselijk is. Daarna werd de scene professioneel hernomen en het stuk uitgespeeld en kreeg de verrassende ontknoping de ontgoocheling en de tederheid die er naar mijn idee bij hoort.

Loes Luca – Vijfvoudig moordwijf

Loes Luca is een topartiest, dat is duidelijk. Ik genoot erg van haar Zuster Cliviavertolking, en van haar aandeel in “In de ban van Bannink”, nu zag ik haar in “Moordwijven”, Jules Deelder’s vertaling van “Bombshells” door Joanna Murray-Smith.

In een aantal prikkelende scènes speelt de veelzijdige Loes Luca uiteenlopende vrouwen die in meer of mindere mate te kampen hebben met de stress van hun hedendaagse levens. Van een door schuld verscheurde, neurotische moeder die aan alle hoge eisen van het moderne moederschap probeert te voldoen tot een cactussenfan die in haar liefdesbetuiging aan de cactussen verslag doet van haar persoonlijke relaas. Een jong meisje dat aan een talentenjacht meedoet – en tot haar schrik ontdekt dat haar grootste rivale hetzelfde nummer zingt. Over een weduwe die een blinde jonge god voorleest en een bruid die in paniek raakt.
De vrouwen hebben gemeen dat ze praten, zingen en dansen op een vulkaan.

(Bron: Kikproductions).

Een leuk onderdeel van de show was dat de scenewisselingen  gewoon zichtbaar waren; terwijl Loes Luca achterin het podium zich terugtrok om zich op te maken voor de volgende scene, zetten twee toneelmeesters de nieuwe decorstukken klaar. Dit zag er soms uit als een choreografie en gaf daardoor iets extra’s aan de voorstelling.

Ik vond de scene met de weduwe het sterkst en die slotscene met de bruid die in paniek raakt het zwakst. Maar niemand hoeft dat met mij eens te zijn natuurlijk. Bovendien: wat doet het ertoe?  Loes Luca heeft een geweldige show neergezet:

Uit de Volkskrantrecensie: …uiteenlopende vrouwen, gespeeld door die ene, unieke.”