In de ban van Schumann

Het zou zo maar kunnen dat ik na mijn 50ste verjaardag mijn Sturm und Drang-periode achter mij gelaten heb en nu in rustiger vaarwater terecht ben gekomen. In ieder geval zit ik op dit moment in de sfeer van de Romantiek.
Ten dele komt dat door het lezen van Rüdiger Safranski's voortreffelijke boek "Romantik - Eine deutsche Affäre", een heerlijk boek dat ik gelukkig nog lang niet uit heb, want ik heb mij voorgenomen er nog vele genoeglijke en leerzame uurtjes mee te beleven. Ten dele komt dat ook door het lezen van Robert Musil's "De man zonder eigenschappen" (dat ik ondanks mijn liefde voor het lezen van Duits toch maar in vertaling lees; 1344 pagina's en ik ben pas bijna halverwege). En ten dele door het vanuit mijn belangstelling voor het Biedermeiertijdperk gelezen boek Das Musikleben der bürgerlichen Gesellschaft Leipzigs im Vormärz (1815 – 1848) van Friedrich Schmidt.
Dat is wellicht wat men nu synchroniciteit noemt, of anders "Goethendipity", dit alles met een welgemeend excuus voor het linken naar op één na allemaal webpagina's die door mijzelf bij elkaar zijn geschreven.

Schmidt's boek bracht mij op de (muzikale) relatie tussen Beethoven en Clara Schumann, via het mooie gedicht van Franz Grillparzer. Dat gedicht wilde ik natuurlijk lezen, Google liet het mij vinden in de volledig gedigitaliseerde werken van Grillparzer, geweldig werk van de Universitätsbibliothek Graz. Ik ken het inmiddels uit mijn hoofd.
Min of meer gelijkertijd had Pianist Magazine een stuk van Clara Schumann in de bijlage, nadat ze twee afleveringen eerder mij al mijn tanden hadden laten zetten in een stuk uit de Davidsbündlertänze van Robert Schumann.
En dat brengt je dan tot Schumann's "Davidsbündler", waarover Schmidt ook schrijft. Ik dacht altijd dat het een imaginair verbond was tussen Schumann's alter ego's Eusebius en Florestan, maar er is meer aan de hand: het heeft alles te maken met een groep gelijkgestemde musici die zich afzetten tegen een al te "burgerlijke" opvatting over kunst in het algemeen en muziek in het bijzonder

"Der Davidsbund ist nur ein geistiger, romantischer ... Mozart war ein ebenso großer Bündler, als es jetzt Berlioz ist."
(Schumann 1836 in een brief aan Heinrich Dorn)

en ook met de in de 19e eeuw populaire geheime bondgenootschappen, die Safranski beschrijft, bijvoorbeeld Schiller's "Geisterseher", Goethe's "Turmgesellschaft" in "Wilhelm Meister" (goed boek trouwens, moet ik nodig herlezen), Jean Paul's "Titan", Achim von Arnim's "Die Kronenwächter" en Tieck's "Wilhelm Lovell". Safranski noemt niet "Der Tunnel über der Pleiße", het gezelschap in Leipzig waar o.a. Albert Lortzing, lid van was. Aan Lortzing's werk ontleende ik mijn eigen alter ego Kuehleborn, een allerminst romantisch karakter, maar een koele, rationele geest (het is dan ook mijn andere ik).
Kortom, alle reden om eens wat meer onderzoek te doen. Hét boek over dit onderwerp is Friedrich Jansen's "Die Davidsbündler" uit 1883. Ik naar mijn favoriete online antiquariaat: Abebooks. Helaas, niet in voorraad. Toen naar de tweedehandsafdeling van Amazon. Ze hadden de reprint uit 1992 voor het onvoorstelbare bedrag van.....€ 199. :-(
Dat ging me natuurlijk te ver, hoe vaak kun je voor dat bedrag niet lekker uit eten, of naar de film?
Weer bracht Google uitkomst: Google books had het hele boek vanaf microfiche uit het archief van Yale University gescand! 260 pagina's, een downloadje van 5,3 MB. De volledige titel van het boek luidt trouwens

Die Davidsbündler: Aus Robert Schumann's Sturm- und Drangperiode.

Gelukkig, mijn huidige belangstelling voor de klankpoëzie van Schumann, waar ik als jonge conservatoriumstudent geen begrip, of minstens geen geduld voor had, hoeft niet te maken te hebben met mijn op leeftijd komen: nog steeds "sturmt und drängt" het in mij. En Google? Google is Kuehl eh...Cool!