Konrad Boehmer en het muziekonderwijs in Nederland.

Het is niet de bedoeling dat dit hedonistisch weblog verandert in een verzameling necrologieën van mensen die op de een of andere manier mijn leven beïnvloed hebben. Maar toen ik vanochtend bij het radioprogramma van Jacques Klöters een opsomming hoorde van mensen die het afgelopen jaar zijn overleden en daarin de naam van Konrad Boehmer voorbij hoorde komen - zijn overlijden op 4 oktober van dit jaar is volstrekt langs mij heen gegaan - moest ik even terugdenken aan mijn studiejaren aan het Koninklijk Conservatorium (1977 - 1982), waar hij mijn docent muziekgeschiedenis was.
Van de doden niets dan goed, maar een kritische noot mag hier toch wel klinken. Boehmer zelf kon er ook wat van als het om kritiek spuien ging.
Konrad Boehmer stond in die tijd vooral bekend als querulant, maar zijn lessen waren zeker niet slecht. Hoewel, even één anecdote: toen ik mijn tentamen muziekgeschiedenis moest doen liet hij mij royaal kiezen met welk onderwerp ik wilde beginnen. Wetend dat het mijn specialiteit is - en hij er zeer weinig mee ophad - koos ik middeleeuwse muziek en Gregoriaans. Dat had ik beter niet kunnen doen, want hij zei dat hij het daar niet over wilde hebben en ging voor straf gelijk over Wagner praten, toen míjn zwakste plek. Omdat ik ook musicologie studeerde - wat hij niet wist, omdat je daar in die tijd op het conservatorium beter niet over kon praten - wist ik naar conservatoriummaatstaven hoe dan ook wel voldoende van muziekgeschiedenis, dus ik kreeg een "8", met de opmerking dat als ik iets meer van Wagner begrepen zou hebben het een "9" zou zijn geweest.
Jaren later kwam ik Boehmer nog eens tegen in de trein en ik waardeerde het zeer dat hij mij nog herkende. Ik moet bekennen dat ik in mijn eigen rol als muziekdocent meer moeite heb oud-leerlingen te herkennen. Ze herkennen mij altijd, en ik kom ze nogal eens tegen.

Ik schreef al dat Boehmer eigenlijk een dwarsligger was, wat de oorzaak was dat hij door zwakkere docenten nogal verafgood werd. In zijn rol als geïmporteerde Duitser die het Nederlands muziekleven weleens zou wakker schudden werd hij columnist van de NRC; zijn schrijfsels werden in 1974 gebundeld uitgegeven in "Gehoord en Ongehoord". Vooral de, ik geloof vier, artikelen over het muziekonderwijs in Nederland werden tijdens ons muziekdidactiekonderwijs te pas en te onpas geciteerd met in mijn ogen funeste gevolgen.

Niet alleen muntte Boehmer in één van deze artikelen het begrip "muziekpedagogische muziek" (de trouwe lezer van dit blog zal opmerken dat ik het begrip onlangs zélf nog gebruikt heb), als aanduiding voor simpele en "dus", in Boehmers ogen, onbenullige stukjes die je moet spelen als je een beginner bent - alsof de stukken die Boehmer componeerde meer geschikt zijn voor de beginnende muziekstudent - vooral wist hij door een link te leggen tussen de in die tijd op veel scholen en PABO's gebruikte Gehrels-methode en de Duitse Wandervogel of "Jugendmusikbewegung", waarvan de door Fritz Jöde verzamelde en uitgegeven liederen tijdens de tweede wereldoorlog met al dan niet aangepaste teksten terecht zijn gekomen in de zangbundels van de Hitlerjugend, het zingen op school verdacht te maken.
Dat leidde ertoe dat ons tijdens de didactieklessen duidelijk gemaakt werd dat zingen vooral niet dogmatisch gericht mocht zijn op "mooi" zingen; gewoon je gitaar pakken, een gezellig lied gaan zingen uit het toen vrij nieuwe kinderen voor kinderenrepertoire en wel zien wie er in de klas mee begon te zingen - je zong immers uitsluitend om kinderen iets over bijvoorbeeld de toestand in de wereld te leren of voor de gezelligheid - was de aanbevolen weg.
Gehoortraining? Handzingen? Belachelijk! Toen ik het idee opperde om het handzingen eens op elkaar uit te proberen, om aan den lijve te ondervinden hoe belachelijk of wellicht toch onverwacht nuttig dat handzingen eigenlijk was, werd mij dat niet in dank afgenomen; onze docent (ik zal zijn naam niet snel vergeten, maar hem hier achterwege laten) kon het namelijk zelf niet. Het resulteerde erin dat ik bij de adjunct op het matje moest komen, waar mij te verstaan werd gegeven dat mijn kritische houding niet op prijs werd gesteld en dat ik mij heel erg rustig moest houden omdat ik anders van de opleiding zou worden gestuurd.
Met het afserveren van het muziekonderwijs als "muziek"onderwijs kwam er in onze opleiding een nieuw soort specialisatie op: de muziekconsulent. Je kon dan vanaf de plaatselijke muziekschool onderwijzers m/v van zeg twintig basisscholen aansturen over hoe ze hun muzieklessen moesten inrichten. Lesmateriaal met veel kleurplaatjes en (toen nog) cassettebandjes moesten de muzikaal niet-slagvaardige onderwijzer uit de brand helpen, maar daar had hij eigenlijk de producten van Benny Vreden al voor. Sowieso heb ik eigenlijk nooit begrepen waarom je naar het conservatorium gaat als je eigenlijk een carrière als ambtenaar ambieert waarin je vanachter een bureau voor het muziekonderwijs ongeschikte onderwijzers (al zijn er uitzonderingen) mag aansturen met wat sneue projectjes. Maar het speelde goed in op de bezuinigingen in het onderwijs - die toen al in volle gang waren, hoewel nog niet zo zichtbaar desastreus als inmiddels is gebleken.

Dit was de situatie in 1982, toen ik afstudeerde. Na een aantal jaren op diverse scholen het muziekonderwijs te hebben verzorgd kwam ik, alweer ruim twintig jaar geleden, uiteindelijk terecht op het Vrijzinnig Christelijk Lyceum.
Een school met maar één nadeel: je wilt er nooit meer weg. Ik heb het er erg naar mijn zin.

We zijn in Nederland inmiddels heel wat onderwijsherzieningen verder, ik kan me niet herinneren dat één ervan een echte verbetering is geweest hoewel het invoeren van de basisvorming het vak schoolmuziek een statusverhoging heeft gegeven van "draai maar wat plaatjes" tot een vak met een leerplan en de tweede fase muziek in de eindexamenklassen heeft gebracht. Met overigens de merkwaardige beperking dat het natuurlijk geen vooropleiding mag zijn voor het conservatorium.
Mijn vak is er dan ook in de loop der jaren steeds leuker op geworden. Toch heb ik vaak geroepen: als de overheid een besluit zou willen nemen dat er écht toe doet, moeten ze het vak muziek in het voortgezet onderwijs afschaffen en de vakdocenten verplaatsen naar de basisschool, waar het vak muziek doorgaans op een bedroevend laag niveau gegeven wordt, áls het gegeven wordt. Zelf zou ik dat overigens niet prettig vinden: ik geef liever les aan de leeftijdsgroep 12-17-jarigen, maar uitgaande van het belang voor het onderwijs in het algemeen zou muziek in de basischool - gegeven door vakdocenten - een betere investering zijn. Goed muziekonderwijs wordt bij voorkeur vóór het negende jaar aangevangen wil het er echt toe doen en ook nut hebben om meer te vormen dan alleen de muzikaliteit. Als ik mijn brugklasleerlingen binnen krijg is er al een heleboel verloren en kan ik alleen nog proberen te redden wat er te redden valt.

Op 4 oktober 2014, veertig jaar na het verschijnen van zijn gebundelde columns, overleed dus Konrad Boehmer, de man met de twijfelachtige eer op zijn minst een bijdrage te hebben geleverd aan het afbrokkelen van het muziekonderwijs in Nederland. Al had hij de tijdgeest natuurlijk mee.
En op 24 oktober, zeg drie weken later, kondigt de overheid aan geld te gaan investeren in beter muziekonderwijs op de basisschool.

Leerlingen in het basisonderwijs krijgen meer en beter muziekonderwijs. Minister Bussemaker heeft met Joop van den Ende en het Oranje Fonds afgesproken dat ze gaan samenwerken om het muziekonderwijs op school een stevige impuls te geven. Het ministerie trekt er tot 2020 € 25 miljoen voor uit. Van den Ende zet zich samen met private partijen in om ook € 25 miljoen bijeen te brengen en een campagne te starten. Het Oranje Fonds spant zich in om het programma Kinderen Maken Muziek de komende drie jaar voort te zetten.

Da's mooi. Het is te hopen dat het resultaat snel genoeg meetbaar zal zijn om dit project voort te zetten, want in het algemeen zijn zaken sneller afgebroken dan opgebouwd.